De technologie-elite

Waarheid is dat wat de meeste aandacht trekt

Terwijl we een boek lezen, leest Amazon ons. Onze aandacht is het product geworden waarmee reclame wordt verkocht. Wij leveren ons over aan de bedrijven die ons leven verregaand binnendringen.

Medium hh 71989322
31 oktober, Washington. Richard Salgado van Google, Sean Edgett van Twitter en Colin Stretch van Facebook moeten getuigen over de Russische propaganda op hun platformen © David Butow / Redux / HH

‘Eerlijk gezegd denk ik niet dat jullie het snappen’, zegt de ijzig kalme senator Dianne Feinstein, als was ze een docent die haar studenten tot de orde roept. Voor haar zitten dure advocaten die zijn afgevaardigd door Facebook, Google en Twitter. De bazen zelf hebben verstek laten gaan, tot grote onvrede van de Amerikaanse Senaat die juist in alles uitstraalt het onderzoek naar de verspreiding van Russische propaganda en extremistische content op platformen zeer serieus te nemen. ‘We hebben het hier over een destructieve verandering. Het begin van cyberoorlog’, probeert Feinstein, maar de advocaten lijken onkreukbaar. ‘We hebben het hier over een grote buitenlandse mogendheid die zich op verfijnde wijze mengde in een presidentiële verkiezing, en zo conflict en onvrede zaaide in dit land.’

Sinds Donald Trump de Amerikaanse presidentsverkiezingen won, exact een jaar geleden, ligt nadrukkelijk de vraag op tafel wat de rol is geweest van platformen als Facebook in het verspreiden van foute informatie. De algoritmen die de nieuwsfeeds van gebruikers ordenen, bleken een handige accelerator voor een met leugens doordrenkte anti-Hillary-campagne. ‘Er zijn dingen voorgevallen op ons platform bij deze verkiezingen die niet hadden mogen gebeuren. In het bijzonder, en erg problematisch, buitenlandse inmenging in een democratische verkiezing’, zei Sheryl Sandberg, coo van Facebook en de hoogste bestuurder na Zuckerberg, drie weken geleden nog. Wat er precies was voorgevallen en wanneer wilde ze niet zeggen. Inmiddels weten we dat ten minste 126 miljoen Amerikanen via haar platform zijn bestookt met politiek geladen content afkomstig uit Rusland, zonder dat dit duidelijk was. Ook Instagram, eigendom van Facebook, bleek een gewillig podium voor propaganda, evenals Twitter en Google. ‘Dit is jullie verantwoordelijkheid’, zegt Feinstein stellig. ‘Jullie creëerden deze platformen en ze worden misbruikt. Jullie moeten daar iets aan doen. Anders doen wij het.’

Terwijl in Washington de advocaten hun bedrijven verdedigden door met een beschuldigende vinger te wijzen naar algoritmen, vond in New York een driemaandelijks beursfeestje plaats. De recente kwartaalcijfers waren voor de zoveelste keer op rij ‘veel beter dan verwacht’. Het moederbedrijf van Google deed het 24 procent beter dan een jaar eerder. Ondertussen noteerde Facebook een omzetstijging van bijna de helft, goed voor 79 procent meer winst. Amazon-oprichter Jeff Bezos is plots de rijkste man op aarde, nu de omzet van zijn online winkel met 34 procent toenam. Vergeet olie en let op data, is inmiddels het veel gehoorde adagium onder analisten. Microsoft-aandelen bereikten een recordhoogte, Apple blijft het duurste beursbedrijf ter wereld.

De waarde van Silicon Valley is inmiddels zo groot dat Denemarken er een ambassadeur heeft rondlopen om de belangen van het land, dat in waarde kleiner is dan Facebook, te behartigen. Als we de grootste techbedrijven werkelijk als landen zouden beschouwen behoorden ze direct tot de kopgroep op het gebied van inlichtingendiensten. ‘Google ziet wat mensen zoeken, Facebook wat ze delen, Amazon wat ze kopen’, schreef The Economist eerder dit jaar. ‘Ze hebben een “goddelijke blik” op hun eigen markt en de markten daarbuiten.’

