Interview Coco Schrijber

«Waarom haalt iemand de trekker over?»

Coco Schrijber maakte de documentaire ‘First Kill’, over de oorlog in Vietnam. Uit de verhalen van de Amerikaanse soldaten blijkt telkens weer hun fascinatie voor geweld en de bevrediging van het doden. «Als je die soldaat werkelijk durft te begrijpen, wat zegt dat dan over jezelf? Ik weet dat ik tot doden in staat ben.»

«De Stones, Jimi Hendrix, Janis Joplin — dat was voor sommigen de perfecte muziek om je geweer bij leeg te schieten. Juist die anti-oorlogsmuziek. Een Vietnamveteraan zei me dat voor hem de jaren zestig helemaal niet over peace and love and flowers in your hair gingen, maar over seks en dood. Hij vertelde wat die gitaarsolo’s met hem deden, wanneer hij in zijn eentje met zijn transistorradiootje in de jungle liep: waakzaam tot in z’n vingertoppen en geil van de opwinding. Dan zette hij zijn geweer ‘op rock-’n-roll’, zoals dat heette.»

Complexe gevoelens rond leven en dood, liefde en haat kreeg Coco Schrijber (1961) met de paplepel ingegoten. Toen ze afstand kon nemen van de pijnlijke verhoudingen in haar ouderlijk huis maakte ze de documentaire Een doodgewoon gezin (1996). Tijdens een vakantie in Vietnam kwam ze in een «oorlogsuitstapje» terecht. Het werd de aanleiding tot haar film First Kill, die deze week in tien theaters te zien is.

Coco Schrijber: «Je kon in Vietnam met een toeristenbusje langs de voormalige slagvelden. Even op een kanon zitten, met een kalasjnikov schieten voor een dollar per kogel, de tunnels van de Vietcong in. Disney land, maar dan echt. De Amerikaanse veteranen, maar ook opvallend veel jongeren, hadden het helemaal naar hun zin. We speelden oorlogje wanneer er een politiehelikopter overvloog. Dekking zoeken! En dan keek je elkaar wat bescheten aan.» Schrijber ontdekte dat de jongere toeristen zich via speelfilms een gedetailleerd beeld van de Vietnamoorlog hadden gevormd. «Ze citeerden moeiteloos uit Apocalypse Now, konden hele stukken uit Platoon naspelen.» In die films liepen geen John Waynes meer rond, de legendarische acteur — type stoere cowboy — die de held was geweest van wie écht in Vietnam ging vechten. «Iedereen speelde er toen zijn eigen Wayne. Wayne was cool. Maar je bleef natuurlijk niet cool.»

Waarom trekken mensen altijd weer ten strijde? Dat wilde Coco Schrijber weten. Waarom zoekt iemand de hel op wanneer hij niet wordt gedwongen? Zoals Billy, een van de veteranen die ze in First Kill portretteerde. Billy is een «tunnelrat», zoals soldaten werden genoemd die de vijand in diens onderaardse gangen opzochten. In zijn rolstoel herbeleeft hij zijn finest hour, voor de film in een voetgangerstunnel onder de Schelde bij Antwerpen. Want voor een nostalgisch weerzien met het slagveld in Vietnam is Billy te beschadigd. «Zo’n tunnel van de Vietcong ingaan, dat was de ultieme horror. Billy ging vrijwillig naar Vietnam. Zijn vader werd gerespecteerd als veteraan van de Tweede Wereldoorlog, zijn broer als Vietnamveteraan.» Hij was niets. «Ter plekke ontdekte Billy dat hij toch ergens goed in was: doden. Zo’n shot adrenaline, zegt hij, daar kan niks tegenop.»

De meeste adrenaline ontwikkelde Billy als tunnelrat. «Je bent alleen in het donker. Je hoort en ruikt alles veel scherper. Daar raak je aan verslaafd. Hij zou zo terug willen naar Vietnam: om weer te doden.» Billy was geen uitzondering, zegt ze. «Ik heb zestig Vietnamveteranen gesproken en hun verhalen waren inwisselbaar.» Hij vertelt in First Kill dat hij de oren van zijn slachtoffers afsneed om de tel bij te houden. «Dat deden duizenden van die jongens. Billy was heus niet de meest extreme.»

