Waarom die brug

Veel Joegoslaven vreesden dat de oorlog van begin jaren negentig zou terugkeren. En het gebeurde. Verbijsterd zagen zij hun land bezwijken onder Navo-bommen. Waar vroeger nauwelijks anti-(westerse gevoelens leefden, overheerst nu de haat. Daar kan een Marshall-plan weinig aan verhelpen.
HET DUURT EEN TIJDJE voordat je eraan gewend bent weer met de oorlog te leven, zoals velen tussen 1991 en 1995 hebben gedaan. Ik bedoel leven met de oorlog. Niet in de oorlog; daaraan ben ik gelukkig ontkomen door Joegoslavië te verlaten tijdens de oorlog in Kroatië. Sindsdien woon ik in Nederland. Vanuit Nederland heb ik gezien hoe de oorlog zich uitbreidde van Kroatië naar Bosnië en Herzegovina. Tot aan de Dayton-overeenkomst heeft de oorlog deel uitgemaakt van mijn werkelijkheid, zij het van enige afstand. Emotioneel werd ik er pijnlijk door getroffen. Ongeloof, woede en wanhoop overheersten.

En toen, eind 1995, werd de oorlog vervangen door een halfbakken vrede die enige hoop wekte, maar ook nog steeds voor woede en wanhoop zorgde vanwege de niet aan de orde gestelde consequenties, het trage herstel, de trage terugkeer van de vluchtelingen en de trage internationale rechtspraak. De verslechterende situatie in Servië, het feit dat de oppositie er niet in slaagde zich tegen de regering te verzetten en de escalatie van het geweld in Kosovo, betekenden een nieuwe aanslag op de emoties. Ik wist - en tal van anderen wisten - dat de oorlog uiteindelijk zou terugkeren naar Kosovo en zou gaan over Kosovo, het gebied waar het proces van de vernietiging van Joegoslavië in 1981 was begonnen. Als je een land in oorlog verlaat, betekent dat meestal dat je haastig vertrekt en veel banden verbreekt, zonder behoorlijk afscheid te nemen van mensen en plaatsen. Maar ondanks mijn plotselinge vertrek zijn veel banden blijven bestaan. Ik ben er nooit in geslaagd echt afstand te scheppen tussen mezelf en de plaatsen en mensen die ik heb achtergelaten. Alles wat er in die paar jaar in mijn vroegere land is gebeurd, heeft mijn nieuwsgierigheid geprikkeld, evenals mijn medeleven, mijn behoefte om alles te volgen, informatie in te winnen, te analyseren en te reageren. Aan de ene kant is er het ruimere inzicht in oorlog en vrede, in botsende nationalismen, in politieke ontwikkelingen, macht en invloed, verschuivende ideologieën. Daarnaast is er de betrokkenheid bij individuele personen, de bezorgdheid om hun welzijn en om het gevaar dat ze lopen, maar ook om hun veranderende standpunten. Na enige tijd moest ik toegeven dat ik veel niet meer kon volgen. Sommige inzichten werden vager, verwarder, sommige ontwikkelingen werden ondoorzichtig, onhelder. Het gevoel dat ik, als iemand die het grootste deel van zijn leven in dat land had gewoond, in het voordeel was, verdween. ‘Hou erover op, zorg dat je van die verslaving afkomt, net als van de sigaretten’, schreeuwde een vriend in Belgrado een paar jaar geleden door de telefoon, waarschijnlijk geërgerd door mijn nieuwsgierigheid. Ik kon mijn verslaving niet laten varen en ik kende niemand onder mijn vele post-Joegoslavische medeballingen die dat wél kon. We bleven de ontwikkelingen met grote aandacht volgen, we wisselden nieuwtjes uit en discussieerden over de interpretatie van hun betekenis, terwijl we verdere vooruitzichten en waarschijnlijke scenario’s definieerden. Het is een verslaving die soms bijna een spelletje wordt waarbij we de min of meer vaste rollen vervullen van sceptici en pessimisten, militanten en gematigden. Het is een onderwerp waarop we steeds terugkomen. NA DE LAATSTE oorlogsfase, ingeluid door de Navo op 24 maart 1999, begint mijn gevoelige zenuw weer te zeuren. De spanning, de irritatie, de bezorgdheid, de pijn en de droefenis zijn allemaal terug. Het gevoel dat de kortstondige rust na Dayton zijn einde naderde was begin 1998 al sterker geworden, toen het stoïcisme van de Kosovo-Albanezen naar het tweede plan was gedrongen door het openlijke optreden van het UCK. Ik wist van Amerikaanse diplomatieke initiatieven die een alomvattende oplossing probeerden te zoeken te