Essay Man, Vrouw, Onbehagen

Waarom het persoonlijke niet politiek is

In 1967 luidde Joke Smit met haar essay Het onbehagen bij de vrouw het begin in van de tweede feministische golf. Anno 2012 dragen de mannen weer baarden en roept Opzij haar lezeressen op hun lippen te stiften.

LAAT IK BEGINNEN met een persoonlijke ontboezeming. Twee moeders heb ik gehad. Eén voor 1968, in een tijd die ik me nog goed herinner, waarin een huishouden zonder koelkast, stofzuiger, wasmachine, auto, centrale verwarming, badkuip en gemaksvoedsel niet alleen georganiseerd maar ook gedáán moest worden. Het maakte geluid. Het geluid van koffiemolens en van matten die geklopt werden. Van de deurbel die almaar ging omdat de slager en de bakker en een hele reeks leveranciers wier naam op boer eindigde hun waren of hun diensten kwamen aanbieden: de melkboer, de aardappelboer, de groenteboer, de schillenboer en vreemd genoeg ook de kolenboer. Mannen waren op pad en vrouwen waren thuis. Het huis rook naar zeep en naar zweet wanneer de luiers door de wringer werden gedraaid. En naar tabak wanneer mijn vader aan het eind van de middag thuis was gekomen.
Maar 1968 vormde een heus omslagpunt. Niet vanwege de mei-revolutie in Parijs of omdat in november van het jaar daarvoor een baanbrekend essay in De Gids was verschenen, maar omdat ook mijn vader in dat jaar de weg ging van verouderde technologie als de weckfles en de wastobbe: aan het gebruik onttrokken, uit het straatbeeld verdwenen, geleidelijk aan vergeten. Die kwam niet meer thuis.
Wij kregen er een nieuwe moeder voor terug: onafhankelijk in haar eigen woning, ongestoord door leveranciers, goed gekleed en rap geautomobiliseerd. Dit alles dankzij een volwassen aanstelling in een echt beroep, geen sinecure of parttime wissewasje. Wij zagen met bewondering hoe de huisvrouw van weleer zich voor onze jongensogen tot vrouw van de toekomst ontpopte. De modelvrouw, wier jongere uitvoering in de toekomst onze partner zou zijn, hoogopgeleid, zelfbewust, zelfstandig.
Wij, dat waren mijn broers en ik, de jongens die in de loop van deze omwenteling geleerd hadden hoe te koken, schoon te maken en op elkaar te passen. Sindsdien hebben we dat niet meer verleerd, al is er veel gebeurd. Zo is er inmiddels nog een derde, hoogbejaarde moeder, die van dit alles niet zoveel meer weet. Maar daarover vertellen zou te particulier zijn.
Joke Smit gebruikte haar persoonlijke wederwaardigheden naar eigen zeggen als grondstof voor Het onbehagen bij de vrouw, het essay dat in het novembernummer van de 130ste jaargang van De Gids verscheen. Zoals zoveel epoche makende geschriften heeft het een aura gekregen, een betekenis in het discours die niet meer helemaal spoort met de oorspronkelijke tekst. Of nee: laat ik hier toch maar persoonlijk de schuld op mij nemen. Ik was het die jarenlang voetstoots aannam dat het beroemde startpunt van de tweede feministische golf een analyse van vrouwelijk leed zou zijn, een klaagzang die als vanzelf uitmondde in een oproep tot strijd tegen de man als veroorzaker van al dat opgekropte onbehagen. Maar niets van dat al - zo leert een grondige en onbevangen lezing. Het stuk gaat niet zozeer over mannen of vrouwen maar over de relatie tussen die twee en als het tegen een van beide seksen gericht is, dan eerder tegen de vrouw dan tegen de man. De schrijfster noemt het een ‘privé-inventaris’. Dat wil zeggen dat zij zich op haar eigen ervaringen baseert. Maar vervolgens brengt ze die naar een niveau waarop de lezer er ook iets aan heeft. Haar ervaringen zijn vertrekpunt, maar geen bewijsplaats.
