Dopingautoriteit

Waarheidszoekers: Herman Ram

In ons kerstnummer over waarheid en leugen laten we verschillende ‘waarheidszoekers’ aan het woord. Hoe weten ze waar de waarheid eindigt en de leugen begint? Vandaag Herman Ram, dopingautoriteit.

Medium rc20131211 herman ram 01

‘Eind jaren tachtig is in Nederland de eerste anti-dopingorganisatie opgericht. Die hield zich vooral bezig met preventie van doping via voorlichting. Er was toen nog geen sprake van een landelijk controleprogramma. Dat kwam pas in de loop van de jaren negentig. Het heeft zo lang op zich laten wachten omdat we in Nederland altijd dachten dat we geen dopingprobleem kennen. Onze jongens en meisjes doen dat soort dingen niet. Totdat ook hier dopingzaken aan het licht kwamen.

Ik ben sinds 2006 directeur van de Dopingautoriteit. Daarnaast ben ik ook jurist, ik schrijf mee aan de rapporten die wij aan tuchtcommissies overhandigen. We doen dopingcontroles bij 56 sportbonden, maar we volgen niet iedere bond even intensief. Bij sporten als dammen, jeu de boules en midgetgolf voeren we alleen controles uit als daar aanleiding voor is. De meest intensieve controles voeren we uit bij twaalf sporten waar het risico van doping het hoogst is. Dat is onder andere wielrennen, maar ook krachtsporten als gewichtheffen en bankdrukken.

We voeren 2400 dopingcontroles per jaar uit. Wij verzamelen de urinestalen maar onderzoeken die niet zelf. Die sturen we naar specialistische laboratoria in België en Duitsland. Van de 2400 stalen worden er gemiddeld dertig per jaar positief getest. Daarnaast hebben we zo’n honderd analyseresultaten waarbij wel sprake is van afwijkingen, maar waarbij dopinggebruik niet direct te bewijzen is. Bij die twijfelgevallen moeten we uitzoeken of de sporter de verboden stof per ongeluk heeft binnengekregen via voedingssupplementen of vervuild voedsel. Het kan ook om een lichaamseigen stof gaan waarvan niet meteen duidelijk is of die is toegediend of zelf is aangemaakt. Denk bijvoorbeeld aan testosteron. Om uit te zoeken of het in zo’n geval om doping gaat, kunnen we de desbetreffende sporter lange tijd volgen om patronen vast te stellen. Als zijn/haar testosteron stabiel blijft, dan zal de conclusie zijn dat het lichaamseigen is; zijn er fluctuaties, dan kan de conclusie zijn dat er iets anders aan de hand is.

‘We krijgen het bewijs vaak niet rond’

Onze recherchetechnieken worden steeds beter. De onderzoeksmethoden blijven in ontwikkeling. Dat geldt ook voor de onderzoeksapparatuur. At random controle van sporters gebeurt steeds minder vaak. We baseren ons meer op risico-analyses, het biomedisch paspoort, where-abouts-informatie, enzovoort. Daarnaast is er een steeds nauwere samenwerking met de farmaceutische industrie. Hierdoor kunnen we in een veel vroeger stadium anticiperen op ontwikkelingen in doping. Soms worden er nieuwe producten op de dopingmarkt geïntroduceerd die voor ons direct al op te sporen zijn.

We doen aan waarheidsvinding en houden daarbij altijd een ethisch doel voor ogen. We zijn er namelijk voor de sporter die geen doping gebruikt. Die staat bij ons centraal. Die heeft het recht op deelname aan een eerlijke competitie. Hij dient gevrijwaard te worden van tegenstanders die wel doping gebruiken.

Ik heb geen enkel probleem met dopinggebruikers. Ik spreek bijna alle sporters die in een procedure zijn betrokken. Ik heb begrip voor de keuzes die ze maken. Ik keur het niet goed, maar als je het in de context bekijkt, zie je dat er een logica in hun handelen zit. Net als iedereen worden ze door hun omgeving bepaald. Sommige sporters zitten in een dopingcultuur. Dat leidt automatisch tot een beïnvloeding van hun keuzes. Daarnaast zijn topsporters gewoon een a-typische groep mensen. Ze zijn altijd bezig met het opzoeken van hun grenzen. Daar kunnen ze monomaan in zijn en dan is het niet onbegrijpelijk dat die grenzen worden overschreden. De bekendste dopinggebruiker van het moment, Lance Armstrong, staat niet voor de gemiddelde dopingzondaar. Hij is extreem rijk geworden en kon zich daardoor veel permitteren. Hij misbruikte mensen die minder gefortuneerd waren.

We zitten er zelden naast wat betreft onze bevindingen. Wat ons wel geregeld overkomt is dat we de bewijsvoering niet helemaal rond krijgen. Dan gaat de sporter vrijuit. Dat hebben we liever dan dat een sporter ten onrechte wordt veroordeeld. Dat is het ergste wat er kan gebeuren. Er is een aantal sporters waarvan ik denk: die zit fout. Maar ik krijg hun gevallen net niet over de bewijsdrempel heen. Dat gebeurt bijna dagelijks. Maar we kunnen niet anders. In de waarheidsvinding en strafbepaling is het essentieel dat je bewijsvoering helemaal klopt.’