midden van elkaar tegensprekende Europese bondgenoten, en dat bevestigde mijn aloude voorspelling dat de nationalistische droom van een Groot-Servië zou uitlopen op een zo klein mogelijk Servië. Niettemin zei ik in oktober 1998 tegen ieder die het horen wilde dat de dreigementen van de Navo om Servië te bombarderen slechts theater waren. Het is een en al bluf, zei ik steeds geruststellend tegen mijn bezorgde vrienden in Belgrado en de deal tussen Holbrooke en Milosevic over terugtrekking van troepen en het sturen van internationale waarnemers naar Kosovo leek te bevestigen dat ik het goed had geraden. Om de een of andere reden heb ik een omschakeling gemist, iets wat achter de schermen is uitgevoerd door Navo-politici en militaire plannenmakers, en in februari, toen ik begreep dat de komende tijd anders zou verlopen, hield ik verder mijn mond. De spanning nam toe: er waren verscheidene onheilspellende voortekenen. Op 24 maart stapte ik in Amsterdam in een vliegtuig en wist dat de eerste bommen en raketten op Belgrado zouden vallen tegen de tijd dat ik Kennedy Airport in New York bereikte. Toen die drempel eenmaal was overschreden, wist ik dat het conflict niet binnen een paar dagen of weken over zou zijn, dat de schade langdurig en zeer groot zou zijn, met allerlei verdere gevolgen. Ik wist ook dat de mogelijkheden om zich uit het moeras te manoeuvreren voor alle betrokkenen waren verminderd. Ze waren verwikkeld geraakt in een oorlog omwille van hun eer, en zoals mijn Nederlandse vriend in een commentaar schreef: wanneer een oorlog omwille van de eer wordt gevoerd, is niets voldoende en kan het einde niet nabij zijn. Ik keek non-stop naar CNN in mijn hotelkamer op de vijfentwintigste verdieping van een hotel op Broadway. Af en toe tuurde ik door het raam naar het drukke nachtelijke verkeer en de lichtende reclames voor musicals in de diepte. Daar hing ik, boven de kaken van een monster, het gevaarlijke monster van de oorlog ver weg op de Balkan, en toch zo dichtbij, daar in New York. Amerika was verwikkeld in zijn eerste echte oorlog sinds de zege in de Golf, en ik zat er toevallig middenin. Toen in het weekeinde daarna de eerste berichten kwamen over enorme colonnes Albanese vluchtelingen die uit Kosovo verjaagd waren en die totaal uitgeput en in shock arriveerden bij de grenzen met Albanië en Macedonië, en gruwelverhalen vertelden, wist ik meteen: dit is niet zomaar een krankzinnige wraakuitbarsting en die exodus is ook niet het gevolg van chaos en paniek, maar het resultaat van een zorgvuldig geplande en heel nauwkeurig georganiseerde zuiveringsoperatie. En die werd met degelijke logistieke ondersteuning uitgevoerd, met aandacht voor alle details: de huizen van de vluchtelingen werden geplunderd, in brand gestoken en vernield, en zij zelf werden beroofd van hun geld, persoonlijke documenten en zelfs van de nummerborden van hun auto’s en tractoren. Die volksverhuizing kan slechts voor een heel klein deel op gang zijn gekomen door de angst van de mensen voor bombardementen en de activiteiten van het UCK in dat gebied. Een paar dagen later was ik terug in Amsterdam. Elke ochtend na het wakker worden zette ik de radio aan om het nieuws te horen over volgende massa’s vluchtelingen die in de geïmproviseerde kampen waren aangekomen, over de schade die was aangericht op militaire en burgerdoelen, over lauwe initiatieven die niet veel meer dan retoriek en publiciteitsstunts waren. De stroom van e-mails op mijn computer, zowel thuis als op mijn werk, nam gestaag toe, en mijn avonden bracht ik door met het verwerken daarvan en met telefoongesprekken met mensen in Novi Sad en Belgrado, om details na te gaan en een signaal van bezorgdheid te geven. Woorden van troost en bemoediging had ik niet. TOEN DE STAATSTELEVISIE in Belgrado, ter plaatse bekend als TV Bastille, werd getroffen, waren de slachtoffers hoofdzakelijk technici van de nachtdienst. De bazen die hun hadden opgedragen aan het werk te blijven, ondanks het duidelijke gevaar, waren niet in de buurt toen de raket insloeg. Ik luisterde naar het nieuws en was niet al te