Op het oog verschillen de bedrijven, maar ze hebben dezelfde truc tot in de perfectie toegepast. Facebook is voor veel mensen het belangrijkste netwerk voor het vinden, lezen, bekijken en delen van nieuws, maar heeft geen journalisten in dienst. Amazon domineert de uitgeverswereld zonder een kritisch arsenaal van boekredacteuren. Google is onze archivaris geworden zonder zelf informatie toe te voegen aan het gigantische archief. Deze Amerikaanse bedrijven bouwen slechts boekenplanken zonder daar zelf iets op te zetten, dat doen de gebruikers. Wie vervolgens iets wil doen met die schat aan gemeenschappelijke informatie – er iets uit lezen, een prominent plekje innemen of contact met een ander leggen – betaalt de eigenaar. Soms met geld, meestal met data.

Opmerkelijk aan dat verdienmodel is dat het verschillende, op het oog tegengestelde wereldbeelden aan elkaar knoopt. Naar buiten toe stralen de giganten idealisme uit door te beloven creativiteit en gemeenschapszin te ondersteunen, terwijl aan de achterkant klassiek kapitalistische economische opvattingen dominant zijn. Die hybride ideologie draagt sinds 1995 de naam The Californian Ideology, naar het gelijknamige essay van mediatheoretici Richard Barbrook en Andy Cameron: ‘De Californian Ideology combineert sterk marktdenken met hippie-vrijheid en een streven naar ambachtelijkheid.’

Enerzijds gelooft ze zeer sterk dat mensen sociale wezens zijn die juist in collectieven tot wasdom komen, maar traditionele instituties die dit al doen willen ze disrupten. De voorbeelden zijn inmiddels bekend en sleets: Uber, Airbnb en Deliveroo beloven burgers onderling te laten delen maar hebben een piramide gebouwd waarbij het onderaan slecht toeven is. Bij deze deelbedrijven gaat het overigens om concrete en aanwijsbare diensten zoals een taxirit, een slaapplaats of het bezorgen van een maaltijd. Veel onzichtbaarder is de invloed van de ‘Californische ideologie’ op ons denken. ‘Omdat het algoritme zo ongrijpbaar is zijn we er niet sceptisch over, terwijl ze zeer machtig zijn’, zegt Franklin Foer, die als journalist de afgelopen jaren techbedrijven op de voet volgde. ‘Een algoritme dat jou helpt bij het kiezen van sneakers bepaalt de winnaars en verliezers op een markt. Hetzelfde geldt voor media, boeken en zelfs democratie.’

Informatie is invloed en invloed is macht. Dat is nooit anders geweest. Wat wel is veranderd is wie de curators zijn. De grootste verzamelaars van data waren ooit kerken en overheden met Napoleon Bonaparte als aardig voorbeeld in Nederland, hij introduceerde de burgerlijke stand. In de twintigste eeuw kwamen nadrukkelijk media-eigenaren op die zo aan invloed wonnen dat ze al snel de ‘vierde macht’ genoemd werden. Uitgerekend die groep staat nu onder druk. In 2013 verkocht de Amerikaanse aristocratenfamilie Graham na tachtig jaar eigenaarschap The Washington Post aan Amazon-eigenaar Jeff Bezos. ‘Je ziet hier letterlijk een stervende elite die de macht overdraagt aan een nieuwe elite’, zegt Foer. Hij kan erover meepraten. Zijn eigen blad The New Republic werd een jaar eerder verkocht aan de jonge multimiljonair Chris Hughes, die als oud-kamergenoot van Mark Zuckerberg op Harvard aan de wieg van Facebook stond; het maakte hem schatrijk.