Die titel, die spreekwoordelijk zou worden, was niet van haar afkomstig. Het hele nummer van De Gids was gewijd aan het destijds, althans volgens redacteur Harry Mulisch in zijn inleiding, modieuze begrip 'onbehagen’ dat zo nieuw was dat het nog niet in het woordenboek was opgenomen. Naast het onbehagen in de politiek, de psychiatrie, de politiek, enzovoort, had de redactie bedacht dat ook de vrouw als probleemgebied behandeld diende te worden. Hedy d'Ancona werd daartoe benaderd, maar die speelde de bal door naar haar kennis Joke Kool-Smit, die het stuk al zo goed als klaar zou hebben. De definitieve versie op papier zetten zou nog enige voeten in de aarde hebben, maar het resultaat was er dan ook naar. Terwijl vrijwel alle andere, door mannenknuisten geschreven bijdragen nu zowel naar stijl als inhoud obsoleet aandoen heeft dat ene min of meer bij toeval aangeworven stuk de tand des tijds glansrijk overleefd en zelfs de titel van het geheel gekaapt. Wie nu 'onbehagen’ zegt, denkt: vrouw. Al blijft het zo dat de leus de lading niet echt dekt en vermoedelijk nooit door de auteur zelf gekozen zou zijn.
Al was het maar omdat zij van meet af aan duidelijk maakt dat de scheiding tussen mannen en vrouwen niet is wat haar het meest bezighoudt en zij die tegenstelling ook niet opportuun acht. Ik citeer de eerste alinea van haar essay in zijn geheel: ’“Mannen hebben het heerlijk, vrouwen hebben het rot.” Dit is het bezinksel dat achterblijft na een overigens voortreffelijke studie als Le deuxième sexe van Simone de Beauvoir. Het is een bezinksel dat de werkelijkheid vervalst: als er een tweede sekse is dan horen de meeste mannen er ook toe; topdogs zijn nu eenmaal dun gezaaid. Men kan zelfs stellen dat de meeste vrouwen een gemakkelijker leven leiden dan de meeste mannen; het is minder frustrerend routinewerk te verrichten als hoofd van een eenmansbedrijfje dan onder andermans toezicht.’
Dat eenmansbedrijfje was een eenvrouwsbedrijfje uiteraard. Want in 1967 was het huishouden nog voor vrijwel honderd procent een vrouwenzaak. En daar hadden de meeste vrouwen ook niets tegen. Opleiding? Carrière? Hen niet gezien. Als Smit ergens tegen fulmineert, en fulmineren doet zij slechts met mate, is het tegen de 'lusteloosheid’ van de Nederlandse vrouw. Die gepaard gaat met een - kennelijk niet geheel onterechte - mannelijke 'achterdocht’ , inzonderheid bij werkgevers en personeelsfunctionarissen, jegens de bereidheid van die vrouw om zich in te spannen op het gebied van leren en werken. Zij legt echter de schuld noch de oorzaak bij mannen of vrouwen maar bij een maatschappelijk instituut dat zij gezamenlijk in stand houden. 'De sleutel tot dit verschijnsel ligt bij de huidige vorm van het huwelijk.’ Waarin de vrouw het huishouden en de kinderen voor haar rekening neemt en de man dat wel best vindt.

HET HUWELIJK en de (on)mogelijkheid zich maatschappelijk te ontplooien werden destijds geconditioneerd door een aantal wettelijke bepalingen en maatschappelijke normen waarop Smit één voor één haar pijlen richt. Het gaat dan om het minimumloon, de belastingwetgeving, het recht op abortus, gelijkwaardige pensioenvoorzieningen, de noodzaak van even goed onderwijs voor vrouwen als voor mannen. Wie de inventaris opmaakt, kan niet anders dan concluderen dat alle wettelijke barrières inmiddels geslecht zijn en dat de actuele opvattingen over gelijke rechten voor mannen en vrouwen voldoen aan een ideaal van politieke correctheid waar Joke Smit slechts van had kunnen dromen. Als er nog enige ongelijkheid in rechtspositie is, dan vinden we die in het familierecht, dat in de praktijk een minderwaardige rol aan vaders toekent bij de opvoeding van kinderen na een scheiding en de ontvangsters van partneralimentatie ontslaat van de plicht werk te zoeken. Maar ook daar komt, zij het heel langzaam, verandering in.
