Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan

Het kapitalisme wil een lege mens – want alleen die consumeert zich te pletter om zijn innerlijke leegte te verdoezelen. Henk van der Waal wijst de filosofie de plaats waar ze thuis hoort: het denken van het onbestemde. Daar kunnen we allerlei vormen van menselijkheid en vooral gemeenschappelijkheid terugvinden.

Henk van der Waal is bekend als dichter maar van huis uit is hij filosoof, hij studeerde aan de Sorbonne en studeerde in Amsterdam cum laude af op een scriptie over Heidegger. In die hoedanigheid schreef hij een boek, Denken op de plaats rust, dat een enerverende denkweg aflegt in de richting van ‘het ervaringsbereik van het onbestemde’, zoals hij het noemt. Met dit boek wil hij niets meer of minder dan de filosofie de plaats teruggeven die ze zou moeten innemen zodat ze haar oerbelofte gestand kan doen om ‘mensen inzicht te verschaffen in hun bestaan en om mensen vreugdevol te verzoenen met hun sterfelijkheid’. De huidige mens die dat het dringendst nodig heeft noemt hij ‘de paradoxaal’, omdat hij, wij allen dus, na de ondergang van Grote Verhalen als het christendom en het marxisme met hun eenduidige oplossingen, terecht is gekomen in een ervaring van het leven die alleen nog uit paradoxen bestaat.

Hoe daarmee om te gaan? Het gaat hierbij natuurlijk om de zin van ons bestaan, om waarheden die zo’n zin zouden kunnen verlenen, en die lijken nu juist alom te ontbreken of zich in talloze tegengestelde gedaanten aan te bieden. Met allerlei vormen van de schouders ophalen en een opgewekt cynisme houden we ons staande en proberen ons zo het besef dat wij zonder grond zijn, dat we leven in een leegte, van het lijf te houden. Wat ons hierbij enorm tegemoet komt is consumeren. Het is al vaker opgemerkt, we amuseren en consumeren ons te pletter en daarmee lopen we regelrecht in de val van het ‘wetenschapstechnologische kapitalisme’, dat ervoor heeft gezorgd dat op alle terreinen des levens de economie regeert. De politiek bijvoorbeeld, een niet onbelangrijk terrein, heeft de regie over de samenleving bijna geheel afgestaan aan economische krachten, men denke aan de inmiddels beruchte finan­ciële markten en ook de kunst wordt steeds vaker gerechtvaardigd met economische motieven (‘goed voor het toerisme’). Dat tekent zich nu al af als een vastgelopen systeem en Van der Waal is ervan overtuigd dat ‘alleen door het bereik van het onbestemde (…) nieuw leven in te blazen’ dit systeem kan worden opengebroken. Laten we eens kijken hoe hij zich dat voorstelt.

Daartoe introduceert hij drie begrippen die een enorme, verhelderende ordening betekenen van het denken en die elk een gebied van het bestaan aangeven waarbinnen mensen verschillende verhoudingen aangaan. Allereerst is er ‘het ervaringsbereik van de waarheid’ waarin we ons verhouden tot alles wat met enige objectiviteit is vast te stellen, uiteindelijk het gebied waar de wetenschap oppermachtig is geworden. Dan is er ‘het ervaringsbereik van de aanspraak’, waarin we ons verhouden tot de anderen om met hen tot samenlevingsvormen te komen, traditioneel het domein van de politiek. Ten derde ‘het ervaringsbereik van het onbestemde’, waarbinnen de mens zich verhoudt tot zijn ‘zelf’, de opvolger van wat vroeger de ziel heette. In dit bereik overheerste langdurig de godsdienst, zoals die dat overigens ook deed binnen de twee andere bereiken. De drie ervaringsbereiken zijn in wezen niet tot elkaar te reduceren en moeten zich ook niet met elkaar bemoeien. Dat het bereik van de waarheid morele problemen kan opleveren in het bereik van de aanspraak (klonen, stamceltherapie, selectie in de baar­moeder) laat Van der Waal nu maar zitten.

Omdat het hem gaat om het onbestemde wijdt hij het eerste deel van zijn boek aan de pogingen die door de eeuwen heen zijn ondernomen om dit bereik, dat ook het bereik is van de kunst en de liefde, in te kapselen, wat op zichzelf al aangeeft hoe groot het belang is dat samenlevingen er altijd aan hebben gegeven (en hoe verbijsterend het is dat het bijna geheel is ondergesneeuwd, uiteindelijk door de economie). Dat verhaal is natuurlijk bekend, van het Griekse denken, via het joods-christelijke monotheïsme naar de Verlichting, de Romantiek en twintigste-eeuwse ideologieën als communisme en nazisme, maar het is een enorm genoegen om te zien hoe Van der Waal deze materie met verrassende formuleringen en nieuwe inzichten onder het stof vandaan weet te halen.

