Erfbelasting

Waarom blijft de sterftaks buiten schot?

Waarom zou je een loon zwaar belasten waar hard voor is gewerkt, en een erfenis die je aan komt waaien niet? Zijn we dat de samenleving niet juist verschuldigd? ‘Als je Nederlanders op de kast wil jagen, moet je aan de erfenis komen.’

‘Het familiebedrijf verkopen is vloeken in de kerk. Ik wil een mooi bedrijf opbouwen dat binnen de familie blijft.’ John Fentener van Vlissingen is na het overlijden van zijn broers Paul en Frits in 2006 de pater familias van de vermogende familie. De talrijke kunstwerken in zijn statige villa verraden Fentener van Vlissingens liefde voor kunst en Amerika; in de lobby hangt de Amerikaanse kaart vormgegeven door lokale nummerborden, op de eerste verdieping hangt een groot schilderij van paarden in een wei, geheel naar de smaak van zijn vrouw Marine. In de villa zijn de zeven stichtingen gevestigd die de familie Fentener van Vlissingen rijk is en dit is waar John (80) zijn meeste tijd aan besteedt.

Het familiebedrijf Steenkolen Handels Vereeniging (shv) dateert van vóór Napoleon, toen het handelde in ‘houtjes en kolen’. In de twintigste eeuw nam de steenkolenhandel een hoge vlucht en nu is de shv uitgegroeid tot een breed energiebedrijf met een grote beleggingstak. Zelf richtte John Fentener van Vlissingen in 1975 bcd op, dat is uitgegroeid tot een van de grootste serviceverleners van zakelijk reizen in de wereld.

Vlak voor het gesprek kreeg hij een telefoontje van zijn kleindochter met een vraag voor haar studie: hoeveel dividend mag je uit een onderneming halen? ‘Ik wilde eerst haar redenatie horen. Waarom wil je het? Ze kwam met een perfect antwoord’, vertelt een zichtbaar trotse opa, ‘eerst de behoeften van het bedrijf, dan pas komen de aandeelhouders.’

In overleg met de kinderen en kleinkinderen, heeft Fentener van Vlissingen afspraken gemaakt over hoeveel dividend er uit de familiebedrijven gehaald mag worden. Een vast bedrag hiervan gaat jaarlijks naar de zeven stichtingen. ‘We hebben een bedrijf opgebouwd dat een van de leidende partijen is in zakelijk reizen, maar hopelijk hebben we dat op een fatsoenlijke manier gedaan. Dat vind ik óók een belangrijke erfenis.’

De eerste van de zeven stichtingen is opgericht na het overlijden van oudoom August. Als voorzitter van de Hoge Raad in de jaren dertig, zag hij dat er grote armoede was in Nederland en besloot hij zijn gehele vermogen – hij had geen kinderen – na te laten aan de stichting met het doel armoede te bestrijden. Zo stond de familie aan de basis van de daklozenkrant en de kindertelefoon. ‘Via de stichtingen geven we vaak geld aan eenoudergezinnen in een kansarme situatie’, vertelt Fentener van Vlissingen, ‘dan ontvang je een overzicht van waar deze mensen van rond moeten komen; ik schaam me als ik dat zie.’

Hij is ‘met een zilveren lepel in de mond geboren’, vertelde Fentener van Vlissingen ooit in De wereld draait door, ‘maar dat geeft ook een zekere verantwoordelijkheid’. Zittend op de rode bank in zijn kantoor legt hij uit wat hij hiermee bedoelde: ‘Er is in deze wereld enorme ongelijkheid, en iedereen met een zeker vermogen en geluk heeft de verantwoordelijkheid iets terug te geven aan de maatschappij. Dat kun je in allerlei vormen doen en ik vind dat je vooral degenen moet stimuleren die door allerlei factoren niet datzelfde geluk hebben gekregen.’ Wat terugdoen via een hogere erfbelasting vindt John Fentener van Vlissingen echter geen goed idee: ‘Ik heb niet voldoende vertrouwen dat de overheid daar in de juiste vorm mee omgaat.’

Ninke Kast (92) is voormalig decoratieschilder. ‘Dagelijks ben ik nog bezig met schilderen en projecten en ik ga door tot ik er dood bij neerval’, vertelt ze in een promotiefilmpje van de campagne toegift.nl. Ook na haar dood wil ze de kunsten blijven steunen en daarom laat ze haar erfenis na aan een museum ten gunste van de restauratie van schilderijen. ‘Want delen is iets heel fijns, je mag er zelf best een fijn gevoel aan overhouden. En ik kan voor mezelf zeggen: ik heb mijn best gedaan voor de toekomst van Nederland.’ Verschillende goede doelen hebben zich verenigd in deze campagne om mensen te motiveren een goed doel op te nemen in het testament. De campagne speelt in op het sentiment dat de erfenis meer is dan het doorgeven van geld en huizen aan de kinderen, het gaat om een bredere maatschappelijke nalatenschap aan de volgende generatie. Er valt nog een wereld te winnen, want van alle gevers heeft het overgrote deel geen kinderen.