Schrijber zocht een oorlog die enigszins is verwerkt, waarop kan worden teruggeblikt. Maar waarom Vietnam en bijvoorbeeld niet de Tweede Wereldoorlog? Schrijber: «Dan krijg je al gauw 'Opa vertelt’. Ik wilde ook jongeren aanspreken.» Maar dat was niet haar belangrijkste reden: «De Tweede Wereldoorlog heeft er alle schijn van dat je goed van kwaad kon scheiden. Mijn vader heeft in het kamp gezeten. Ik ben opgevoed met de Duitsers als het grootste kwaad. Alle Duitsers. En als zij het kwaad waren, waren wij het niet.» Zo simpel lag het niet met goed en kwaad, ontdekte ze in haar eigen leven. Ook in Vietnam was de scheidslijn tussen goed en kwaad heel troebel. «Ik wil de kijker niet de kans geven te roepen dat Billy en zijn maten psychopaten zijn en dat de andere Amerikanen of juist hun tegenstanders goed waren. Want de eerste keer haalde Billy ook slikkend de trekker over. Bij de derde of vierde keer wordt het gewoon lekker.»

«Ik snap dat gevoel wel», zegt Coco Schrijber. Maar ze heeft gemerkt dat haar visie nogal afschrikt. Alsof de bevrediging van het doden iets van vroeger is, van gekken of van ver weg. «Maar daarmee zou de kijker het zich te makkelijk maken.» Het alternatief is eng. «Als je die Billy werkelijk durft te begrijpen, wat zegt dat dan over jezelf? Ik weet dat ik tot doden in staat ben. First Kill gaat natuurlijk ook over mijn onbewuste verlangens. Het is maar goed dat ik niet in Amerika woon. Want daar kun je vuurwapens aanschaffen.»

Tegen wie zou je dat wapen gebruiken?

«Misschien wel gewoon in het verkeer.»

First Kill bevat geen gewelddadige archief- of speelfilmbeelden. Het enige geweld in de documentaire zit in het eerste shot: een varken dat een kogel in zijn kop krijgt. «In slowmotion, want ik wilde iets gruwelijks verbeelden dat er prachtig uitziet, zoals op een schilderij van Bacon. Zodat je je gaat afvragen: mag ik dit wel mooi vinden?» De verwrongen kop van het stervende beest verwijst onmiskenbaar naar de beroemde foto van Eddie Adams, waarop een Vietnamese politiechef een Vietcongstrijder standrechtelijk executeert. Die foto is ook in First Kill te zien, net als Adams zelf. «Hij was zelfs nog niet begonnen met het verwerken van zijn oorlogservaringen. Ik had hem kunnen grillen om zijn gedraai op de vraag: wat is oorlog voor jou eigenlijk?» Ze imiteert de gelauwerde fotograaf: «'Ja, natuurlijk is het verslavend, nou ja verslavend, dat weet ik eigenlijk niet… Misschien wil ik iets bewijzen. Maar ik hoef niks meer te bewijzen…’ Adams schoot alle kanten op en weigerde echt na te denken.»

Net als haar moeder in Een doodgewoon gezin, zegt ze. Schrijber zou sommige mensen wel willen dwingen tot nadenken over leven en dood, dader- en slachtofferschap. Tot die mensen behoorde haar moeder, toen die nog leefde. «Pas toen de joodse tantes bij ons thuis naar de Holocaust-serie met Meryl Streep kwamen kijken, ontdekte ik dat mijn overleden vader jood was.» Eindelijk werd er over de oorlog gepraat. Een minuut of wat, tot haar moeder ertussen kwam. «Die zei dan na zo’n aflevering: 'Nou, nou, het is toch wat.’ En er dan opgeruimd overheen: 'Willen jullie nog een kopje koffie?’ Op die toon praatte ze ook over de zelfmoord van mijn broer.»

