Waarom het toch nog goed kwam met…

Waarom het toch nog goed kwam met…

Waarom het toch nog goed kwam met…

Ella Kalsbeek (1955, Tweede-Kamerlid PvdA)

«Het gekke is: als je opgroeit in een zwaar gereformeerd milieu, dan verkeer je in feite bij voortduring in zonde. Het idee was uitgesloten dat ik een koekje zou pikken. Pas op mijn zeventiende ben ik voor het eerst op zondag vanuit mijn woonplaats Middelburg naar het strand geweest. Op mijn veertiende heb ik voor het eerst gespiekt. Heel bewust passeerde je een grens. Ik werd voorzichtig opstandig. Het drukkende geloof verdween toen ik ging studeren. Op kamers wonen, eigen potje koken, lid worden van een studentenvereniging: ik zoog het allemaal op. Studeren ervoer ik als een enorm voorrecht. In mijn derde jaar plaatste ik mezelf voor de keuze of ik het geloof zou laten versloffen of dat ik er een nieuwe invulling aan moest geven. Ik ben naar een studentenkerkgemeente gegaan. De gesprekken die we daar voerden vanuit de nieuwe theologie waren inspirerend. Je leerde dat zonde en de daarbij behorende genade ook anders benaderd kunnrn worden, namelijk dat je het leven mag leven vanuit éigen verantwoordelijkheid en kansen. Het zondebesef niet als een willekeurig gedetermineerd lot. Vanuit de kerk raakte ik vrij logisch betrokken bij de politiek. Op mijn 21ste werd ik lid van de PvdA, later solliciteerde ik naar een baan als fractiemedewerker. Ik voelde me daar meteen thuis, leuke sfeer, los, niet hiërarchisch.

Je kunt natuurlijk nooit spreken over de jeugd van tegenwoordig. Het bulkt van de kinderen waar het heel normaal mee gaat. Als ik echter kijk naar groepen waarmee ik via Jeugdzorg in aanraking kom, dan zitten daar kinderen en pubers tussen waarmee het onbeschoft slecht gaat. Ik heb de indruk dat dit erger is geworden. Meer algemeen zeg ik: het gaat goed. De generatiekloof is weg en dat is een zegen. Kinderen mogen meer dan vroeger doen wat ze zijn. Als je homo bent, naar de toneelschool wilt, dan kan dat zonder gemor.»

_______________________

Waarom het toch nog goed kwam met…

João Varela (1975, Tweede-Kamerlid lpf)

«Toen ik zeven jaar was heb ik honderd gulden uit de portemonnee van mijn moeder gepikt. Ik zag al voor me wat ik daarvoor kon kopen: héél veel van de gele banaantjes en kleine colaflesjes. Mijn moeder kwam er natuurlijk achter. Mijn hele jeugd ben ik verder superbraaf geweest. Alles stond in het teken van mijn ideaal om top atleet te worden, de Olympische Spelen bereiken. Ik zat aardig op de goede weg, dacht ik, want ik werd Nederlands kampioen verspringen. Mijn jeugd draaide om calorieën, spieren en school. Discipline in sport gaat hand in hand met discipline op school. Als je doelen bepaalt en met jezelf afspreekt die te bereiken, dan hou je veel tijd over. Time management is plan your work, and work your plan. Dat wil ik aan jonge mensen meegeven: doe iets met jezelf, organiseer je dag, je leven. Achter iedere gouden medaille zit een lange weg van zweten en afzien. Iedereen aan de top in de samenleving heeft dat proces doorlopen. Er wordt nu zo ontzettend veel geklaagd! De professionele sport gaf ik op – niet goed genoeg – ik ben gaan studeren en daarna kreeg ik een baan in het bedrijfsleven. Toen kwam ik in aanraking met Pim Fortuyn. Ik had hem geschreven: ‹Ik ben ook een vreemdeling, en ik en mijn vrienden staan achter jouw vreemdelingenagenda. Ga zo door.› Daarna ging het voor mij als in een rollercoaster: keihard en alle kanten op. De nieuwe partij zat in een hogedrukpan, met kinderziektes en al. Nu gaat het prima. Wat ik heb bereikt, heb ik vooral aan mezelf te danken. Niet door te bidden en niet door af te wachten. Ik geloof in persoonlijke power.»