Toegift.nl benadrukt de positieve kanten van geven met persoonlijke verhalen – het voelt goed en je hebt impact – zonder het geheven vingertje dat je wat verschuldigd bent aan de volgende generatie. Want als je Nederlanders op de kast wil jagen, moet je aan de erfenis komen. De ‘sterftaks’ is de meest gehate belasting. Dit bleek uit een onderzoek – een van de weinige die is gedaan naar dit onderwerp – van Plus Magazine in 2009 waarin 25 heffingen naar aversie zijn gerangschikt. De erfbelasting kwam met stip op één en daarom durven ook maar weinig politici hun vingers eraan te branden; je uitspreken voor een verhoging van de erfbelasting garandeert een stroom aan hatelijke berichten. Premier Rutte noemt het consequent de ‘meest onrechtvaardige vorm van belasting heffen’.

In Nederland zien we de erfenis als een puur private aangelegenheid waar de staat ver van moet blijven. Maar Herbert Simon, een Amerikaanse econoom die in 1978 de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie (Nobelprijs) won, argumenteerde op basis van een vergelijking tussen arme en rijkere landen dat negentig procent van alle rijkdom te danken is aan het maatschappelijk ‘sociaal kapitaal’. Hiermee doelt hij op de collectieve erfenis van technologie, wetenschap, infrastructuur, goed werkende overheidsinstituties en andere organisaties die over de generaties is opgebouwd door de samenleving als geheel. Slechts tien procent van de rijkdom is dus te danken aan onze eigen inspanningen.

John Fentener van Vlissingen is met een zilveren lepel in de mond geboren: ‘Ik schaam me als ik zie waar kansarme gezinnen van moeten rondkomen’

‘De morele lading van het erfrecht is dat je dankbaar moet zijn voor wat je krijgt van de vorige generatie’, stelde rechtsfilosofe Dorien Pessers in december 2018 in De Groene Amsterdammer. ‘Zo ontstaat het gevoel van verschuldigd zijn. Je bent het aan de generatie na jou verplicht om wat jij eerder kreeg in goede orde door te geven.’ Zoals het gewoon is netjes om te springen met het familiehuis om het weer door te geven aan een volgende generatie, kun je zeggen dat een vergelijkbare verantwoordelijkheid geldt voor de samenleving en natuur die ons gegeven is door de vorige generaties. En aangezien negentig procent van onze rijkdom te danken is aan deze maatschappelijke erfenis, volgt de ogenschijnlijk logische vraag: komt negentig procent van de private erfenissen dan niet toe aan de samenleving om de collectieve erfenis in stand te houden?

‘Vroeger werd er belasting betaald per raam’, vertelt hoogleraar belastingrecht Inge van Vijfeijken in haar kantoor op de campus van Tilburg University. ‘Er was geen administratiesysteem waarin stond wat iemand verdiende, dus moest je aan de buitenkant zien of er geld was om belasting op te heffen. En rijke mensen hadden grote huizen met veel ramen. Daarnaast betaalde je voor elke bediende die je had.’

De erfbelasting stak voor het eerst de kop op in Nederland in 1598. Het zuiden van het land was in Spaanse handen en er werd in de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een erfbelasting van 2,5 procent ingevoerd om de strijd tegen de Spaanse bezetters te bekostigen. De erfbelasting was uitsluitend bedoeld voor budgettaire redenen en werd in 1637 verhoogd naar vijf procent, om na het sluiten van de Vrede van Münster in 1648 weer terug te gaan naar de 2,5 procent.

‘De doodgravers hadden de taak sterfgevallen bij de belastingdienst te melden zodat erfbelasting geheven kon worden’, legt Van Vijfeijken uit. ‘Dit veranderde toen Napoleon het Burgerlijk Wetboek introduceerde en het volk ging registreren.’ En daar bleef het niet bij, voor de Franse bezetting werd alleen erfbelasting geheven over erfenissen waar geen kinderen in het spel waren, maar volgens de waarden van liberté, égalité en fraternité werd dit gelijkgetrokken voor alle erfenissen. Deze maatregel werd na de bezetting teruggedraaid om opnieuw ingevoerd te worden in 1878, zij het met vrijstellingen en lagere tarieven voor familieleden, zoals tot vandaag de dag het geval is.