Staat dus niets meer de gelijkwaardige ontplooiing van mannen en vrouwen in de weg? Was het maar waar. Met een onwaarschijnlijke hardnekkigheid is juist dat huwelijk, of meer in het algemeen het samenleven, en dan vooral met kinderen erbij, nog steeds de belemmering die Smit er voor beide partners in zag. Volgens haar zorgde het ervoor dat het blikveld van vrouwen zich vernauwde tot het repeterende hier en nu van resultaatloos geregel en geredder binnenshuis. Mannen werden geacht daarvoor dankbaar te zijn en te betalen, niet alleen in geld maar ook in liefdevolle aandacht na een dag van ook al volop aandacht eisende arbeid buitenshuis - een 'room of one’s own’ in tijd dan wel ruimte zit er in die perverse economie van het huwelijk voor hem namelijk niet in. Voor de instandhouding van die situatie lijken steeds weer nieuwe argumenten op te doemen nadat de vorige zijn ontzenuwd of verworpen. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het gezin tegenwoordig vaak functioneert volgens het anderhalvebaan-model, waarin de man als voornaamste kostwinner meer dan vroeger ook nog huishoudelijke taken erbij vervult - enige vooruitgang is er dus wel, al zijn lusten en lasten daarin niet eerlijk verdeeld.
Waarom blijft die rolverdeling zo hardnekkig in stand?
Nog steeds actueel is het debat over genetische verschillen: vrouwen zorgen, mannen jagen en dat zou op verschillend gebruik van hersenhelften terug te voeren zijn. Ik ben geen neuroloog; er zijn zelfs momenten dat ik denk meer te zijn dan mijn brein. Maar de argumentatie die Cordelia Fine (in haar recente boek The Gender Illusion) geeft lijkt me steekhoudend: er zijn verschillen maar die hebben ook met conditionering van datzelfde brein te maken en zeggen niks over een genderbepaalde geschiktheid voor taken en beroepen.
Van recente datum is het 'recht op moederen’ en alle variaties daarop, dat simpelweg stelt dat de zorgtaak die Smit nog als een probleem zag juist een door de natuur verschafte vrijbrief is voor een gelukzalig bijna-niets doen dat vrouwen als een soort adelsbrief bij hun geboorte hebben verworven. De aanhangsters van deze doctrine accepteren de verwijten in hun richting met een superieure glimlach en de pejoratieve benamingen voor hun groep ('Verwende prinsesjes’ volgens Elma Drayer, 'Nieuwe mutsen’ naar het oordeel van de Linda, 'Muntthee-moeders’ in de woorden van Opzij) als een geuzennaam. Hoogstens wijzen ze op de mentale druk die het instrueren van de werkster en het bijhouden van het hockeyrooster op hun hoogopgeleide breinen legt. Dat staat een onbezorgd genieten van het moederschap namelijk danig in de weg.
Tekenend is dat zelfs in een redelijk beargumenteerd geschrift als Wie wil er nog moeder worden? bewijzen uit het ongerijmde worden gebruikt om aan te geven waarom mannen en vrouwen, vaders en moeders er niet in zouden kunnen slagen werk en zorg evenwichtig te verdelen. Dit boek (uit 2006) van de sociologe Christien Brinkgreve en de voortplantingsgeneeskundige Egbert te Velde bepleit een herwaardering van het moederschap. Het moet niet meer vooral gezien worden als hinderpaal voor een maatschappelijke carrière, maar verdient opnieuw respect als 'romantisch ideaal’, als levensvervulling, als maatschappelijk relevant en als 'specifieke behoefte van vrouwen’. Daartegenover staat dat mannen de behoefte om voor een kind te zorgen nu eenmaal minder zouden voelen, terwijl bij hen 'vanouds’ de financiële verantwoordelijkheid 'meer gewicht in de schaal legt’ en ze een 'trage veranderingsbereidheid’ vertonen.