_______________________

Waarom het toch nog goed kwam met…

Boris van der Ham (1973, Tweede-Kamerlid D66)

«Omdat ik nog jong ben, kan ik mijn jeugd nog aanraken. Ik ben altijd min of meer dezelfde gebleven. Ik kom uit zo’n typisch vrijzinnig, links-liberaal nest. Mijn moeder stemde vanaf 1966 D’66, ik bezocht de zondagsschool van de remonstrantse kerk waar de dominee met een wijde wereldblik tegen ons zei dat we de bijbel vooral niet te letterlijk moesten nemen. En we lazen de VPRO-gids. Al jong was ik een grondige democraat: op mijn vijftiende was ik lid van de Jonge Democraten, maar ook verdiepte ik me voor mijn lievelingsvak geschiedenis in Domela Nieuwenhuis, hoewel ik niet zo veel met het socialisme heb. Toen ik in 5-havo zat, heb ik kort een zogenaamde zwarte-trui-periode gehad. Ik zag eruit als wat je nu gothic zou noemen, maar het beperkte zich tot die ene zwarte trui. Je wilde als het ware van buiten naar binnen engagement uitstralen. Na mijn school twijfelde ik tussen de studie geschiedenis en de toneelacademie. Het werd eerst geschiedenis, uiteindelijk toch de toneelschool. Maar de politiek bleef trekken. Ik werd acteur maar combineerde dat met mijn werk als voorzitter van de landelijke Jonge Democraten. Als ik een boodschap zou hebben aan jongeren, zeg ik: leer je wortels en het brede historische kader kennen. Pas dan kun je je ergens tegen afzetten. Wat ik mooi vind aan de generatie die nu opkomt, is dat ze niet dogmatisch zijn. Ik heb nog net een staartje meegemaakt van de wijsneuzige, egocentrische gepolitiseerde symboolpolitiek. Dat ging vaak nergens over, alleen over de eigen ideologische stokpaard jes. Jongeren van nu denken heel praktisch. Ik ben helemaal niet negatief over de huidige jeugd, alleen zeg ik wel: zoek niet altijd de schuld bij een ander, onderneem zelf iets en trek een plan.»

_______________________

Waarom het toch nog goed kwam met…

Kees Vendrik (1963, Tweede-Kamerlid GroenLinks)

«Natuurlijk heb ik vroeger kattenkwaad uitgehaald. Toen ik op het gymnasium in Nijmegen zat, heb ik een keer met een paar vrienden de ruiten van een leegstaand pand in de binnenstad kapot gegooid. Dat was een topervaring. Maar het kwam wel uit. We zijn door de politie uit de klas geplukt en moesten mee naar het bureau. In de cel. Dat maakte enorme indruk op me, vooral toen ze mijn vader belden. Hij zei: ‹Zullen we dat maar niet meer doen.› En daarmee was de kous af. Met alles wat we deden, wisten we impliciet wat de grens was. Stoeptegels gooien is zo’n grens: natuurlijk doe je dat niet.

