Essay: Jongeren raken verstrikt in de vele mogelijkheden

Waarom droomt niemand meer?

Nooit eerder hadden jongeren het zo voor het kiezen, maar ze lijken daartoe minder dan ooit in staat. Wat ontbreekt is een richtinggevend instrument te midden van alle beslissingen over studie, beroep en mobieltjes. Dromen is niet per definitie naïef.

Een nichtje stopt met haar rechtenstudie, weet niet wat ze wil. Nu denkt ze aan psychologie omdat ze een keer een college heeft bijgewoond en een vriendin het ook doet. Maar misschien is een hbo-studie ook wel wat. Niet iedereen in haar omgeving heeft vergelijkbare problemen. Sommige vriendinnen treden gewoon in de voetsporen van hun ouders en worden bijvoorbeeld tandarts.

Geen wereldschokkend nieuws. Wel een voorbeeld dat iets knaagt. Terwijl jongeren meer keuzes dan ooit hebben en het de meesten ook niet schort aan financiële middelen, lijkt het te ontbreken aan de vaardigheden om die vrijheid met beide handen aan te grijpen. In plaats daarvan laten jongeren zich erdoor lam slaan, mag het toeval voor hen beslissen of klampen ze zich vast aan traditionele bakens als de familie. Waarom lijkt deze generatie nergens meer in geïnteresseerd, nooit lange tijd ergens «voor te gaan», geen blijvende passies te kunnen ontwikkelen?

Voor klachten over de instelling van jongeren moet je oppassen. Iedere generatie doet het opnieuw. Het is een vast ingrediënt wanneer crisisgevoelens – economisch dan wel moreel – de kop op steken en het blijkt achteraf maar al te vaak nergens op gebaseerd. Toen jongeren zich na de Tweede Wereldoorlog in de roes van de bevrijding tijdelijk uit de beklemmende verzuilingsmoraal los wisten te maken, klaagden politici en commentatoren van links tot rechts over zedenverwildering en arbeidsschuwheid. Losbandige, luie jongeren werden daarop in werkkampen geplaatst. Maar uit opinieonderzoeken uit deze periode blijkt dat de angsten van de opvoedende generatie helemaal niet strookten met de werkelijkheid. Dat is ook niet meer dan logisch: als die telkens terugkerende paniek over de levenshouding van de jeugd werkelijk zou kloppen, hoe kan het dan dat het met hen later als ze ouder zijn toch goed is gekomen, getuige hun moralistische gejammer over de nieuwe jongeren?

Het huidige probleem zit hem dan ook niet in de instelling van jongeren in het algemeen (zie ook «De knip & plak-generatie» van Margreet Fogteloo in De Groene Amsterdammer van 16 juni) maar in de onmacht om fundamentele keuzes te maken. Neem nu de studiekeuze. In zijn jaarrede hekelde Frits van Oostrom, president van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (knaw), de wildgroei aan opleidingen. Er is volgens hem sprake van te veel keuze, waarbij de ene opleiding de andere verdringt. «Het aanbod aan bachelors en masters in het Nederlandse hoger onderwijs lijkt steeds meer op de menukaart van een slechte Chinees», aldus Van Oostrom. Jongeren blijken met die enorme hoeveelheid keuzes niet om te kunnen gaan. Zo laten cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) zien dat een groot deel van de hoger opgeleide jeugd geen flauw benul heeft welke opleidingen en beroepen er zijn en wat die inhouden. Slechts iets meer dan de helft van de studenten in het hoger onderwijs gaf in 2001 (recentere cijfers zijn er nog niet) aan dat de opleiding overeenkwam met hun eigen beeld. Van de toekomstige beroepsmogelijkheden hadden zij in datzelfde jaar evenmin een helder idee. Slechts een kwart bleek daarvan op de hoogte te zijn. Voor de scholieren op havo en vwo geldt hetzelfde.

Jongeren hebben dus meer keuze dan ooit, maar ze zijn minder dan ooit in staat om te kiezen. In plaats daarvan gebruiken ze verschillende afweermechanismen. Nogmaals de studiekeuze. Een eerste manier om met al die beslissingen te dealen is ongeïnformeerde keuzes maken. Dat wordt dan ook massaal gedaan, gezien de reeds genoemde cijfers van het cbs. Een tweede methode is helemaal niet kiezen: het werkelijke beslismoment wordt zo lang mogelijk uitgesteld, vaak tot ná de studietijd. Brede studies als psychologie of rechten lenen zich daarvoor bij uitstek. De Groningse ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma spreekt dan ook van de studietijd als een «verlengd moratorium», waarin je de keuzes over waar je heen wilt met je leven nog even kunt uitstellen. Zelf heeft hij daar als studiecoördinator van de oude doctoraalstudie ontwikkelingspsychologie ervaring mee. Breeuwsma: «Het is voor een deel een luxeprobleem, maar er is een enorme keuzevrijheid. Aan de andere kant is er ook een bepaalde keuzedwang: het is tegenwoordig een automatisme dat je na je vwo verder studeert. Bij sommige studies – met alle respect voor psychologie, maar mijn eigen vakgebied is daar een voorbeeld van – kun je beslissingen over je toekomst nog even uitstellen, maar je moet toch ergens een besluit nemen over wat je met je leven wilt.»