Voor deze stellingen wordt geen onderbouwing geleverd, terwijl de auteurs veel andere kwesties juist heel zorgvuldig en analytisch benaderen. Misschien ligt de verklaring hiervoor ook wel weer in persoonlijke ervaringen. Te Velde en Brinkgreve leiden hun boek in met een kleine privé-geschiedenis van hun eigen seksuele en beroepsmatige Werdegang. Daarin schrijft de laatste over de spanning tussen werk en moederschap: 'Idealen van eerlijk delen van huishouden en de zorg voor kinderen blijken veel moeilijker te realiseren dan verwacht.’ Hoezo blijken? Waaruit blijkt dat? Welke structuren verhinderen dat? Het zal toch niet zo zijn dat vrouwen, of deze vrouw, die idealen helemaal niet willen realiseren? Het slot van de alinea waaruit ik citeerde en die vertelt over de persoonlijke balanceeract tussen werk en kind, geeft wellicht het antwoord: 'Het eerste woord was gelukkig mama, dat haalde ik wel op het juiste moment binnen.’ Was het echt zo erg als het eerste woord van de baby 'papa’ was geweest?

DIT IS HET MOMENT om het over Rachel Cusk te hebben. Moeder van twee kinderen. Schrijfster van fictie en non-fictie. Volgens het tijdschrift Granta een van de twintig meest belovende Britse auteurs aan het begin van de 21ste eeuw en volgens mij de koningin van het hedendaagse, irrationele onbehagen. Vier van haar boeken zijn ook in het Nederlands vertaald, maar ik kwam haar vorig jaar tegen in een onlangs verschenen nummer van datzelfde Granta gewijd aan 'The F*** word’, het feminisme. Rachel Cusk viel daar meteen na de titelpagina met de deur in huis. De deur van haar eigen hoogstpersoonlijke huis welteverstaan, het huis van haar zelf en haar man en haar kinderen, of beter gezegd: het voormalige huis van haar zelf en haar man en die kinderen. Want ze was afscheid aan het nemen van haar echtgenoot, en in een moeite door van de idealen van het feminisme.
Pas nadat ik de ontboezeming in Granta had gelezen verdiepte ik me verder in het werk en, onvermijdelijk in dit geval, de persoon van Rachel Cusk. Haar laatste roman, De Bradshaw variaties (2009), beschrijft de onvrede van twee generaties uit een familie met de rolpatronen waarin ze opgesloten zitten. Ook al zijn die patronen niet altijd traditioneel: Antonia Bradshaw heeft voor een carrière in het onderwijsmanagement gekozen en echtgenoot Thomas heeft zijn baan opgegeven om voor het huishouden te zorgen en piano te spelen. Dat verdraagt hij veel beter dan de vrouwelijke hoofdpersoon in Arlington Park (2006), een langgerekte klaagzang op het leven in de suburbs van een provinciestad waar het onophoudelijk regent terwijl de slager, die een man is, met zijn als gevolg van softenon misvormde armen de karkassen van onschuldige dieren uitbeent. Maar mannen zijn niet alleen onverbeterlijke carnivoren. Erger nog: 'Het zijn moordenaars, dacht Juliet. Allemaal. Ze vermoorden vrouwen. Ze nemen een vrouw en geleidelijk aan vermoorden ze haar.’
