Simone de Beauvoir

Waarom ben je begonnen je oud te voelen?

Verwarring, radeloosheid en wanhoop, dat is volgens Simone de Beauvoir wat de ouder wordende vrouw ten deelt valt. Of is er voor haar ‘verminkte’ zelf toch een perspectief op loutering?

Medium marja1

De gruwelijkste pagina’s in De tweede sekse reserveert Simone de Beauvoir voor het lot van de ouder wordende vrouw. ‘Zij is nog jong als ze haar erotische aantrekkingskracht verliest en haar vruchtbaarheid waaruit zij, in de ogen van de maatschappij en in haar eigen ogen, de rechtvaardiging van haar bestaan en haar kansen op geluk putte’, schrijft ze. ‘Van iedere toekomst beroofd heeft zij nog ongeveer de helft van haar volwassen leven te leven.’

Het is moeilijk om als je De tweede sekse openslaat op het hoofdstuk ‘Van rijpheid tot ouderdom’ niet onmiddellijk weer in de ban te raken van haar genadeloze redeneertrant. Als een Michel Houellebecq avant la lettre zegt ze in feite tegen de helft van de bevolking: vul je zakken met stenen en loop naar de dichtstbijzijnde rivier. Tegelijkertijd is het dit precies waaraan haar studie haar kracht ontleent: de radicaliteit waarmee ze lot en situatie van de vrouw verbindt met haar lichamelijke functies.

Ik las De tweede sekse voor het eerst toen ik achttien was, en raakte niet eerder zo doordrongen van de gigantische zuigkracht van een driftig wenkende baarmoeder. In je twintiger jaren moet je je daartoe zien te verhouden; geef je gevolg aan de wetten der natuur dan ben je in je dertiger jaren verstrikt in de strijd tussen autonomie en moederschap; in je veertiger jaren moet je de tirannieke toewijding aan je kroost te boven zien te komen om in je vijftiger jaren definitief en akelig langzaam het licht te zien doven.

Afhankelijk van de vrouw die je was, meer of minder narcistisch, meer of minder opofferend, komt die laatste klap harder aan, aldus De Beauvoir. We kunnen haar op kilometers afstand herkennen, deze vrouw van zekere, ‘gevaarlijke’, leeftijd, ten prooi als ze is aan verwarring, radeloosheid, wanhoop. Ze wentelt zich in zelfbeklag en onbegrepenheid, ze neemt minnaars en begint met pianospelen, ze draagt korte rokken en lacht schel en schaterend, ze houdt een dagboek bij en blijft maar doorzaniken over zogenaamd betekenisvolle voorvallen uit haar kinderjaren, ze laat zich gaan in dromerige en passieve landerigheid, ze zegt zich nooit jonger te hebben gevoeld, ze leert skiën en ze gaat op Italiaans, begint als een gek te masturberen, wordt lesbisch, verlangt ernaar prostituee te worden, of juist het bruidje van Jezus.

Geen oprisping, geen sprankje levenslust wordt door De Beauvoir over het hoofd gezien. Alles meer dan een aardappelzak over je hoofd trekken en in bed gaan liggen schaart zij onder de noemer: laatste stuiptrekkingen. ‘Daar voor de spiegel zit een vrouw die sinds gisteren weer een dag ouder is geworden.’ En zijn alle nooduitgangen dichtgespijkerd, dan is daar met een beetje geluk nog de zoon als rechtvaardiging van haar bestaan, wiens vrouw, oftewel de schoondochter, dan alleen wel weer uit de weg geruimd moet zien te worden.

Het is natuurlijk allemaal waar wat De Beauvoir schrijft, op een heel elementaire manier, en dus ook overtrokken. Dat ze dit 65 jaar geleden schreef – ze was zelf net de veertig gepasseerd – en het had over de parasitaire vrouw, oftewel de niet-buitenshuis-werkende vrouw, doet er au fond niet aan af, maar is wel een relativerend feit. Veel ongeluk zou in haar visie geblust kunnen worden als de vrouw meer dan slechts wat ‘omhanden’ zou hebben, zich zou richten op een extern doel, meer mens zou worden.