Als kersverse eigenaar van het intellectuelenblad van Foer wilde hij zaken veranderen. De nieuwsgierigheid en onafhankelijkheid moesten gewaarborgd worden in een ‘digitaal mediabedrijf’. Behalve een gelikte website en tablet-app kwamen er op de redactie grote schermen te hangen, waarop constant gevolgd wordt hoe stukken presteren, hoe mensen de website vinden en waar potentie zit voor meer. Een datagoeroe adviseert de journalisten over hoe ze kunnen meesurfen op online-golven van aandacht rond evenementen als de Super Bowl. ‘De vijand van creativiteit en het menselijke oordeel’, zegt Foer bitter, zittend in de bibliotheek van het Ambassade Hotel in Amsterdam. Op tafel ligt zijn pas verschenen boek Ontzielde wereld: De existentiële dreiging van Big Tech, waarin hij beschrijft dat wat The New Republic overkwam slechts ‘een hobbeltje is in het streven van Silicon Valley om de journalistiek te verzwelgen’. En de rest van onze denkwereld.

Op zijn nobelste momenten wist The Washington Post de macht op de knieën te dwingen, ook al schurkte ze er zelf dicht tegenaan, zegt Foer, verwijzend naar Katherine Graham, die tijdens de Vietnamoorlog moerasschildpaddensoep at met Henry Kissinger terwijl de krant zijn leugens publiceerde. ‘Binnen de familie Graham gingen verheven idealen van de ene generatie over op de andere.’ Die diep verankerde ethiek en verantwoordelijkheid ontbreken volgens Foer volledig bij de techelite. ‘Toen Zuckerberg werd beschuldigd van fake news rondom de verkiezingen zag je gewoon dat hij het niet begreep, in ieder geval niet de ernst ervan.’ Het verweer ‘wij doen wat de gebruiker wil’ gaat lijnrecht in tegen hoe media-eigenaren waken over kwaliteit.

‘Hier is veel op af te dingen’, werpt Dennis Broeders tegen, hoogleraar technologie en samenleving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en staflid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. ‘De verheven idealen van de journalistiek als waakhond van de democratie zijn een relatief recent fenomeen dat in Nederland pas opkwam na de verzuiling. Daarvoor waren kranten gelieerd aan een politieke beweging en kun je je afvragen hoe kritisch ze waren. De waakhond is nu echter de gouden standaard waaraan de media worden afgemeten.’ Juist tegen openlijk elitaire macht heeft Amazon-oprichter Bezos zich altijd hevig verzet; met zijn online winkel rekent hij nadrukkelijk af met chique uitgevers uit New York en hun verheven ideaal van selectie aan de poort. Bij Amazon mag iedereen zijn of haar boek verkopen, wat de critici er ook van vinden. De massa bepaalt wel wat goed is. ‘Veel van de schrijvers die dit doen hebben mappen vol afwijzingsbrieven van New Yorkse uitgeverijen en werken voor een hongerloontje’, sneert Foer.

‘Google ziet wat mensen zoeken, Facebook wat ze delen, Amazon wat ze kopen’

Dat het zo verwarrend is hoe een techbedrijf zou moeten omgaan met zijn invloed heeft volgens Broeders alles te maken met de onduidelijke positie die ze innemen. ‘Ze zweven tussen verschillende rollen in. Facebook is niet helemaal een mediabedrijf maar ook al lang niet meer alleen een platform.’ Het is ook maar de vraag hoe wenselijk het is als zulke machtige platformen zouden gaan redigeren, vindt hij. ‘Stel dat je je als lgbt-community op Facebook begeeft, dan wil je misschien juist niet dat Zuckerberg daar een mening over heeft. Zodra platformen dat wél krijgen worden ze nog beslissender in hoe wij onze identiteit vormgeven.’

Maar we moeten erkennen dat deze dominante platformen nu ook niet neutraal zijn, zegt Broeders. ‘Google is de zoekmachine van meer dan negentig procent van de Europeanen, maar hoe zij precies de volgorde bepalen van zoekopdrachten weet niemand. We weten wel dat ze in het verleden selectief voorrang verleenden of concurrenten wegdrukten uit zoekresultaten.’