Zowel liberalen als vroeg-socialisten pleitten in de negentiende eeuw voor een hogere erfbelasting om het ‘toeval van geboorte’ in te perken en de belofte van gelijke kansen van een moderne burgerlijke samenleving vorm te geven. Een eeuw later, in 1915, werd er uiteindelijk een progressieve erfbelasting – rijkere mensen betalen procentueel meer – ingevoerd. De erfbelasting was niet meer uitsluitend een bron van inkomsten voor de staat, ze ontwikkelde zich tot een sociaal-economisch beleidsmiddel met als doel ongelijkheid te bestrijden.

Maar na een aantal decennia begon dit tij weer te keren: ‘Je ziet vanaf de jaren tachtig een omslag in het denken in veel westerse landen. Ongelijkheid en maatschappelijke problemen worden minder toegeschreven aan maatschappelijke structuren en in hogere mate aan individuele factoren’, zegt Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en een van de schrijvers van het boek Voor wie is de erfenis? ‘Voorheen vond men dat rijkdom te danken was aan waar je wieg stond, nu zien we het steeds meer als eigen verdienste’, legt de Beer uit. ‘Falen en succes zijn geïndividualiseerd en dat vermindert de rechtvaardigheid om als overheid in te grijpen door belasting te heffen.’

De Nobelprijswinnaar Herbert Simon zag dit heel anders. Hij argumenteerde dat het grote verschil in rijkdom tussen arme en welvarendere landen niet te verklaren is door een lagere motivatie om geld te verdienen, maar door het ontbreken van ‘sociaal kapitaal’ dat over de generaties wordt opgebouwd door een samenleving. Ook binnen een samenleving met een grote dosis aan ‘sociaal kapitaal’, bestaat grote ongelijkheid en die komt voort uit een ongelijke verdeling van de eigendomsrechten van het kapitaal.

Simon stelde daarom dat het invoeren van een vlaktaks – een belasting met voor iedereen hetzelfde procentuele tarief – van negentig procent op het inkomen uit loon, moreel gezien te beargumenteren is. Nadat het geld is teruggekeerd naar de rechtmatige eigenaar, de overheid, zo zegt Simon, kan deze vervolgens allerlei overheidsprogramma’s financieren en een basisinkomen teruggeven aan het volk, wat een veelvoud zou zijn van wat de meeste Amerikanen zelf verdienen.

In aanloop naar de hervorming van de Nederlandse erfbelasting in 2010, heeft toenmalig cda-staatssecretaris van Financiën Jan Kees de Jager de rechtsgrond van het Nederlandse belastingsysteem, het gelijkheidsbeginsel – verankerd in de grondwet van 1848 – en het draagkrachtbeginsel, herbevestigd: ‘Als je veel verdient, betaal je ook belasting over je inkomen. Jouw draagkracht laat dat immers toe. En als je vermogen erft, waarvoor je in feite niets hebt hoeven doen, neemt je draagkracht ook toe. Dan is het helemaal niet onredelijk om daarover belasting te betalen.’ Het draagkrachtbeginsel is een afgeleide van het gelijkheidsbeginsel dat de volgende redenatie volgt: het is niet ‘gelijk’ om iemand die dertigduizend euro per jaar verdient evenveel belasting te laten betalen als iemand die honderdduizend euro verdient.

De vermogensongelijkheid is hier veel groter dan het verschil in loonsinkomen. De rijkste twee procent heeft een derde van het vermogen in handen

‘Maar het probleem is dat het draagkrachtbeginsel niet consequent wordt toegepast’, zegt hoogleraar belastingrecht Inge van Vijfeijken. Draagkracht bestaat uit alle inkomsten die je ontvangt, en dus niet alleen je salaris: de winst over je aandelen en auto die je verkoopt, een erfenis, de loterij die je wint én je salaris. Al deze inkomsten bij elkaar bepalen je draagkracht en zouden daarom gelijk moeten worden belast. Maar tot vandaag de dag wordt er aanzienlijk meer geheven op het loon en zijn de heffingen op het inkomen uit kapitaal – waaronder de erfenis – hier een fractie van. En juist de rijkere laag uit de samenleving haalt zijn inkomsten uit de winst over hun kapitaal – aandelen en bedrijven bijvoorbeeld – in plaats van salaris.

De belastingen in Nederland zijn gestaag verlaagd sinds de jaren tachtig, met name voor de rijkere laag van de samenleving. ‘De progressie is voor een groot deel uit ons belastingsysteem gehaald’, zegt Van Vijfeijken. ‘Het hoogste inkomensbelastingtarief is naar beneden gegaan, de vermogensbelasting en het erfbelastingtarief op hogere erfenissen is verlaagd en de faciliteit voor familiebedrijfsovernames is enorm verruimd.’