Het aantrekkelijke van Simone de Beauvoir, zowel van haar filosofische werk als van haar memoires en romans, heb ik altijd de ambiguïteit van haar feminisme gevonden. Ze dweept niet met vrouwen en vrouwelijkheid, eerder het tegenovergestelde. Een vorm van zelfhaat ligt permanent op de loer, die ik associeer met intelligentie en pijn. Die pijn zou teruggevoerd kunnen worden op de relatie met haar vader, door haar vergeefs bewonderd en liefgehad – hij gaf de voorkeur aan zijn andere dochter die niet-intellectueel en wél knap was, en liet niet na de kleine Simone te laten weten dat ze lelijk was – of op haar verbond met Sartre – door haar als het ware genie op een voetstuk gezet. Het is de pijn van de vrouw die niet weet hoe ze zich als intellectueel kan afficheren zonder onaantrekkelijk te worden, en die ziet hoe de mannen die ze bewondert zich net zo makkelijk afgeven met hersenloze bimbo’s. Het maakt haar geworstel met haar uiterlijke verschijning intens voelbaar, of het nu haar haren zijn die ze op zeker moment uit ellende gaat verbergen in een tulband of haar buikje dat ze kwijt hoopt te raken als ze in plaats van met de metro zich te voet verplaatst in Parijs. En ook de moeite met het ouder worden was niet bepaald een theoretische kwestie.

In het laatste deel van haar memoires, De druk der omstandigheden (La force des choses, 1963) komt tussen de regels door telkens de blik in de spiegel terug, een confrontatie met haar ‘verminkte’ zelf. Ongelooflijk, de slotpagina’s van dit boek dat ze schreef toen ze – en nu moet ik me bedwingen om niet te schrijven ‘nog maar’ – 55 was! Eigenlijk heeft ze het idee dat haar leven nu voorgoed achter haar ligt, het heden is haar ontstolen. Met een schok constateert ze dat die meer dan rijpe vrouw op straat haar leeftijdsgenote is. ‘U doet me aan mijn moeder denken,’ zegt een dertigjarige vrouw tegen haar. Huuu! Ze heeft een nachtmerrie dat ze de vijftig is gepasseerd, en droomt dat ze dertig is. Voordat ze bij bewustzijn komt, gaat er een reusachtig ondier op haar borst zitten: ‘Het is waar! Die nachtmerrie van boven de vijftig zijn is waar!’ Hoe kan dat? schreeuwt ze.

Ze beschrijft zonder enige ironie hoe ze alleen maar voor de spiegel hoeft te gaan staan, en ‘dat ongelooflijke ding dat mijn gezicht moet verbeelden’ onder ogen hoeft te zien, om zichzelf te overtuigen dat de ouderdom haar te pakken heeft gekregen. Voorgoed ligt de tijd achter haar dat ze zich weinig bekommerde om haar uiterlijk omdat het wel voor zichzelf zorgde. ‘Mogelijk zien de mensen die me passeren gewoon een vrouw van vijftig, niet mooi en niet lelijk, zij is zo oud als ze is. Maar ik zie mijn vroeger hoofd, aangetast door een soort pokken waarvan ik niet meer zal genezen.’ Nooit meer een man, nooit meer samenvallen met haar lichaam, nooit meer verlangen.

‘Ik zie mijn vroeger hoofd, aangetast door een soort pokken waarvan ik niet meer zal genezen’

Eerlijk gezegd, als ik nu rustig het slotakkoord van haar memoires lees, en probeer niet mee te gaan in dat verleidelijk fatalistische navelgestaar – ‘Het enige nieuwe en belangrijke dat me kan overkomen is het ongeluk; ofwel zal ik Sartre gestorven zien, of ik sterf vóór hem’ – denk ik dat ze zelf ook wel wist dat ze overdreef. Zij is de vrouw die luidkeels op haar verjaarsfeest tegen wie het maar horen wil verkondigt nu toch echt tot het ouwe taartendom te zijn toegetreden, in de zekere wetenschap dat zij die oude taart gewoon niet ís. Haar sekse is De Beauvoir nooit ontstegen, maar haar leeftijd wel. Maar misschien – ik sluit het niet uit – lijd ik aan blinde liefde. Ik denk aan De Beauvoir zoals haar leerlingen haar omschreven toen ze les ging geven in Marseille: ‘Ze kwam naar school in een lila zijden blouse en een plissérok, haar zwarte, luchtig met kammen opgestoken haar contrasteerde met haar lichte, doorschijnende, met blauwe oogschaduw opgemaakte ogen. Wij hadden jarenlang les gehad van stijve vrouwen van onbestemde leeftijd met een knoet. Juffrouw De Beauvoir was in onze ogen ongelooflijk glamoureus.’