Deel twee behandelt dan uitvoerig de drie bereiken, die van het onbestemde, het pièce de résistance van zijn boek, uiteraard het uitvoerigst. Het onbestemde is de bron van onze menselijkheid waarin ons ‘zelf’ ligt ingebed, ‘samen met alle anderen’. Waar komen die menselijkheid en die gemeenschappelijkheid en daarmee dus het onbestemde dat de mens als mens bepaalt vandaan? Daartoe doet Van der Waal een beroep op het werk van de dit jaar overleden filosoof Frits Staal en dat doet hij bijna in het voorbijgaan. Het is wel een manco van het boek dat de schrijver de bronnen niet noemt die hij ongetwijfeld heeft gebruikt (nu ja, hij suggereert ze via citaten). Ik zou bijvoorbeeld graag willen weten of de drie bereiken de uitkomst zijn van eigen denkwerk (wat ik vermoed, en dan: chapeau!) of (ten dele) ontleend aan anderen, ze tonen natuurlijk overeenkomst met Plato’s trio van het Ware, het Schone en het Goede. Nu ja, een Heidegger vertelde er ook nooit bij wat hij van anderen had geleend…

Staal bestudeerde zeer uitvoerig de Vedische rituelen en kwam tot de overtuiging dat de ingewikkelde regels waaraan het ritueel moest voldoen de grondslag hebben gevormd van de syntaxis van de natuurlijke talen. Op de rituele oerstructuur zijn zich dus betekenissen gaan hechten die uiteindelijk tot het ontstaan van de taal hebben geleid. Volgens Van der Waal zijn mensen rituelen gaan opvoeren om op die manier individuele organismen als een gemeenschap te organiseren, wat ‘biologisch en genetisch’ niet mogelijk was. Een lezer van het werk van primatoloog Frans de Waal, dat de redelijk complexe samenlevingen beschrijft van met name de chimpansees, zou hier kunnen wijzen op de evidente continuïteit tussen dieren en mensen, maar Van der Waal bedoelt met ‘gemeenschap’ niet hetzelfde als ‘samen­leving’. Wij mensen hebben net als de chimpansees een samenleving en misschien leven zij ook al binnen het bereik van de aanspraak, maar het gemeenschappelijk-onbestemde kennen zij niet, dat is nu juist wat ons tot mens maakt.

De samenlevingsverbanden bij mensapen waren sterk hiërarchisch en op een gegeven moment werd het evolutionair interessanter om die hiërarchie af te zwakken tot een meer egalitaire samenleving en dat is door het ritueel veroorzaakt omdat in ‘het uitvoeren van heftige en langdurige dansen waarin ieder organisme even belangrijk is’ (handelingen die geen enkel nut hebben voor voedselvoorziening of voortplanting!) iets gemeenschappelijks ontstaat dat van buiten lijkt te komen en daardoor vreemd is, onbenoembaar, oftewel onbestemd. Dat onbestemd gemeenschappelijke buiten (later wordt dat boven) nestelt zich in de deelnemers aan het ritueel. De opname van het individuele organisme in een groter, iedereen overkoepelend verband maakt hem los van zijn dierlijke staat en het zicht op het gemeenschappelijke maakt ook een zicht op zichzelf mogelijk, er ontstaat een ‘kernzelf’, een begrip dat ik aan Antonio Damasio ontleen, die in Het zelf wordt zich bewust het neurologische proces beschrijft waarin het menselijk bewustzijn ontstaat dat Van der Waal hier ook geboren ziet worden maar dan langs andere weg, hij spreekt van ‘een rudimentaire vorm van zelfbesef’. Het is hierbij aardig te bedenken dat vele primaten, dolfijnen, olifanten en een aantal vogels dat ook al moeten hebben, want ze herkennen zichzelf in de spiegel: dat ben ik.