En dat begint al vroeg. Met afgrijzen stelt Juliet vast dat haar zoontje, een kleuter nog, niets van de onbaatzuchtigheid, de empathie en de zorgzaamheid bezit die haar dochter en de meisjes van haar literatuurclubje van jongs af tentoonspreiden. Toch zijn de mannen in het boek helemaal de beroerdste niet. Vriendelijk doorgaans. Plichtbewust. Niet zelden trekken ze, na een dag op kantoor, onmiddellijk hun jasje uit om het voor een schort en rubber handschoenen te verruilen en hun deel van de huishoudelijke taken te verrichten. Al lezend vroeg ik me steeds af wanneer de omslag zou komen, het moment dat het verwachtingspatroon van de lezer zou worden doorbroken en de clichés op losse schroeven zouden worden gezet. Maar de slotsom van de vertelling was al aan het begin gegeven, wanneer Juliet in een nachtmerrie een kakkerlak ontdekt die zich op haar hoofdhuid heeft vastgezet en van tussen haar haren triomfantelijk met zijn voelsprieten zwaait. Zij vraagt haar man om hulp maar die ziet het dier niet. Geen wonder, want het is er niet. Het is een droom. Maar een die haar doet beseffen dat dit precies het verschil tussen mannen en vrouwen is: hij wil haar best helpen, maar niet door het verwijderen van ongedierte dat niet bestaat. En zij neemt hem dat kwalijk. Erger nog: zij neemt hem kwalijk dat hij gelijk heeft wanneer hij zegt dat de kakkerlak een hersenspinsel is, een fantoom.
Het is een goedkope Kafka-allusie, die kakkerlak, en alles wat in de ruim tweehonderd pagina’s daarna verteld wordt, is slechts illustratie van een these die al ten grondslag lag aan haar meest spraakmakende non-fictiewerk tot nu toe: Alle dagen moeder (2001), een reeks ongenadige observaties over de lasten van het moederschap. Het gaat over de aanslag op het lichaam en de zintuigen, het slaapgebrek, het gevoel nooit meer van jezelf te zijn en je niet meer op werk te kunnen concentreren zodra er kinderen zijn. Zelfs als je een partner hebt die bereid is zijn eigen loopbaan daarvoor op te geven. En die heeft Rachel Cusk, zo blijkt uit het boek. Haar man verlaat zijn advocatenpraktijk om met haar op het platteland te gaan wonen waar hij kookt, poetst en met de kinderen uit wandelen gaat wanneer Rachel zich in huis op haar manuscript wil concentreren. Maar haar volgende boek, het dit jaar te verschijnen Aftermath, gaat dus over de scheiding en het stuk in Granta geeft er een onthullende voorproef van.
Die hele idylle van seksegelijkheid, het wisselen van rol, de kansen voor haar talent, het was niet meer dan 'een travestie’ die onderliggende, veel diepere beweegredenen verhulde. Het was een verhaal. Het verhaal van zijn redelijkheid dat haar ex-man nu kan vertellen. Het was niet de waarheid. Die waarheid bezit zij, de vrouw, en die luidt dat zij hem in wezen veracht om zijn opofferingsbereidheid. Zij is dan ook woedend dat haar man de kinderen verder wil blijven verzorgen. De kinderen zijn van haar. Zij heeft ze gebaard. En haar machteloze woede bereikt een hoogtepunt wanneer haar raadsvrouwe vertelt dat de gewezen partner nu het recht heeft om alimentatie van haar te ontvangen.
In haar jarenlange slingerbeweging tussen rollen en standpunten laat Rachel Cusk fraai en precies zien op welk punt in het debat over man, vrouw en maatschappij we zijn gekomen. De irrationaliteit regeert.
Dat het voorgaande meer over vrouwen dan over mannen leek te gaan, heeft niet alleen te maken met het feit dat de ene soort niet zonder de andere bestaat en dat de rol van de een nu eenmaal ook die van de ander definieert. Het komt ook voort uit een onwil, mijn onwil om in soortgelijke onzin te vervallen als waarvan sommige pleitbezorgers van het eeuwig vrouwelijke zich bedienen. Ook in het gesprek over mannelijkheid, voorzover het al gevoerd wordt, komt men maar al te vaak met absurde voorbeelden en argumenten om te onderstrepen dat er zoiets zou zijn als een onverwoestbare, aangeboren mannelijke aard. En dat die consequenties zou moeten hebben. Met of zonder permissie: daar geloof ik niet zo in. Er is juist als het gaat om taakverdeling veel meer sekseneutraal dan men in beide kampen voor waar wil hebben.

