Interview: ontwerper Jurgen Bey

«Waarom één keer leven?»

Internationaal gerenommeerd ontwerper Jurgen Bey mag zijn hoofd graag op hol laten slaan. «Denken en praten, dat is wat ik doe.» Zijn ontwerpen maken de wereld mooier. «Maar niks doen is ook belangrijk. Daar ontstaan ideeën. Rommelend.»

Jurgen Bey kan vliegen. Licht en snel, met veel zwenkingen. Dat maakt de aarde kleiner, en tegelijkertijd groter. Veel groter, in Bey’s geval. Want door alles wat op de grond gebeurt van een afstand te bekijken, is het makkelijker uiteenlopende zaken met elkaar in verband te brengen. Zoals de devaluering van het begrip amateurisme, mensen met Alzheimer en de waarde van grond.Jurgen Bey: «Er is veel aandacht voor professionals. Maar amateurs doen dingen uit liefhebberij, hun hart wil het en de rest doet er niet toe. Ze kennen geen economie en tijd, en daar komen vaak de mooiste dingen uit voort. Amateur-archeologen hebben hun diensten inmiddels bewezen. Het zou mooi zijn als amateurisme op veel meer terreinen als waardevol wordt gezien.»

Alzheimerpatiënten zijn op een bepaalde manier ook amateurs. Met eigen kwaliteiten. «Als er een ruimteschip naar de maan zou kunnen gaan met alleen maar Alzheimerpatiënten erin, dan hebben die daar na vijftig jaar de ultieme plek voor zichzelf gecreëerd. Waar alleen zíj de weg kennen. Nu zijn de plaatsen waar die mensen wonen gemaakt voor de kinderen die hun ouders daar naartoe brengen. Dat klopt toch eigenlijk niet?»

En zo gebeurt er wel meer wat Bey niet in de haak vindt. Bijvoorbeeld het volbouwen van voormalig agrarisch gebied met huizen: «Alle grond die we hebben is door zoveel handen gegaan. En niet alleen door die van mensen, boeren, maar ook door die van bijvoorbeeld wormen. Dat zijn allemaal poepende mensjes. Grond is niet alleen maar aarde, het is veel meer: de waarde die het heeft doordat een boer jarenlang aan die grond heeft gewerkt, de kwaliteit ervan. Hetzelfde geldt voor een gewoon grasveld. Er zit zoveel aan. Je moet het nog wel durven aanraken, natuurlijk, maar het is goed om je die waarde te realiseren.»

Bey knoopt gedachten ogenschijnlijk moeiteloos aan elkaar en neemt zijn gehoor mee op een vlucht langs tot dan toe onbekende plekken. Het komt door zijn manier van praten: «Ik stuur de woorden vooruit. Net als een trein die van achteren wordt aangeduwd. Daarmee maak ik ruimte om te denken.» En, natuurlijk, door Bey’s gedachten. Daarin zit zijn vermogen tot vliegen vooral. In zijn mooie ideeën over hergebruik in dit tijdperk van nieuw en snel waarin bestaande dingen met al hun kwaliteit met het grof vuil aan de straat gezet worden: «Ik kan niks verzinnen wat niet bestaat. Ik kan alleen maar iets laten groeien, iets kweken. Ik doe niet veel meer dan praten en denken.»

Maar daarvoor moet je goed kunnen kijken. En ook over dat vermogen beschikt de internationaal gerenommeerde Bey. Met zijn wat hoge stem en een licht verwonderde blik in zijn ogen blijft hij vloeiend aan het woord over wat hij allemaal ziet en denkt. Hij zit in een overall en dikke trui in een grote betonschuur op het terrein dat hij en zijn vrouw in de Noordoost-polder hebben gekocht, niet ver van Ommen, waar hij is opgegroeid: «Mijn vrouw Rianne is architect, samen hebben we Studio Makkink & Bey, en zij wilde graag zo’n schuur.» Een prefab-constructie, ontworpen na de Tweede Wereldoorlog om met weinig mensen snel een grote ruimte te kunnen neerzetten.

Eerst had Bey het plan om zijn hele bureau vanuit Rotterdam hier naartoe te verhuizen: «Maar dat heeft te grote consequenties. Deze plek is veel moeilijker bereikbaar voor de mensen met wie we samenwerken. Stagiaires bijvoorbeeld, en die hebben we vaak. Voorlopig ga ik hier vier maanden zitten en bedenken wat zou kunnen en wat we willen. Dat is het fijne deel: dagdromen. Misschien maken we binnen wel allemaal kleine huisjes, die in de zomer het erf op kunnen. Voor kunstenaars die hier willen werken bijvoorbeeld. Vroeger dacht ik dat ik plannen in stilte moest maken, omdat anders een ander ermee weg zou lopen. Nu denk ik dat een wens uitspreken de enige manier is om ’m werkelijk te maken. Ik wil me niet meer bezighouden met wat ik niet wil, maar met wat wél. En met de vraag: hoe zorg ik dat het er komt?»

Jurgen Bey (1965) is de zoon van café-eigenaars, wilde als kind bioloog of dierenarts worden, maar ging in 1984 naar de Design Academy in Eindhoven. Vrienden studeerden daar al, bovendien had Bey geen zin in jaren stampwerk. Hij volgde er de studie openbare ruimte, werkte vanaf 1990 voor verschillende ontwerpbureaus en had een eigen bureau met Jan Konings. Sinds 1999 werkt hij zelfstandig.