verbaasd. Mijn vermogen tot medeleven werd eerst nog geremd door mijn onaangename herinneringen aan dat oord van macht, aan de strenge staatscontrole en paranoia. Ik heb aan het eind van de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig twee documentaireseries voor TV Belgrado gemaakt en ik herinner me duidelijk de studio’s en de lange gangen die nu in puin zijn veranderd, de drukte van honderden nietsdoende mensen die daar een baantje hadden, de sfeer van verspilling, bureaucratie en opportunisme. Het bombarderen van mediacentra schept een belangrijk precedent. Zelfs de inwoners van Belgrado zijn er anders over gaan denken: de afgelopen jaren hadden ze meermalen gedemonstreerd tegen de door de staat gecontroleerde televisie en eieren geworpen naar de kantoorvleugels, die nu onbeschadigd waren gebleven. Nu, na het bombardement, hadden ze een protestmars gehouden en bloemen bij de puinhopen gelegd. TV Bastille, ooit beschouwd als een bastion van leugens, was een monument van patriottische koppigheid geworden. Misschien zijn kinderherinneringen sterker dan de ervaringen als volwassene; in elk geval schrok ik veel meer toen de eerste brug in Novi Sad vernield werd, om vijf uur ’s(ochtends op de achtste dag van de Navo-oorlog tegen Slobodan Milosevic. Mijn vrouw maakte me wakker, ze had het nieuws net op de radio gehoord. Eerst dacht ik dat het de spoorbrug annex autobaanbrug was van architect Zezelj uit de jaren zestig, maar toen ik ’s(avonds eindelijk telefonisch contact met Novi Sad had kunnen maken, hoorde ik dat het ging om de oude metalen brug die het stadscentrum verbond met Petrovaradin en het oude fort boven de Donau. Waarom die brug? Duitse krijgsgevangenen onder toezicht van technici van het Russische Rode Leger hebben die brug haastig gebouwd tijdens de winter van '44-'45. De spoorlijn was eraan toegevoegd om de verbinding tussen Belgrado, tachtig kilometer naar het zuiden, en de Hongaarse grens te herstellen. In mijn kinderjaren ging bij iedere trein die langskwam de oprit omlaag, en ontstond aan weerszijden verkeersgedrang. Niet dat er destijds zoveel verkeer was. Ik herinner me het ongemakkelijke gevoel dat ik kreeg elke keer dat ik die brug te voet overstak, zelfs overdag: de houten planken van de oprit begonnen los te raken en te rotten en daaronder kon je het water zien. Ik was bang in de leegte te stappen, in de Donau te vallen, zo klein als ik was. In 1961 werd er een nieuwe brug gebouwd, twee kilometer stroomafwaarts, en ook de spoorbaan werd verlegd. De oude brug, waarover je vanaf de kant van Srem kon doordringen tot het centrum van Novi Sad, kreeg een facelift. In de tijd voordat ik een rijbewijs had stak ik hem vaak over bij zonsondergang, op weg naar het fort voor een wandeling, of naar een van de cafés aan de kant van Petrovaradin, met wilde zigeunermuziek - en dan 0 liep ik in de vroege uren terug, genietend van de zonsopgang boven de stad. In de nacht na het bombardement schreef ik een kort In Memoriam voor die brug, en ik voegde eraan toe dat door het bombarde-ment veel Kosovo-Albanezen het niet gemakkelijker zouden krijgen en dat de dappere burgers van Novi Sad hierdoor niet in opstand zouden komen tegen Milosevic. Ik stuurde mijn grafrede op de brug via e-mail naar een paar vrienden. De dagen daarna circuleerde die op Internet. Ik kreeg wisselende reacties van onbekenden en bekenden, onder wie vroegere klasgenoten van de middelbare school die ik sinds lang uit het oog was verloren en die nu weer banden aanknoopten vanuit Israel en Mexico. IN DE VOLGENDE nachten werden de twee resterende bruggen over de Donau geraakt. De inwoners van Novi Sad gebruiken nu boten en schuiten om van de ene Donau-oever naar de andere te komen. Vervolgens, om het nog erger te maken, werd na herhaalde bombardementen op de olieraffinaderij, die de hele stad in stank zetten, ook nog het prachtige witmarmeren gebouw van architect Brasovan uit de jaren twintig getroffen, twee straten verwijderd van de metalen brug waar we in onze middelbare-schooltijd ’s(avonds urenlang op zaten. Het was geen gebouw van