‘Het eten is gratis en iedereen is vrij om te kiezen wat hij of zij wil, maar we moedigen wel gezonde dingen aan door dat meer in het zicht te leggen’, zegt Cindy Penders, woordvoerder van Google Benelux terwijl ze een rondleiding geeft door het kantoor aan de Amsterdamse Zuidas. Ze wijst op de ijskast waarvan de bovenkant transparant is en zicht biedt op flesjes mineraalwater, het matte glas aan de onderkant zorgt ervoor dat de cola en calorierijke fruitsapjes verborgen zijn. ‘Zo ben je toch eerder geneigd om een goede keuze te maken, wat je ziet is toch vaak wat je als eerste neemt.’ Op tafel staan uitnodigende manden met fruit, maar chocoladerepen zijn er ook, die liggen in een afgesloten koektrommel.

Medium gettyimages 868974964
‘De sleutel is het communiceren van het juiste bericht op het moment dat het individu het meest ontvankelijk is’ © Andrew Harrer / Bloomberg via Getty Images

De vraag of dit manipulatie is ontwijkt Penders. Onderzoekers van Google zelf zijn stelliger in een artikel in Harvard Business Review, waarin beschreven wordt hoe Google-kantoren aan de hand van persuasion-strategieën snacken hebben geoptimaliseerd: ‘De sleutel is het communiceren van het juiste bericht op de juiste manier op het juiste moment – wanneer het individu het meest ontvankelijk is.’

Wat in het keukentje van Google op microniveau gebeurt zou je kunnen beschrijven als de core business van het bedrijf. Iets wat Tristan Harris, een voormalige designer van Google Amerika, deze zomer zeer beeldend beschreef in een spraakmakende lezing op een ted-conferentie. ‘Denk je eens in dat je een ruimte binnenloopt, een controlekamer met honderd mensen gebogen over bureaus met kleine wijzerplaatjes, en dat die controlekamer de gedachten en gevoelens bepaalt van een miljard mensen. Dat klinkt als sciencefiction maar het is realiteit. Ik weet dat want ik werkte in die controlekamer’, zei Harris. ‘Zij die het meest betalen hebben toegang en kunnen roepen: “Die groep daar, ik wil deze gedachten inplannen voor ze.” Als je wil kan dat een leugen zijn.’

Inmiddels heeft dat geleid tot excessen waarbij Google Home Speakers rustig complottheorieën opdreunden in woonkamers. Drie weken geleden bleek dat het bedrijf advertentieruimte op belangrijke factcheck-websites verkocht aan producenten van nepnieuws. Ook Facebook struikelt van incident naar incident: een maand geleden bleek dat marketeers met een paar muisklikken hun Facebook-advertenties konden richten op ‘jodenhaters’ en antisemieten. De reacties daarop zijn inmiddels sleets. Net als in de Senaatsverhoren vorige week bezweren woordvoerders dat het om ontspoorde algoritmen gaat, dat ze beter zullen opletten in het vervolg maar vooral ook dat ze neutraal zijn. Iets wat elke keer ongeloofwaardiger wordt.

Zeker omdat de techbedrijven wel degelijk uitgesproken voorkeuren hebben voor wat er op hun kanalen moet verschijnen en daarmee een stempel drukken op de media. ‘Wie een miljoen mensen wil bereiken met een slecht geproduceerde complottheorie heeft het makkelijk. Als je, daarentegen, een goed onderzocht journalistiek stuk wil slijten over een klein stadje zul je het niet redden’, stelt Emily Bell, mediacommentator van The Guardian en mede-auteur van het onderzoeksrapport The Platform Press: How Silicon Valley Reengineered Journalism. Dat beschrijft hoe journalistieke organisaties zich in toenemende mate gedwongen voelen om zich over te leveren aan techbedrijven. Gek is dat niet, in veel westerse landen noemen steeds meer mediagebruikers ‘sociale media’ een belangrijke nieuwsbron, media die daar niet aan meedoen lopen het risico uit het zicht te verdwijnen. ‘Terwijl platformen geen directe inspraak hebben op de journalistieke keuzes van redacties zijn ze wel degelijk van grote invloed’, concludeert het rapport. ‘Uitgevers maken constant micro-aanpassingen in verhalen zodat ze het beter doen op sociale media. Dit grijpt onvermijdelijk in op de presentatie en toon van journalistiek zelf.’