In First Kill en in Een doodgewoon gezin zit de terreur tussen de beelden. Een doodgewoon gezin begint met een opmerking van Schrijbers nog levende broer, wanneer ze hem vertelt dat ze een film gaat maken over hun ouderlijk huis: «Dat zal dan wel een horrorfilm worden». Het blijkt niet ironisch bedoeld. Net zo min als de filmtitel. «Toen ik werd gevraagd een documentaire te maken voor een televisieserie over familie dacht ik: wat een saai onderwerp. Want ik kom uit een doorsnee familie. Zo’n doodgewoon gezin zonder incest, met geld genoeg en met normen en waarden. Ik begrijp nu pas waarom mensen geschokt zijn door Een doodgewoon gezin.»

Geschokt om wat er zo zichtbaar ontbreekt: dat wat we gezonde emoties noemen. Bij moeder Schrijber vermoed je dat ze wel ergens zitten, maar daar kun je net zo min bij als bij die van de Vietnamveteranen.

Het lijkt erop dat je in beide films met dezelfde zoektocht bezig bent: die in de duistere menselijke ziel.

Coco Schrijber: «Zo heb ik het zelf ook wel gezien: First Kill als een doodgewoon gezin in het groot. Ik probeer te ontrafelen wat de donkere kanten zijn van ogenschijnlijk heel aardige mensen. Waarom haalt iemand de trekker over? Waarom valt een gezin geheel uit elkaar en worden alledrie de kinderen doodongelukkig?»

Een appeltaartrecept vormt de rode draad van Een doodgewoon gezin. De afwezige moeder leest haar recept op de geluidsband voor en Coco en haar jarige broer voeren het uit. Zo leek er nog iets van een gezinsband, zegt de filmmaakster. «Een scène heb ik eruit gegooid. We zitten appeltjes te snijden met zo’n aardappelschilmesje en dan zie je ons beider polsen: mijn broer met een groot litteken van zijn zelfmoordpoging en ik met deze fijne, dunne streepjes van de mijne. Het shot eindigde met een close-up van die beide aardappelschilmesjes. Daar had de cameraman op ingezoomd, terwijl wij over de familie praatten. Heel sterk, maar een beetje té, vond ik.»

Je broer zegt in de film dat de inrichting waarin hij regelmatig wordt opgenomen de eerste plek was waar hij zich thuis voelde.

«Dat snap ik helemaal. Daar wordt naar hem geluisterd. Mijn moeder deed gewoon wat hoorde, maar hield niet van ons. Toen hij die poging had gedaan — thuis — was haar eerste reactie: 'Wat flik je me nou?’ Ze zei in de camera dat ze helemaal niet blij was met ons. Dat heb ik er maar uitgelaten. Toen ze ziek werd, berichtte deze broer me: 'Onze moeder heeft alvleesklierkanker. Driemaal woordwaarde.'» Haar andere, oudste broer is niet te zien in de film. «Hij wilde niet. En vorig jaar heeft hij zich, toen ik met de opnamen van First Kill bezig was, verdronken in de Rode Zee.»

Je hebt die film aan hem opgedragen.

«Zo is hij er nog een beetje bij. Er blijft helemaal niemand over van mijn familie. Die broer had zich op zijn 23ste al laten steriliseren. Hij zei: wat mij is overkomen, wil ik niemand aandoen.»

Welke rol de Tweede Wereldoorlog in dit familiedrama speelt, kan Schrijber moeilijk aangeven. Al was het maar wegens gebrek aan informatie. «Opa Schrijber is ver voor de oorlog al uit Duitsland gekomen. Hij heette natuurlijk Schreiber; een Nederlandse ambtenaar zal wel een foutje hebben gemaakt. Hij had een kunsthandel die hij tijdens de bezetting heeft kunnen voortzetten. Hij moet de Duitsers hebben gepaaid. Mijn vader hoefde geen ster te dragen.» Via een gewoon werkkamp kwam haar vader toch in het concentratiekamp terecht. «Niemand kan mij vertellen welk kamp. Wel weet ik sinds kort dat mijn joodse grootvader zich binnen twee jaar na de bevrijding heeft doodgedronken. Mij was altijd verteld dat hij kanker had. Hij voelde zich een collaborateur.»