politieke machthebbers, het was meer een administratief centrum van de provinciale regering, maar bovenal een architectonisch monument. Wat zal het volgende doelwit zijn, vroeg ik me af: het Servisch Nationaal Theater, de Moderne Galerij van Pavle Beljanski, de voormalige synagoge? Of het fort van Petrovaradin, een zeventiende-eeuws, door de Oostenrijkers gebouwd complex van militaire installaties, waar nu restaurants, musea en ateliers in zitten? Vanaf dat fort, met uitzicht over de rivier, hadden Oostenrijkse militairen Novi Sad in 1848 enkele dagen met zware artillerie bestookt, in een poging de Hongaarse revolutionairen te verdrijven. Novi Sad was in een puinhoop veranderd en in mijn kindertijd waren huizen van voor 1848 in het oudste deel van de stad zeldzaam. Tijdens latere Europese calamiteiten is Novi Sad bezet geweest door diverse legers, maar nooit meer blootgesteld aan militaire verwoesting. Het culturele en economische herstel in de tweede helft van de negentiende eeuw kan men terugvinden in de stedelijke literatuur van Serviërs die onder de Oostenrijks-Hongaarse monarchie leefden. De verwarring van oorlog en vrede en de zonden en excessen van meer recente tijden worden koeltjes beschreven in de romans en verhalen van Tisma, en de machtige rivier beneden het fort wordt bezongen in een lyrische passage in De Donau van Magris. Overigens, de residentie van Milosevic in Belgrado, gebombardeerd omdat ook die als commandocentrum zou dienen, is van 1944 tot aan zijn dood de woning van Tito geweest. Het huis was deel gaan uitmaken van het complex ter herinnering aan Tito, totdat Milosevic en zijn vrouw hadden besloten daar te gaan wonen. Toen een paar nachten later TV Novi Sad in de heuvels van Fruska Gora, met uitzicht over de stad, werd getroffen, waren er geen technici aanwezig - men had de les van Belgrado geleerd. Behalve militaire doelen werden al spoedig overheidsgebouwen van symbolische betekenis. Steunzenders van radio en televisie, bruggen, spoorlijnen en fabrieken, verwarmingsinstallaties en veel gewone huizen werden toegevoegd aan de lijst van wat cynisch 'bijkomstige schade’ werd genoemd. Slachtoffers onder de burgerbevolking vielen in Aleksina, Surdulica en andere steden, in ziekenhuizen en op de markt in Niš. Bussen met vluchtelingen die over een brug reden op het moment dat die beschoten werd, brandden uit. Ten slotte werd in Belgrado de Chinese ambassade getroffen, net toen het erop leek dat de Navo de verantwoordelijkheid voor de oorlog, of misschien de stopzetting daarvan, zou kunnen overdragen aan de Veiligheidsraad van de VN, waar samenwerking van Rusland en China van het grootste belang was. ’S AVONDS, ALS ik erin slaag mijn vrienden uit de kinderjaren, de schooltijd en de tijd daarna te bereiken - met veel van hen praat ik voor het eerst sinds jaren, na 1 gecompliceerde speurtochten naar hun telefoonnummers - wordt me duidelijk hoezeer niet alleen de fysieke maar ook de emotionele plattegrond van Novi Sad, Belgrado en andere steden is veranderd. De emotionele littekens die deze roekeloze interventie achterlaat zijn erger dan de feitelijke verwoesting, en de kans op vrede op de Balkan en in Europa wordt er niet door versterkt. De interventie van de Navo en de keuze van de doelwitten hebben Milosevic’ positie niet verzwakt, maar juist versterkt. Had de Navo in september 1991 maar de vloot van Milosevic in de Adriatische Zee gebombardeerd, toen ze Dubrovnik begonnen te beschieten, een hele tijd voor Vukovar en de gruwelen van Bosnië en Herzegovina. Dan had deze eindeloze Balkan-oorlog in een vroeg stadium kunnen worden gestopt. Als slechts een fractie van wat de Navo aan deze campagne uitgeeft was besteed aan steun voor de opkomende tegenkrachten in de burgermaatschappij - de onafhankelijke media bijvoorbeeld - zou Servië een andere toekomst hebben. De kloof tussen de beweerde doelstellingen van de Navo en de consequenties ervan is het duidelijkst zichtbaar in het tragische lot van de Kosovo-Albanezen, of ze nu met geweld uit hun land zijn verdreven of onder dwang binnen die provincie worden