ELMA DRAYER citeert in haar pamflet Verwende prinsesjes de website van de Werkgroep Moeders die stelt dat het moederschap 'een veelzijdig beroep (is) dat tal van aspecten omvat, zoals baby-, peuter-, en kleuterverzorging, voeding, gezondheid en de behandeling van ziektes, EHBO en voorts het de kinderen bijbrengen van diverse praktische en sociale vaardigheden’. Het vaderschap omvat precies diezelfde aspecten (met uitzondering van de variant 'borst-’ bij voeding). Maar er is geen Werkgroep die 'vaderloon’ eist voor elke Nederlandse man tot zijn jongste kind achttien jaar is. Wat mij betreft komt die er ook niet. Ouderschap is een verantwoordelijkheid, geen beroep. En de taken die erbij horen zijn wel degelijk, met inachtneming van ieders sterke en zwakke punten, evenwichtig te verdelen.
Mannen zijn de afgelopen decennia in de verdediging gedrongen. Niet ten onrechte, en nogal logisch wanneer een emancipatiebeweging groeit en succes boekt. Het is moeilijk om bijvoorbeeld tegenover de wens om meer vrouwen in leidinggevende functies terecht te laten komen een pleidooi voor het tegendeel te stellen. Maar daden en woorden liggen nog wel tamelijk ver uit elkaar. Na de flagellantistische mannenpraatgroepen in de jaren zestig en zeventig en de grote sprong voorwaarts voor vrouwen in de periode daarna lijkt het nu wel heel erg dood tij in het debat. Uit de Emancipatiemonitor, de tweejaarlijkse studie naar de verhouding tussen de seksen van het CBS en CPB, en uit andere onderzoeken blijkt dat vrouwen nog steeds weinig behoefte hebben om meer te gaan werken, ook wanneer die mogelijkheid wordt aangeboden en er thuis geen kinderen (meer) zijn. En dat mannen dat wel best vinden. Dezelfde lusteloze houding dus als 45 jaar geleden, met dit verschil dat jonge vrouwen tegenwoordig gemiddeld hoger opgeleid zijn dan jonge mannen en dus meer kansen hebben op de arbeidsmarkt. Die zij echter onder het motto 'keuzevrijheid’ liever niet of maar voor een deel benutten.
Die vrijheid wordt voor mannen nog steeds niet als vanzelfsprekend beschouwd. Zoals eigenlijk in ieder opzicht het begrip man van zijn voorrechten en positieve connotaties is ontdaan en alleen nog maar lijkt te bestaan in clichés. De man en het begrip 'masculien’ of 'macho’ staan voor het kwaad, voor iets wat uitgebannen moet worden uit de samenleving. Daar lijken zelfs veel mannen het mee eens. De af en toe opflakkerende oproepen tot herwaardering van het begrip mannelijkheid komen niet zelden neer op een lachwekkende vorm van regressie: we moeten dan met onze zonen de wildernis in om dieren de strot af te bijten en zelf vuur te maken. Maar daar heb ik niet zo'n behoefte aan. (En zij ook niet, volgens mij.) Ben ik de enige man die zich volstrekt niet herkent als kluns in het huishouden en als idolaat van voetbal, auto’s en bier?
Het is 2012. De mannen dragen weer baarden. We wachten meer dan een etmaal bij een zieke, dementerende moeder op de huisarts, een vrouw die - zo blijkt - slechts drie dagen per week werkt. Het tijdschrift Opzij (cadeau bij een jaarabonnement: verwen-arrangement met onder meer gezichtsbehandeling, make-up, colorboost lipstick) lanceert intussen de Dag van het Erotisch Kapitaal. De lezeressen worden opgeroepen dan 'hun vrouwelijke kant te benadrukken’. 'Dat kan door je hoogste hakken aan te doen, maar ook door alleen je lippen te stiften of een hooggesloten knalrode blouse aan te trekken.’