Een laatste mogelijkheid om vooral niet zelf ergens bewust voor te hoeven kiezen, is een terugkeer naar de traditie. Net als vroeger treden jongeren in het voetspoor van hun ouders of laten zij zich, iets moderner, leiden door andere omgevingsfactoren, zoals hoeveel status de maatschappij om hen heen toekent aan een bepaalde studie of beroep.

Al deze afweermechanismen hebben met elkaar gemeen dat zij lijnrecht tegenover het ideaal staan van de moderne burger als zelfbewust en vrij individu. Dat leidt tot een merkwaardige gang van zaken: het welvarender deel van de westerse mens heeft nog maar net de middelen en de vrijheid veroverd om meester te kunnen zijn van zijn eigen leven, of hij levert die autonomie alweer in, murw van alle keuzes die zich opdringen.

«The pain of selfdetermination» noemt het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) deze worsteling in haar rapport De veeleisende samenleving uit 2004. Oorzaak is volgens het scp de enorme toename van het aantal keuzes op alle vlakken – kerk, vakbond, energie, telefoon. «Het wegvallen van tradities leidt niet alleen tot meer mogelijkheden, maar heeft ook onbedoeld als effect dat men zich niet meer achter die tradities kan verschuilen. In een reflectieve maatschappij kan nauwelijks worden ontkomen aan de noodzaak om keuzes te maken.»

Jongeren zijn als ontzuilde generatie én technologische voorhoede de eerste, voornaamste slachtoffers van deze neoliberale keuzemaatschappij. Met vrijheid – lees: het eigen leven in kunnen richten, eigen prioriteiten stellen – heeft dat weinig van doen. De markt dringt keuzes op waar geen dilemma’s waren: welk mobieltje, Jim of Jamai, een zorgverzekering met jaarlijks zes of met acht fysiotherapiebehandelingen? Tegelijkertijd wordt de burgers keuzes op de vlakken die er werkelijk toe doen onthouden: wie beslist er op de werkvloer, over de economie, wie bepaalt de marges van het politieke speelveld?

Het resultaat is keuze-inflatie. Moe van alle beslissingen die nergens over gaan, wordt de burger cynisch en wil hij helemaal nergens meer over meepraten, «want ze doen toch wel wat ze willen». Uitholling van de democratie heet dat. In plaats van tot meer zeggenschap over het eigen leven en daarmee tot meer geluk, leidt de keuzemaatschappij tot onzekerheid.

Oorzaak van al deze ellende is volgens velen de «generatie ’68». Zij was het die de westerse wereld heeft opengebroken. Sindsdien beslist niet langer God, de familie of de staat voor de burger, maar hij of zij zelf. Volgens cultuurpessimisten als de Franse schrijver Michel Houellebecq heeft deze omwenteling enkel geleid tot egoïsme, hedonisme, plat consumentisme en meer van dat soort narigheid. De boodschap is steevast dat het bevrijde individu helemaal niet vrij wil zijn en ook al geen individu.

De jongeren van nu dienen als levend bewijs. De wereld ligt aan hun voeten en de welvaart vormt geen belemmering in dit deel van de wereld. Desondanks blijven ze ofwel als een caviaatje bibberend in het geopende kooitje zitten, of ze geven zich over aan alcohol, drugs en seks in Salou.

Maar zo eenvoudig ligt het niet. Net als ieder stukje geschiedenis is ook de erfenis van de jaren zestig en zeventig een resultaat van een voortdurend, ideologisch gemotiveerd debat. De «individualistische jaren zestig» is slechts één visie op dit tijdvlak, die weliswaar tegenwoordig domineert, maar die geen recht doet aan alle aspecten van die geschiedenis. Niet voor niets worden de jaren zestig in de geschiedkunde en de literatuur telkens opnieuw geboren. De politieke jaren zestig, de idealistische jaren zestig, de losgeslagen jaren zestig, de individualistische jaren zestig: het is een voortdurend proces van historische reïncarnatie.