Van der Waal gaat het er natuurlijk om dat met het onbestemde de wereld werd geopend, hij ziet ‘dat alles er is’ om Heidegger te parafraseren – of de mooie gedachte van Schelling dat in de mens de natuur zijn ogen opslaat. Het openen van de wereld wordt door de taal, als die eenmaal is ontstaan, natuurlijk enorm geïntensiveerd, maar de taal blijft contact houden met het rituele, iets wat met name de poëzie ervaarbaar kan maken. Wat de taal in ieder geval meer dan het ritueel heeft veroorzaakt is de mogelijkheid die ze ons gaf ons apart te plaatsen, ‘ik’ te zeggen, en zo een individu te worden. Het is niet zo moeilijk in te zien dat het individu in onze tijd zo ongeveer de enige positie is geworden om naar de wereld te kijken en dat daarmee het zelf en het onbestemde waarin dat zelf ingebed ligt, dus ook het gemeenschappelijke, verduisterd zijn. Maar de tijd van het ritueel is voorbij om nog samen het gemeenschappelijke te vieren, het ik is de enige weg naar het onbestemd-gemeenschappelijke door af te dalen naar het zelf dat daarin ligt ingebed.

Waarom moeten wij die weg gaan? Daarop geeft Van der Waal geen expliciet antwoord, het lijkt voor hem bijna een axioma te zijn. Ik denk dat het antwoord gelegen is in de leegte van het ik, de paradoxaal die inmiddels zijn innerlijke leegte omgeruild heeft voor een netwerk van virtuele vriendschappen (pseudo-gemeenschap), wat hem nog dieper in de klauwen van het kapitalisme heeft getrokken en zijn maatschappelijke ontreddering heeft vergroot. Inkeer naar het onbestemde waar we als mens vandaan komen kan ons weer zicht geven op wie we werkelijk zijn, wat onze werkelijke waarden en verlangens zijn en vooral: ‘In ieder mens huist een enorm verlangen om deel uit te maken van dat oorspronkelijk gemeenschappelijke.’ Ik geloof dat ook en ik denk met de schrijver dat het onbestemde in ieder geval een baken kan zijn voor maatschappelijke verandering, al heb ik nog te veel marxisme achter de kiezen om te geloven dat al die individuele gevallen van inkeer een sociaal-economische omwenteling kunnen bewerkstelligen.

In het derde deel wil hij ons als gids voor gaan op de weg die naar die inkeer tot het zelf en het onbestemde moet voeren, een bijzonder lastige weg die ermee begint – het moeilijkste, denk ik – dat je je in eenzaamheid moet afzonderen van de anderen, wat de angst met zich meebrengt dat je de verbroken verbanden niet meer kunt herstellen (hoe dramatisch dat is als de verbreking sowieso van tijdelijke aard is, zoals Van der Waal opmerkt, is dan wel de vraag). Het is een weg die vanuit de eenzaamheid via de staties ontpersoonlijking, openheid, gemeenschap en vreugde leidt naar een staat van opgetogenheid, die je uiteindelijk weer mee terug neemt naar je ‘gewone’ ik van waaruit je de ander ‘niet vanuit een gebrek of behoefte tegemoet treedt, maar vanuit een rijkdom en overvloed’. Hij noemt de weg een denkritueel, wat een zeker patroon en een zekere herhaling, oefening zelfs, veronderstelt. Van der Waal wil wel onze leraar zijn, hij laat ons niet in de steek, maar het is een abstracte leraar, en hoewel ik hem meen te begrijpen, het denkritueel moeten wij op eigen kracht voltrekken, dat kan ook niet anders, maar een echte coach (een nieuwe, wilde tak van de psychologie) lijkt wenselijk.

Het is ontegenzeglijk waar dat Henk van der Waal met zijn boek de filosofie de plaats heeft aangewezen waar ze volgens hem thuis hoort: het denken van het onbestemde. Het is evenzeer evident dat we daar allerlei vormen van menselijkheid en vooral gemeenschappelijkheid terug kunnen vinden die het kapitalisme na een lange incubatietijd volledig aan het zicht heeft onttrokken – het kapitalisme wil een lege mens want alleen die consumeert zich te pletter om de leegte te verdoezelen. Zelf worden, de titel van Van der Waals laatste gedichtenbundel: er zit niets anders op. Of zijn denkritueel, ik zei het al, mee kan helpen een maatschappelijke verandering te bewerkstelligen – naar een gemeenschap waarin onze belangrijkste waarden niet langer worden bepaald door geld – moeten we maar afwachten, maar dat de denkweg die in dit boek wordt afgelegd ongelooflijk inspirerend is en van een grote rijkdom aan inzichten, doorzichten en vergezichten wil hierbij nadrukkelijk gesteld zijn. Een grootse prestatie!

Henk van der Waal, Denken op de plaats rust. Querido, 334 blz., € 17,90