Voor erfenissen zijn er sinds 2010 maar twee tarieven: onder de 124.727 euro betaal je tien procent belasting als kind van de gestorvene, daarboven twintig procent. Voorheen waren er zeven tarieven die progressief opliepen tot 27 procent. De consequentie is dat er in 2016 227 miljoen euro minder erfbelasting is opgehaald dan in 2007, terwijl de totale som van de erfenissen in 2016 bijna 300 miljoen hoger was.

De looninkomensverschillen in Nederland zijn internationaal gezien aan de lage kant, maar wel degelijk gestegen sinds de jaren negentig: in 1990 waren lonen aan de top ruim dertig keer het minimumloon, in 2013 is deze kloof gegroeid naar 52 keer.

De Nederlandse vermogensongelijkheid is echter veel groter: de rijkste tien procent bezit 61 procent van het totale vermogen in Nederland. De rijkste twee procent heeft één derde van het vermogen in handen.

Een hogere belasting is moreel verantwoord, stelt Simon, omdat de rijkdom die voortkomt uit de collectieve erfenis van sociaal kapitaal, eerlijk verdeeld dient te worden. Maar of je dit wil doen met een vlaktaks op het loon is zeer de vraag. De consequentie zal zijn dat de vermogens buiten schot blijven en daar is de ongelijkheid juist het grootst. Daarnaast zijn economen bang dat hoge belastingen op het salaris zorgen voor negatieve prikkels waardoor men minder uren gaat werken en de productiviteit afneemt.

Om dezelfde reden zijn economen wel voorstander van een hogere belasting op de erfenis; erfbelasting zou minder gedragseffecten genereren en de gedragseffecten die het heeft, zouden puur economisch als positief kunnen worden gezien, zoals minder sparen en meer consumeren. Daarnaast is de erfbelasting uiteindelijk geen belasting van de gestorvene, maar van de levende die een erfenis ontvangt. En waarom zou je een loon zwaar belasten waar hard voor is gewerkt, en een erfenis die je aan komt waaien maar zeer gering?

In het ouderenbuurthuis De Dame in de Utrechtse Schaakbuurt zijn ze druk bezig met de kerstversiering. Staand op een wankele trap hangt Alie slingers aan het plafond, Wil houdt de trap vast en de rest versiert de tafels met minikerstbomen en kerstballen. De Dame is een buurthuis voor en door ouderen, gevestigd op de begane grond van een seniorenflat. Iedereen uit de buurt is welkom, er wordt veel georganiseerd en de gemiddelde leeftijd is erg hoog; vaak boven de tachtig.

Nannie is al jaren vrijwilligster bij De Dame. Ze drinkt een kop koffie aan de versierde kersttafel en laat haar gouden horloge zien. ‘Ik heb het gekregen van mijn moeder, een maand voor haar overlijden. Ik denk dat ze het einde aan voelde komen.’ Zelf weet ze ook al precies wie het horloge krijgt na haar dood. ‘Het horloge gaat naar mijn kleindochter. Als ik overlijd gaat het huis op slot en wordt alles verdeeld zoals ik het in mijn testament heb staan. Ik vind het prettig om het goed geregeld te hebben.’

Ouderen beogen met de erfenis ‘de status van voorouders te bereiken’ zodat hun herinnering levend blijft, schrijft antropoloog Jean-Sébastien Marcoux. De behoefte om na te laten aan de familie is diepgeworteld en zeer emotioneel. Het is de laatste kans om je nagedachtenis vorm te geven en als ouder aan je ‘zorgplicht te voldoen’. Dat is ook de reden dat het erfbelastingsysteem een verschil kent van twintig procent tussen de erfbelasting voor een kind en overige erfgenamen. Het is maar de vraag of je deze band wil ontmantelen met een erfbelasting van negentig procent.

Simons werk helpt de gedeelde maatschappelijke erfenis van het sociale kapitaal op waarde te schatten, en creëert het bewustzijn om het in goede orde weer door te geven aan de volgende generatie. Om dat te bereiken kun je erfbelasting inzetten, maar slechts als onderdeel van een groter belastingstelsel. Want door je blind te starten op alleen de erfbelasting, doe je het draagkrachtbeginsel ook geweld aan.

‘Ik ben weleens uitgenodigd door Bill en Melinda Gates voor een etentje’, vertel John Fentener van Vlissingen, ‘nou ja, met nog zestig andere mensen, en toen hebben ze uitgelegd hoe hun stichting werkt. Ze hebben mij ook gevraagd of ik me wilde committeren aan de belofte om de helft van je vermogen te wijden aan filantropie, maar dat gaat niet voor mij vanwege het familiebedrijf. Dan moet ik het bedrijf verkopen en dat wil ik niet. Je kunt niet twee dingen hebben, is mij altijd geleerd. Ik wil het familiebedrijf doorgeven, en aan filantropie doen wij ook, maar dan veel geleidelijker, en ieder jaar weer. Dat is voor mij de juiste wijze.’