Je kunt er meesmuilend op reageren, maar je kunt er ook om glimlachen. En constateren dat de grimmigheid dus misschien wel een beetje uit de lucht is. Zodat er ruimte ontstaat om de verschillen die er zijn naar believen te accentueren en te relativeren. Om rollen niet als een keurslijf of een harnas te zien maar als een spel, waaraan ook best veel plezier te beleven valt. Dat kan alleen als alle spelers zich ervan bewust zijn dat het een spel is en de zekerheid hebben dat ze altijd terug kunnen keren naar de default mode, de standaardinstelling waarin alle rechten en plichten van het predikaat m/v voorzien zijn. Daarin is zorg niet alleen een plicht maar ook een recht; werk niet alleen een recht maar ook een plicht. Die afspraak voorkomt dat mannen en vrouwen gevoelens als wapens gebruiken en instincten als argumenten. Het neemt de eenzaamheid weg uit het begrip onbehagen. Het geeft de vrijheid om met wederzijdse instemming af te wijken van een mathematisch zuivere en daarom onmenselijke splitsing van alle bezigheden op ieder moment, omdat bij een afwijking niets voorgoed wordt weggegeven.
De ontstane vrijheid kan benut worden voor een keur van onderlinge arrangementen. Zelfs voor het klassieke moederkloek- en haantje-de-voorste-schema; maar waarom ook niet tussen consenting adults. Te denken valt ook aan het anderhalvebaan-model dat halverwege de positie wisselt; als de kinderen groter zijn gaat de man parttime werken en de vrouw fulltime. Een hogere pensioenleeftijd voor vrouwen dan voor mannen is een andere optie, die alleen al door de hogere levensverwachting van vrouwen gerechtvaardigd wordt. Maar zoiets zou dan weer niet in een CAO moeten worden vastgesteld of van overheidswege moeten worden opgelegd. Anders dan Joke Smit geloof ik niet zo erg in de emancipatiebureaucratie als initiator van veranderingen. Faciliteren is genoeg. Onze regering heeft maar heel weinig te zoeken in de huiskamer. Politieke denkbeelden en de publieke moraal zijn er om als toetssteen te gebruiken, niet om het privé-leven van burgers te regeren. Net zo min als het privé-leven van politieke denkers geschikt is om als argument te gebruiken tegen hun ideeën.

UIT MARJA VUIJSJE’S mooie en gedegen biografe van Joke Smit maak ik op dat zij een veel slordiger en moeizamer leven leidde dan je op grond van haar heldere betogen zou verwachten. Meneer Kool voelde niet zoveel voor pannenspons en boenlap, de kinderen kwamen door moeders werk en drammerigheid wel degelijk af en toe te kort. Maar wat doet dat ertoe? Smit radicaliseerde in de loop der jaren wel enigszins maar bleef consequent voorstander van dialoog en samenwerking. Ze was geen Dolle Mina, maar oprichtster van Man-Vrouw-Maatschappij. Ze brak met een minnares, onder meer omdat die vond dat MVM mannen moest gaan buitensluiten. Het lijkt een wel erg keurig, D66-achtig standpunt, zo'n typische tekentafelgedachte die weinig recht doet aan de reëel bestaande gevoelens van Henk en Ingrid, wanneer ik pleit voor meer rationaliteit in de verhouding tussen de seksen. Dat beroep op redelijkheid ligt heel dicht bij wat in Het onbehagen bij de vrouw bepleit werd en wel degelijk voor revolutionair werd gehouden. Misschien is het dat ook wel, omdat het zo moeilijk is: je hoofd koel houden en met regels en rollen durven spelen. Als je man bent. Ik bedoel: vrouw.


Dit essay staat in een langere versie in het nieuwste nummer van De Gids (2012/2), een themanummer over 'Het onbehagen van de man’ dat deze week verschijnt