Bey ontwierp bijvoorbeeld de lampenkap-kappen (oude schemerlampen letterlijk in een moderne jas), «gebroken familie» (kapot en nergens meer bij horend servies dat hij een nieuwe huid van zilver gaf), de boombank (een boomstam met verschillende rugleuningen van oude stoelen) en het stofzuigermeubel (een stofzuiger met meubelzak eraan die zich net zo lang vult met het opgezogen stof totdat je erop kunt zitten). Hij brak door op de meubelbeurs in Milaan en won diverse prijzen, onder meer voor de ontvangstkamer die hij ontwierp voor Interpolis in Tilburg.

Jurgen Bey: «Een zeker talent zal ik wel al gehad hebben, maar dat is op de academie pas getriggerd. Daar is mijn hoofd echt geopend; ik zie nu heel veel meer. Dat heeft me aangenaam verrast, dat zo’n hoofd dat allemaal kan. Best knap. Het kwam doordat er tijdens die studiejaren zo eindeloos veel ruimte was; ik ging helemaal op, of onder, in die wereld. Zo veel ruimte is er daarna nooit meer, in de economische wereld. Terwijl niks doen ook belangrijk is. Daar ontstaan ideeën. Rommelend.»

Waarna een betoog volgt over de zogenaamde verworvenheden van nu: «Als ik aan de jaren vijftig denk, aan al die arbeid, al die uren die aan de wederopbouw zijn besteed. Waar heeft al die energie uiteindelijk toe geleid? Tot plastic zakjes die van winkel naar winkel gaan, tot autootjes die met spulletjes heen en weer rijden. Is dat vooruitgang? Je schaamt je toch dood voor al die dingen die alleen maar voor de verkoop gemaakt worden, in plastic, in schappen. Dat kan toch niet de reden zijn van al die opbouwenergie?»

Het kan Bey ongelukkig maken: «Ik heb een sombere kant. Maar ik probeer het niet negatief te benaderen. Ik wil proberen overal kwaliteit in te zien. Ook in de lelijkheid van de grote, grijze, gemene deler. Hoor, de taal wist al dat het niet klopte: ‹gemene› deler. Degenen die niks nieuws leveren, hebben het meest te vertellen. Dat klopt gewoon niet. Ik word gelukkig van de dorpsgek, mijn sympathie ligt bij de mensen die van de wereld af vallen. Schreeuwers komen er wel. Maar de verlegenen, de stillen, juist die moeten gevierd worden.»

Iets verlegens, beschouwends en stils heeft Bey zelf ook, maar van de wereld af vallen lijkt hem niet te zullen gebeuren. Hij heeft aan opdrachten en aandacht geen gebrek, geeft les, denkt en werkt. Zijn belangstelling voor de natuur is hij daarbij nooit kwijtgeraakt: «De dierenwereld heeft geen bestuurder, en moet je zien hoe mooi die is. Hoe dingen zó goed functioneren. Dan zou de mensenwereld, die bedacht is, die wél bestuurd wordt, het toch minstens net zo goed moeten kunnen?»

Bey doet zijn uiterste best de wereld mooier te maken: «In elk geval wil ik omstandigheden creëren die daarvoor kunnen zorgen. Ik geniet er enorm van als ik zie wat anderen kunnen maken, bij mij in de studio bijvoorbeeld. Dat vind ik echt een cadeau van dit vak; dát meemaken. Want of de dingen die ik bedenk uiteindelijk uit mijn eigen handen komen of uit die van een ander maakt me eigenlijk niet uit. Ik ben al blij als m’n hoofd zo door mag gaan, op hol mag slaan, nieuwe verbanden legt, doordenkt. Dat vind ik best een fijn doel van mijn leven.»

Van dít leven dan, want dat je er maar één hebt, kan Bey niet geloven: «Waarom zou iedereen hier maar één keer worden neergezet? Dat is toch onmenselijk? Dat je maar één kans hebt om op z’n best te leven? Als dat zo is, is mijn allergrootste wens een voorschrift voor jezelf, als een wasetiket. Met daarin bijvoorbeeld je talent. Want iedereen heeft een talent, of dat nu zitten is, of luisteren, of schoonmaken.»

Maar hét bewijs voor de onmogelijkheid van maar één leven per mens ziet Bey in wat andere hoogvliegers maken: «Zo’n film als The Idiots, of Being John Malkovich: het lijkt zó logisch wat je ziet, maar is het zó totaal niet. De makers daarvan hebben luikjes open gehad die normaal niet aangeraakt worden. Of neem Maarten Biesheuvel: de juweeltjes die die man heeft geschreven. Met de taal die iedereen tot zijn beschikking heeft schept hij een nieuwe werkelijkheid die lijkt te kloppen, maar heel ver af is van hoe je dacht dat het was. Ik schijn het best aardig te doen, wordt gezegd, maar ik kom niet eens tot de helft van wat zij bedenken. Daar móeten meerdere levens overheen gaan. Hetzelfde gevoel krijg ik in de stenen tuin van Jean Dubuffet in het Kröller-Müller-museum. Het is een echte tuin, maar dan van beton. Dat werk is voor mij het beeld van hoe ik in mijn hoofd het verst zou kunnen komen.»

www.jurgenbey.nl