Wie een blik werpt op het online gedrag van Nederlandse kranten en tijdschriften ziet dat: nadat eerder al clickbait-koppen hun intrede hadden gedaan is nu video populair. De reden daarvoor is simpel: bewegend beeld krijgt in de Facebook-newsfeed voorrang op statische tekst. Ondertussen leeft binnen redactiemuren vaak frustratie dat juist een goed geschreven longread waar veel energie in is gestopt soms tussen wal en schip belandt, zonder dat iemand snapt waarom ‘het algoritme’ het heeft laten liggen. De verleiding om de volgende keer voor iets met meer klikgarantie te kiezen is dan groot.

Terwijl aan de contentkant platformen zachtjes sturend zijn claimen ze aan de gebruikerskant steeds agressiever aandacht. Gebruikers moeten zo veel mogelijk delen. Dat past mooi in het narratief van een hechte community waar Sheryl Sandberg, coo van Facebook, misschien wel een betere belichaming van is dan Mark Zuckerberg. Uit een intiem portret dat Bloomberg over haar schreef doemt het beeld op van een zachte zakenvrouw die op haast religieuze manier gelooft in twee zaken: data en schaamteloze transparantie. Ze deelt vrijwel alles en moedigt andere gebruikers aan hetzelfde te doen. Over huilen op het werk, het verlies van haar man en alle andere gedachten die haar negatief beïnvloeden schrijft ze vele status-updates. Dat werkt helend voor haar en is in ieder geval goed voor het bedrijfsmodel, dat zich richt op het verzamelen van zo veel mogelijk data.

‘We moeten niet uit het oog verliezen dat de techelite een heel duidelijke verantwoordelijkheid heeft: naar haar aandeelhouders toe’, zegt Broeders. ‘Of ze nou leuke slogans hebben of niet, allemaal prachtig en leuk, maar dat is niet waar hun verantwoordelijkheid ligt, daar moeten we ook niet verbaasd over zijn.’

‘We kunnen niet aan de techbedrijven vragen zichzelf te reguleren. De bestuurlijke elite moet dat doen’

Uiteindelijk wil je tevreden klanten, zegt Penders van Google Benelux. ‘Bij ons zijn dat gebruikers én adverteerders. Aan bedrijven verkopen wij aandacht voor hun producten terwijl we gebruikers een zo goed mogelijke ervaring bieden.’ Dat dit tegengestelde belangen zijn bestrijdt ze. ‘Toegespitste reclame kan heel fijn zijn, wat moet je met sportschoenen als je niet van sporten houdt? Uiteindelijk is het aan de gebruikers om te kiezen of ze dat wel willen, je kunt het gewoon uitzetten. Net als dat je je locatie niet moet delen met ons, dat is een keuze.’ Dat gebruikers dit vaak niet weten trekt Google zich aan, zegt ze: ‘We hebben begin dit jaar paginagrote advertenties in kranten gezet om mensen hierop te wijzen en zijn met een caravan door Nederland gereden om over privacy te vertellen.’ Wie op de bijbehorende privacy-website het delen van gegevens wil uitzetten wordt op het hart gedrukt dat producten beter werken als je informatie blijft delen. Onder het eufemistische kopje ‘Maak advertenties relevanter voor u’ kun je er uiteindelijk voor kiezen dat niet te doen.

‘Techbedrijven laten zich er graag op voorstaan exact dat te bieden waar de massa om vraagt’, zegt Franklin Foer. ‘Er is de constante illusie van persoonlijke keuze, maar alles wordt bepaald door een algoritme dat in de praktijk niet meer dan een feedbackloop is: dat je alles krijgt wat je wil zolang je maar blijft klikken.’ Dat is uiteindelijk het belangrijkste doel: zorgen dat je blijft. De voormalige Google-ontwikkelaar Harris haalt graag in toespraken en essays een wetenschappelijk onderzoek aan naar mensen die soep eten uit een ‘bodemloze kom’. Terwijl de testpersonen zich te goed doen aan de soep wordt die ongemerkt steeds bijgevuld. Met als resultaat dat de proefkonijnen uiteindelijk 73 procent meer calorieën eten dan ze normaal doen. Techbedrijven hanteren hetzelfde principe volgens Harris: ‘Een newsfeed is expres zo ontworpen dat er altijd een reden is om te blijven scrollen, niet te pauzeren of iets anders te gaan doen.’