En wat een grap. Rond dezelfde tijd dat ze toch haar eigen schrikbeeld lijkt te moeten worden, namelijk de vrouw die haar leeftijd definitief in dulle sereniteit aanvaardt, schrijft ze een even opzwepend als compleet (en onverminderd actueel) manifest over de kwalijke omgang van een zogenaamd beschaafde maatschappij met haar oudere ingezetenen (La Vieillesse, 1970), én verovert ze een 29-jarige met wie ze tot haar verwondering en genot opnieuw haar leven leeft. Ze is dan ook pas 62.

Die 29-jarige uitverkorene – zie op pagina 62 het interview met Sylvie Le Bon De Beauvoir – zorgde vorig jaar voor een verrassing door uit de door haar beheerde nalatenschap een schat prijs te geven, een niet eerder gepubliceerde roman. Misverstand in Moskou schreef De Beauvoir in 1966, 58 was ze. Het is een novelle die oorspronkelijk bedoeld was opgenomen te worden in de bundeling De gebroken vrouw (1967, in het Nederlands verschenen in 1981), maar die losstaand wel eens een heel nieuw lezerspubliek tegemoet zal kunnen gaan. Hij verdient dat in ieder geval. Misverstand in Moskou is een prachtig specimen van zelfonderzoek, waarin De Beauvoir het ouder worden als fenomeen speelser, en veelkantiger, onder ogen durfde te komen, met waarlijk diepzinnig resultaat.

Een ouder stel, Nicole en André, begin zestig, is op weg naar Moskou waar de volwassen dochter van de man uit een eerder huwelijk op hen wacht. Masja heeft daar haar leven met een Russische man. De hereniging brengt gemengde reacties teweeg, André betrapt zichzelf op teleurstelling als hij ziet hoe het socialistische ideaal dreigt uit te pakken in wat toch een heilstaat had moeten worden, Nicole ziet in Masja de jonge vrouw die zij ook ooit was. Op alle fronten grijnst het ouder worden Nicole aan. Ze voelt zich als oud bejegend door Masja die aanbiedt haar bagage te dragen. Aan haar kleding beleeft ze geen lol meer, het zijn gewone, onpersoonlijke dingen geworden. ‘De intieme, bijna tedere relatie die ze vroeger met haar kleren had, bestond niet meer.’ Ze ziet Masja naar zichzelf lachen in de spiegel, en denkt: o ja, dat heb ik ook ooit gedaan. In plaats daarvan vindt ze zichzelf iedere dag terug op de weegschaal.

Subtiel toont De Beauvoir hoe André en Nicole allebei ongelukkig worden, zonder dat ze dat met elkaar delen. Omdat er niets wordt uitgesproken, maar wel steeds meer naar de wodka wordt gegrepen, lopen de irritaties en emoties op. Vooral de pijn over het ouder worden, van zowel hem als van haar, wordt haarscherp beschreven.

Nicole: ‘Ze was opgehouden met haar lichaam samen te vallen: ze zat voortaan in een vreemde huid, een treurig makende vermomming.’

André: ‘Even dacht hij: het is een droom, dadelijk word ik wakker, krijg ik mijn lichaam terug en ben ik twintig.’

Met afgrijzen kijkt Nicole, de lerares die het zelf nog amper kan geloven dat ze met pensioen is, naar het nieuwe type vrouw dat ze in Parijs overal om zich heen op haar hakken voort ziet snellen. Zogenaamde supervrouwen, met vage beroepen, goedgekleed, sportief, in de weer met huishouden en kinderen. ‘Ze willen zichzelf bewijzen dat ze in staat zijn op elk niveau succesvol te zijn. Maar eigenlijk zijn ze met te veel zaken tegelijk bezig en komt er niets uit. Dat soort jonge vrouwen doet het bloed in mijn aderen stollen.’

De Beauvoir laat zich in deze roman op haar hatelijkst en menselijkst zien. Anders dan in De gebroken vrouw lijkt er een perspectief op loutering te zijn, verzoening zo je wilt. Het gesprek tussen André en Nicole wordt weer opengebroken, en André stelt haar de meest wezenlijke vraag die er te stellen valt: ‘Waarom ben je begonnen je oud te voelen?’


Misverstand in Moskou Uit het Frans vertaald door Jan Versteeg. De Geus 2014, 88 blz., € 14,95


Beeld: Parijs,1971. Simone de Beauvoir heeft dan net een opzwepend manifest geschreven over de kwalijke omgang van de samenleving met haar oudere ingezetenen (Georges Bendrihem / afp / anp).