Wat tegenwoordig gepresenteerd wordt als de erfenis van de jaren zestig is dan ook maar het halve verhaal. Jongeren hebben van de oudere generatie slechts de ene helft doorgegeven gekregen: de keuzes en de mogelijkheden. De andere helft, namelijk het richtinggevende instrument te midden van al die keuzes en mogelijkheden, hebben de ouders failliet verklaard. Dit zijn de idealen en de Grote Doelen van de jaren zestig, waar de ouders vol overgave voor vochten en die zij nu al decennia lang op zijn minst als naïef, zo niet gevaarlijk, wegzetten. Kijk maar naar de Sovjet-Unie, naar de culturele revolutie in China, naar de killing fields van Pol Pot. Of om het voor de slachtoffers van het tweede-fase-onderwijs begrijpelijk te houden: naar Mohammed B.

Het gevolg is dat de generatie van voor ’68 nog wel de zuil, God of het sociaal-democratische ideaal had. De ouders hadden de droom. Voor hun kinderen resten slechts naakte, vulgaire keuzes. Het is dan ook logisch dat de Begeisterung onder studenten, waar Mark Rutte als staatssecretaris voor Hoger Onderwijs de afgelopen jaren vaak voor pleitte, ver te zoeken is. Geestdrift voor wat? Niet voor grotere idealen. Niet voor de eigen dromen en dieper gevoelde wensen, want dat alles is naïef. Voor een baan van acht tot vijf met status dan?

Abstract gezegd staan jongeren tegenwoordig, net als veel van hun ouders trouwens, in de wereld als stipjes in een onoverzichtelijk veld met miljoenen andere stipjes – denk aan een radarbeeld. Wat nodig is zijn coördinaten en een vector. De eerste staan voor zelfkennis en het weten hoe de wereld om je heen in elkaar zit. De vector is de richting die je uit wilt. Noem het wensen, idealen of dromen. Wil je kunstenaar worden, de wereld verbeteren, onderzoek doen, reizen als een vrije vogel of gewoon alles leren wat er te leren valt?

Een herwaardering daarvan is heel wat anders dan pleiten voor een naïef utopisme of blind fanatisme. Niets schrijft immers voor dat je een droom of een utopie letterlijk ten uitvoer moet brengen. Dromen zijn voor een persoon, net als utopieën voor de politiek, niet meer maar ook niet minder dan een stuk gereedschap om erachter te komen wat je werkelijk wilt en waar je naartoe wilt, ceteris paribus. Het gaat ook niet zozeer om één keuze voor één afgebakend beroep, maar om een kader voor oprechte en verantwoorde keuzes.

Kiezen is geen kattenpis, wist Sartre al. De atheïstische mens is zijn eigen god en daarmee ten volle verantwoordelijk voor zijn eigen leven én dat van anderen. Met iedere keuze die hij of zij maakt, kiest hij ervoor wat voor een persoon hij wil zijn en daarmee ook in welk soort wereld hij wenst te leven. Kiezen voor Jim, Jamai, Hi Prepay of Telfort is dan ook niet vrijblijvend. Met iedere nietszeggende, ons opgedrongen keuze die we maken, bestendigen we de consumptiemaatschappij waarin we leven.

Het alternatief is een herwaardering van het streven naar het volle leven. Níks het geluk in de kleine dingen zoeken, dat leidt alleen maar tot meer versnippering! Het geluk zit hem daarentegen in het grote gebaar, het volle leven. Het laat zich hooguit herkennen in de kleine dingen. De cynicus – maar al te vaak een 68’er – zal zeggen dat dat naïef is. Maar wat stelt dat eigenlijk voor, cynisme? Het is niets meer dan een intellectueel aandoende wijze om te zeggen – de cynicus heeft het spelletje immers wel door – dat je het ook allemaal niet meer weet. Een cynicus ziet, net als iemand die depressief is, de wereld langs zich heen glijden zonder dat hij daar nog enige vat op heeft. Dat heeft niets te maken met wijsheid. Wie problemen echt doorziet, zou immers ook in staat moeten zijn een oplossing te verzinnen, ervan uitgaande dat ieder probleem zijn oplossing in zich draagt.

Liever getracht het leven bij de lurven te grijpen, ook al blijkt dat achteraf misschien vergeefs, dan bij voorbaat de handdoek in de ring gegooid. Waarom kan niet iedereen van zijn leven een kunstwerk maken? vroeg de Franse filosoof Michel Foucault zich af. «Wat mij opvalt is dat bijvoorbeeld de kunst in onze samenleving iets is geworden wat met voorwerpen te maken heeft en niet met mensen of met het leven. Dat kunst een specialiteit is van een paar experts die men kunstenaar noemt. Maar waarom zou niet iedereen een kunstwerk van zijn leven kunnen maken? Waarom is die lamp, dit huis wel een kunstwerk en mijn leven niet?»

Ja, waarom niet?