vastgehouden. In 2 Servië en Montenegro groeit behalve bezorgdheid en angst onder de bevolking ook haat, en dat is op de langere termijn niet onbelangrijk. In voormalig Joegoslavië was geen traditie van anti-Europeanisme of anti-Amerikanisme. Er waren zelfs geen anti-Navo-gevoelens, zoals die in veel West-Europese landen voorkomen, want Joegoslavië beschouwde de Sovjet-Unie als de grootste bedreiging voor de eigen onafhankelijkheid en de Navo als potentiële bondgenoot. Na het uiteenvallen van Joegoslavië ontstonden anti-westerse sentimenten en het Westen kreeg de schuld van de trage en onhandige betrokkenheid bij de crisis. De schuld bij de internationale gemeenschap leggen, met name bij de VN, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, is een populair tijdverdrijf voor veel Serviërs en Montenegrijnen die lijden onder de sancties van de VN, en voor velen in het door oorlog gehavende Bosnië-Herzegovina en Kroatië. Veel kritiek is terecht, maar de ex-Joegoslaven krijgen daarmee ook de kans hun eigen gevoel van verantwoordelijkheid te bezweren. Een raket die neerkwam in een voorstad van Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, toonde aan hoe kwetsbaar alle buurlanden van Servië zijn, en dat maakte een einde aan het eventuele leedvermaak in Kroatië en Bosnië. HET IS NIET MOEILIJK na te gaan hoe de emoties gemanipuleerd en gewijzigd zijn door het militaire avontuur van de Navo van de afgelopen weken. Alle Serviërs zijn schuldig verklaard. Onder de Navo-bommen groeide in Servië en Montenegro een gevoel van diepe verontwaardiging en dat zal worden doorgegeven aan volgende generaties. De verontwaardiging zal gekoesterd worden in een verwoest en verarmd land, los van de vraag hoe lang het regime van Milosevic nog blijft bestaan. De masochistische dogma’s van de Servische nationalistische ideologie zijn versterkt met nieuwe argumenten, voorbeelden en bewijzen, zodat deze cocktail van geschiedenis en mythologie, etnische politiek en folklore nog lange tijd het denken van het volk zal kunnen vergiftigen. De ambivalente relaties tussen Servië en Montenegro zijn verslechterd. De angsten van Macedonië aangaande het Albanese volksdeel zijn veranderd in haat door de massale toevloed van vluchtelingen uit Kosovo. De woordvoerder van de Navo zei trots dat het bondgenootschap beschikt over een schakelaar om Servië in duisternis te dompelen met grafietbommen die seriële kortsluiting veroorzaken. Beschikt de Navo ook over een schakelaar om de haat onder het volk, die door de bombardementen ontstaat, af te zetten? Toen de Russisch-Finse diplomatieke initiatieven eindelijk de onverzettelijkheid van Milosevic wisten te breken, zodat het tot een regeling kwam, was ik erg opgelucht, maar tegelijkertijd zakte ik weg in een depressie. Dat komt door de zekerheid dat de ellende nog niet voorbij is en dat binnenkort nieuwe conflicten zullen ontstaan. In Kosovo en in het eigenlijke Servië, in Montenegro, de Vojvodina, in de Sandak. Dat is het logische gevolg van dit langdurige proces van desintegratie. Vaak denk ik: dit is het einde, erger kan het niet - maar dan wordt het toch weer erger. En dan begint het volgende bedrijf. Om me te verzetten, zowel tegen het misplaatste triomfalisme in mijn omgeving als tegen de nieuwe bezorgdheid, bedenk ik oplossingen. Laat Milosevic asiel aanvragen in China als hij niet naar Den Haag kan worden overgebracht. In China zou hij zich veilig voelen. Voor het doven van deze laatste uitbarsting van haat op de Balkan, waar de nationalistische mythologie alle wisselende regimes, bezettingslegers en ideologische etiketteringen overleeft, is meer nodig dan een Marshall-plan voor economisch herstel, waarover men sinds kort praat. Ik denk aan langdurig educatief werk van de kant van Europese universiteiten, aan culturele netwerken, aan de inzet van Europese media, beroepsorganisaties en dergelijke. De jongelui uit het licht ontvlambare gebied die momenteel hun vernedering en boosheid liever met kalasjnikovs en bommen uiten dan met Nintendo en de pc, moeten opgevoed worden tot Europese staatsburgers.