Waarom blijf je toch dochter

Al sinds mensenheugenis pogen dichters, vertellers en denkers de essentie van kosmos en bestaan in metaforen te vangen, waarbij het niet verwonderlijk is dat ze beelden ontlenen aan patronen die in de natuur worden waargenomen.

In waterrijke gebieden ziet men de tijd als een stromende rivier, wordt de afwisseling tussen goede en slechte perioden vergeleken met de getijden, associeert men een overmaat aan emoties met stormvloeden en economische paniek met een dijkdoorbraak. We kunnen weliswaar zwemmen, maar zonder land redden we het niet. En de oceaan mag dan een onuitputtelijk reservoir van vis lijken, intussen is het ook de ultieme stortplaats geworden. Nog een paar eeuwen, en halve continenten staan weer onder water. Maar misschien horen we daar thuis, uiteindelijk, we bestaan zelf immers voor zeventig procent uit water.

In De blanke gave, de derde bundel van Ellen Deckwitz (1982), fungeren de verschillende verschijningsvormen van het water als onderstroom voor gedichten die, in al hun diversiteit, het verhaal vertellen van een mensenleven. Er komen uiteenlopende stemmen aan het woord, maar hun samenzang becommentarieert de ontwikkelingsgang van moederschoot tot sterfbed, waarbij de verstandhouding tussen een vader en een dochter niet zozeer centraal staat, als wel een kader schept voor het spreken over de kringloop van de existentie.

Deckwitz zet hoog in, onder meer door verbanden aan te brengen met de geschiedenis van ons land, bio-industrie en ecologische rampen, Europese politiek en christelijke mythologie. Enkele malen wordt gerefereerd aan Noach. Zijn ark verschijnt in de gedaante van een vrachtwagen vol kalveren op weg naar het slachthuis: ‘Af en toe loeit er eentje zacht. Zij weten niet/ dat ze weggaan. Zij moeten zich veiliger voelen// dan ik.’ In het gedicht dat daarop volgt, Tweede waterpsalm, krijgt de regenboog, het teken waarmee God zijn verbond met de mensheid bevestigde, een zeer navrante betekenis. ‘Een heel continent propten we/ in een container’, zo opent de onderkoelde beschouwing over Afrikaanse bootvluchtelingen. ‘Daar dobbert al een tweede/ schip met trosjes reddingsboten.’ Misschien is er hoop:

Onder ons verspreidt de olievlek zich

loom als een belofte. Een donkere plas,

kronkelend. Vol krioelende regenbogen.

We zijn hulpeloos, wreed, dom en taai, zelfs onder de meest onwaarschijnlijke omstandigheden weten we lichtpuntjes te ontwaren en proberen we er het beste van te maken, vaak tegen beter weten in. Daarbij zijn we, of we het willen of niet, grondig geconditioneerd door familiebanden. Een van de meest onthutsende gedichten gaat over moeders, die iedere zondagochtend de rotsen beklimmen om naar het luiden van kerkklokken te luisteren: ‘Met ducttape waren/ wij op hun ruggen geplakt. We voelden hun hartslag door het/ schouderblad. We hoorden de kruidenbitter in hun borst.’ De symbiose tussen moeder en kind is een allesbehalve idyllische aangelegenheid. ‘Lief gewas’, zeggen de moeders, zie ‘hoe aarde de wortels als/ rietjes gebruikt om alles leeg te zuigen’. Waarop de kinderen de ‘lieve aarde’ erop wijzen ‘hoe gewas je drooglegt/ om groener over te komen’. In een dergelijke situatie lijkt het vrijwel onmogelijk de moeder los te laten. Het ‘van mensen afraken’ kan zo gezien worden als een ‘ware gave’, ‘soms zingen we er in bed nog zachtjes over’.

Ook de verstandhouding met de vader kan ongezonde vormen aannemen. Verscheen de vader eerst als Noach, verderop in de bundel is hij de Herodes wiens dochter Salomé als een bezetene danst om zijn aandacht vast te houden, hetgeen bezegeld zou moeten worden met het hoofd van Johannes de Doper op een zilveren dienblad. ‘Ik heb’, zegt ze, ‘voor je gedanst/ tot elke wervel/ versleten en iedere vezel/ vergeven was.’ Maar de vader voelt zich terecht ongemakkelijk bij al die toewijding:

Je zou vragen waarom blijf je voor me

dansen. Waarom blijf je toch dochter.

En dan zou ik zeggen dat ik het

godverdomme volhield.

Eerdere bundels van Deckwitz hadden nog iets ongerichts, al getuigden ze van een jaloersmakende drive en inventiviteit. De blanke gave is trefzeker, geestig, hier en daar overrompelend, en bovendien doortrokken van een tegelijkertijd weemoedige en strijdbare compassie met een wereld waarin we het maar moeten zien te rooien. De woordkeus is verrassend, het klankspel subtiel, de regelafbrekingen zijn effectief en de beelden scherp.

Een wonder van laconieke overlevingsdrift is bijvoorbeeld een gedicht waarin de ik zich voorstelt dat zij geen mensenkind zal baren, maar een visje, dat, anders dan gewone jongens en meisjes, alvast is toegerust op een aarde die onder water zal komen te staan. ‘Het zou een prachtig/ staartje krijgen.’ Hoe vertederd ze bij voorbaat ook is, de moeder weet dat het afscheid in de constellatie zit ingebakken: ‘Op een dag zou het stilletjes wegzwemmen,/ ik zou het niet merken zoals bij de anderen// die minder intact, vatbaar waren.’ Op de keukentafel ligt de atlas, ‘alvast atlantisblauw gekrast’. Misschien komt het door de nuchtere toon of de praktische inslag van het gedicht, in elk geval ontroert het mij in hoge mate.

Op de laatste pagina waakt de dochter bij de stervende vader, die haar op de valreep uitlegt waarom bijlen dezelfde vorm hebben als sleutels. Wil je toegang krijgen tot wat verborgen is, dan moet je soms geweld gebruiken. Omgekeerd vormt pijn vaak een poort naar inzicht. Ellen Deckwitz laat zien hoe dat komt.


dagje circus

Wat gilde je toen het licht uitging
en het grommen begon.

We wezen naar de gaatjes in het tentdoek,
dat het net lichtpunten waren

en hoe achter de schermen
de beesten veilig opgesloten zaten.

’s Avonds keek je omhoog
en veranderden de sterren in gaten.

Je dommelde in, melig
om dat donker, die kooien erachter.


Medium ellen deckwitz

Ellen Deckwitz, De blanke gave. Atlas Contact, 64 blz., € 15,-