Waar vroeger reclame de functie had je aandacht naar een product te trekken is het nu in feite omgekeerd: onze aandacht is zelf het product geworden waarmee uiteindelijk reclame verkocht wordt. Wat die reclame behelst maakt niet uit, maar wie de machinaties van nepnieuws wil begrijpen vindt hier wel het antwoord, stelt filosoof en publicist Evgeny Morozov. ‘Een economie die beheerst wordt door online-advertenties heeft een eigen theorie ontwikkeld ten aanzien van waarheid: waarheid is dat wat de meeste aandacht trekt’, schreef hij na de Amerikaanse verkiezingen. De grote verliezer is het kritisch denkend individu.

Wat daarvoor in de plaats komt, vrezen Morozov, Foer en een groeiende groep academici, is een ideaal van comfort en frictieloosheid dat steeds breder wordt omarmd. ‘Steeds meer mensen willen leven in een wereld zonder schuring door beslissingen over te laten aan algoritmen en machines die op basis van data knopen doorhakken’, zegt Foer. Het risico? Behalve het verlies van privacy ook de teloorgang van de interne worsteling en intellectuele uitdaging. Een deel van de kritiek op hoe Facebook reageert op de schandalen rond nepnieuws richt zich hierop. ‘In plaats van zijn middelen aan te wenden om ons mediawijzer te maken, zoekt het opnieuw de oplossing in algoritmen die de betrouwbaarheid van content gaan bepalen’, schreven bezorgde technologieprofessoren in The Guardian nadat het bedrijf had aangekondigd nepnieuws aan te pakken. ‘Wat Facebook doet is het verder outsourcen van kritisch beoordelingsvermogen.’

Uiteindelijk ziet Franklin Foer hier ook de aard van het conflict met zijn oude baas Chris Hughes. ‘Hij was oprecht geïnteresseerd in ons blad en de onderwerpen waar wij ons mee bezighielden. In zijn hippe appartement lagen stapels van The New York Review of Books. Op loze momenten las hij altijd Balzac en tijdens zijn huwelijksreis ging Oorlog en vrede mee. Wat zich uiteindelijk wreekte was niet een verschil in interesse maar een andere visie op wat succes is.’ Foer en zijn redacteuren zijn romantisch en moralistisch in hun zoektocht naar waarheid, zo zegt hij zelf. Hughes gelooft daarentegen in harde wiskunde, meetbare resultaten en cijfermatige rationaliteit: dat de uitkomst van een algoritme uiteindelijk naar het beste antwoord leidt.

Radicale rationaliteit versus romantische waarheidsvinding en subjectivisme klinkt als een karikatuur, maar Foer is niet de eerste die deze tegenstelling opwerpt. Als individuele hartenwensen niet meer leidend zijn maar slechts brandstof voor een alwetend algoritme, wat is dan de mens nog? Die zorgwekkende vraag werpt de Israëlische historicus Yuval Noah Harari op in onder meer zijn essay Big Data, Google and the End of Free Will, waarin hij betoogt dat humanisme, het geloof dat eigen gevoelens en verlangens de ultieme bron van betekenis zijn, wordt bedreigd: ‘Het idee van de vrije wil ligt onder vuur.’

Terwijl steeds meer wetenschappers zich afvragen of de vrije wil wel bestaat, wordt het geloof in data en algoritmen als leveranciers van universele waarheden steeds sterker. ‘Hoewel humanisten het fout hadden met hun geloof in een soort mysterieuze vrije wil was het in de praktijk zeer nuttig’, zo schrijft Harari. ‘Als je moest kiezen tussen luisteren naar de bijbel of je hart was het tweede altijd beter. De bijbel was een representatie van opinies en vooroordelen van een paar priesters in Jeruzalem. Je gevoel is de wijsheid van miljoenen jaren van evolutie die alle stadia van natuurlijke selectie zijn gepasseerd.’ Waarmee de historicus maar wil zeggen dat luisteren naar gevoel juist rationeel is.