In de laatste scène van Een doodgewoon gezin rommelt moeder in de kamer, terwijl ze hardop denkt over haar drie kinderen, die allen uit haar leven dan wel uit hun eigen leven zijn gestapt. Ze ligt er niet meer wakker van, zegt ze. «Ik ben blij dat ik het heel erg druk heb gehad. Zo gaat dat dan, denk ik. Hallo hondjes!» Vietnam in het kwadraat.

Schrijber werd gewaarschuwd door mensen die Een doodgewoon gezin zagen, voordat de film op televisie kwam. Haar moeder zou vast ontzet zijn als ze zichzelf zo zag, zeiden ze. «Dat ziet ze niet, was mijn reactie.» En inderdaad. «Ze belde na de uitzending op: 'Wat een prachtige film, kind.’ Ik heb het twintig jaar geprobeerd en toen heb ik het opgegeven. Dit was een versteend iemand. Ze heeft haar kinderen laten betalen voor haar frustraties. Ze had nooit moeten trouwen, ze had carrière moeten maken. Directeur van een gevangenis, daar was ze geknipt voor. Omdat ze zichzelf niet anders kon zien dan als slachtoffer van haar milieu heeft ze haar kinderen een grote achterstand in het leven bezorgd.»

Desondanks rekende Schrijber erop dat ze één scène zou weten te filmen waarin ze haar moeder zou kunnen ontroeren. «Eén shot dat me zou opbreken. Ik ging haar onder de douche filmen, zo’n kwetsbaar naakt kippetje. Zou dat hem worden? Je moet niet naar de camera kijken, zei ik. Ze kijkt prompt in de lens, met één oog. Eigenlijk is dat het gruwelijkste shot geworden. Omdat het me niets doet.»

Toch heeft ze, in tegenstelling tot haar broers, goede herinneringen aan haar kinderjaren, zegt ze. «Ik heb me vastgeklampt aan mijn vader, die me fantastisch vond. Hij was een charmante man, goed gekleed, had gevoel voor humor. Ik was pas tien toen hij doodging, mijn broers waren veel ouder en hadden andere ervaringen. Wat mijn vader in mijn moeder zag, begreep niemand: zo’n protestantse, wat boerse vrouw. Maar mijn ouders hielden wel van elkaar. Al kon mijn moeder af en toe antisemitisch uit de hoek komen.»

Ben je zelf ook ongelukkig geworden?

«En hoe! Er zat iets loodzwaars in mij, maar ik wist niet wat. Als puber verpakte ik dat in cynische humor. Ik dacht wel: later moet ik naar een psychiater. Op mijn negentiende ben ik weggegaan, op wereldreis. Toen ik na drie jaar terugkwam, ben ik naar de Rietveldacademie gegaan. Na enkele jaren stortte ik in.»

Je vertelt over jezelf alsof je een spannende ander hebt zitten observeren: hoe zou het met Coco Schrijber verdergaan?

«Dat was ook zo. Ik dacht in die tijd: zo kan het toch niet aflopen? Ik ben niet zo contactgestoord als mijn broers, dus ligt het niet in de verwachting dat ik zelfmoord zal plegen. Ik moest die depressie uit, maar dat lukte me niet. Die duurde vier jaar, waarvan ik er één alleen maar heb geslapen. Uiteindelijk ben ik naar de psychiater gegaan.»

Op haar wereldreis was ze natúúrlijk in een Israëlische kibboets gestrand. «Ik wilde ergens bijhoren.» Ze vroeg er zelfs een studiebeurs aan. «Dan moest ik eerst in het leger. Drie maanden later stapte ik eruit. Israël was Libanon binnengevallen en dat leger had een bloedbad aangericht in de vluchtelingenlampen.» Drie jonge kibboetsvrienden lieten bij die actie het leven. «Daar deden de Israëli’s heel cool over. Pas later is me dat gaan verbazen.»