Veel ingewikkelder voor de ‘vrije wil’ is zich verweren tegen de opkomst van nog rationelere alternatieven dan de mens: algoritmen. Deze vervanger van het humanisme heeft inmiddels ook een naam: dataïsme, om maar te onderstrepen dat we te maken hebben met een ideologie. Dat techbedrijven nauwelijks verantwoordelijkheid voelen voor wat hun gebruikers krijgen voorgeschoteld vindt hier wellicht een verklaring: ze zijn niet immoreel maar amoreel in hun ongeremde optimisme over technologie. Als voorbeeld noemt Harari de e-reader van Amazon, die constant data verzamelt over het leesgedrag van gebruikers. Elke pauze, overgeslagen bladzijde of weggelegd boek wordt geregistreerd. Wat nog mist is een gezichtsscanner en sensoren. ‘Dan zou Amazon erachter kunnen komen welke zinnen je hartslag beïnvloeden, wanneer je moet lachen, treurig wordt of boos. Het duurt niet lang voor boeken jou lezen terwijl jij hen leest.’ Je hoeft geen fantast te zijn om te geloven dat het met dit soort informatie niet lang duurt voor Amazon jouw boekensmaak beter kent dan jijzelf. Een slecht boek tegenkomen dat je uitdaagt kritisch te zijn, of contact met iets waar je het niet mee eens bent wordt dan zeldzaam.

Het werkelijke probleem, verzucht Foer, is uiteindelijk niet wat een goed of slecht boek is of hoe ze dat bepalen, maar de dominantie van degene die het bepaalt. ‘Als er meerdere zoekmachines en meerdere sociale netwerken worden gebruikt, heb je een veel gezondere elite die zichzelf in evenwicht houdt, zichzelf corrigeert en niet anderen overschaduwt.’ De schrijver die zelf een duidelijke representant is van die overschaduwde elite spreekt graag over poortwachters: ‘De oude elite zorgde voor verschillende poorten. Als een uitgever je boek niet wilde uitgeven probeerde je het bij een ander. Nu stevenen we af op slechts één poort waar iedereen doorheen mag lopen zolang je je maar onderwerpt aan de regels en overtuigingen van bijvoorbeeld Amazon. Wie dat niet wil is screwed. Zo ontwikkelen ze een kennismonopolie.’

Verwachten dat zij dat monopolie zelf gaan afbreken is naïef, volgens Broeders: ‘We kunnen niet aan de techbedrijven vragen zichzelf te reguleren. Dat moeten wij doen door tegenmacht te ontwikkelen. Of concreter: de bestuurlijke elite moet dat doen.’ Het heeft even geduurd maar dat besef is er nu wel. Zag Broeders jaren geleden nog een ‘halleluja’-houding ten aanzien van techbedrijven en later een ‘calimero-houding’, nu ziet hij dat overheden steeds vaker optreden. Google betaalde deze zomer een recordboete aan de Europese Unie vanwege machtsmisbruik; het had op een oneigenlijke manier concurrentie gefrustreerd en innovatie afgeremd.

De Duitse regering trekt steeds vaker een rode lijn als het gaat om privacy van haar burgers. ‘In de voorwaarden van Facebook staat dat foto’s van gebruikers op het platform mogen worden gebruikt voor marketingdoeleinden. Behalve in Duitsland. Daar hebben ze gewoon nein gezegd en dat staat dus ook zwart-op-wit in de voorwaarden. Het kan dus wel’, zegt Broeders. In de glazen toren van Google aan de Amsterdamse Zuidas knikken Penders en een collega instemmend. ‘Goed hoor, dat ze privacy serieus nemen. Maar besef wel welke verantwoordelijkheid dit schept. Per minuut worden er vierhonderd minuten aan videomateriaal geüpload, moeten wij dat allemaal gaan controleren?’

In de Verenigde Staten besloot Feinstein de Senaatsverhoren met een vermanende waarschuwing: ‘Wij gaan niet zomaar weg, heren. Dit is een big deal. Gisteravond ging ik diep teleurgesteld naar huis. Ik stelde jullie specifieke vragen maar kreeg vage antwoorden.’