Mijn politieke wording ligt in de jaren zeventig, in de progressieve, gepolitiseerde periode. Thuis werd tijdens het avondeten heftig gediscussieerd. Mijn vader stemde PvdA en wij vonden dat veel te rechts, want ter linkerzijde van Den Uyl begon het leven pas. Dat vind ik nu niet meer. Cynisch ben ik niet geworden, eerder het tegendeel: ik ben liever strategisch naïef. De meeste vrienden van vroeger zijn net zo. Sommigen zijn rijk geworden, maar zoeken als ondernemer nog steeds naar engagement binnen het bedrijfs leven. Een boodschap aan jongeren van nu heb ik niet, want toen ik jong was had ik zelf namelijk géén boodschap aan de mening van de generatie boven mij. Wat ik wel constateer, zonder oordeel overigens, is dat mijn leeftijdsgenoten tot de laatste talige genera tie behoren. Jongeren groeien op in een beeldcultuur. Het staat ver van me af en vaak verbaas ik me over de enorme beelden rijkdom waarmee zij volwassen worden. Mijn gebrek aan herkenning is soms lastig, maar tegelijk weet ik dat dit niet hoeft te betekenen dat zij geen engagement zouden hebben. Het is alleen anders.»

_______________________

Waarom het toch nog goed kwam met…

Gerda Verburg (1957, Tweede-Kamerlid cda)

«Op de mavo in Bodegraven was ik al een organisatietype. Altijd bezig met het regelen van acties, ludieke dingen en feesten. Niet voor een kleintje vervaard, weinig gezags getrouw. Bij grappen liep ik voorop. Een keer vroor het, en ik schreef op het schoolbord: ‹Vanaf heden ijsvrij›. Iedereen verliet de school. Alleen, de conciërge had mij betrapt. Terwijl de hele school op het ijs stond, zat ik met véél straf binnen. Ik was onafhankelijk en kwam op voor de zwakkeren, maar ik was niet geëngageerd in de zin van de linkse politiek van toen. Ooit heb ik erover gedacht om lid te worden van de PvdA. Maar toen ik een partijcongres bijwoonde, schrok ik. Veel grote woorden – sociaal, solidariteit, gelijkheid – maar alles werd van bovenaf gestuurd. Het gelijkheidsideaal was een doel op zich, hoe ongelijk dat in de praktijk ook kon uitpakken. Het maakbaarheidsdenken als oplossing voor problemen leeft nog steeds ten onrechte binnen de PvdA.

Ik hou van een oplossinggerichte aanpak, wat zeker te maken heeft met mijn roots. Ik groeide op in Zwammerdam, op een boer derij, in een ARP-gezin met tien kinderen en er was altijd veel aanloop. Jongens en meisjes werden volstrekt gelijk opgevoed, iedereen draaide mee zowel in het huishouden als op de boerderij. Ik heb God niet leren kennen als een straffende, maar als een liefhebbende God, die ons heeft geschapen met talenten die benut mogen en moeten worden. De stelregel van mijn ouders was: eerst weten wat je zelf kunt en dan pas kun je anderen helpen. Zorgen voor jezelf en zorgen voor je medemens zijn voor mij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als ik iets zou willen zeggen tegen de huidige jeugd, kom ik uit bij mijn eigen achtergrond: zorg dat je jezelf kunt redden en hecht nooit te veel aan een groepsdruk waardoor je van alles moet, met als risico je zelfrespect te verliezen.»

_______________________

Waarom het toch nog goed kwam met…

Bas van der Vlies (1942, voorzitter Tweede-Kamerfractie SGP)

«Wie heeft niet een jeugdzonde op zijn geweten? Niets menselijks is mij vreemd. Ik heb bijvoorbeeld een keer met vriendjes appels gepikt bij de buren. Of een touwtje spannen over de weg. Ik kan een hele bak kattenkwaad opentrekken. Mijn vader reageerde daar meestal sportief op, maar zei wel: ‹Je mag een ander nooit kwaad doen.› Die grens kende ik goed.

Ik heb idealen gekoesterd waar ik door mijn ouders van afgehouden ben. Mijn droom was de grote zeevaart. Ik ben opgegroeid in Middelharnis en zag de schepen komen en gaan. Dat wilde ik ook. Mijn ouders hebben me daar door middel van overreding van afgehouden. Ze zeiden: ‹De wilde vaart, dat loopt uit de hand, een gezin past niet in dat plaatje.› Ik koos ten slotte voor een studie weg- en waterbouwkunde. De christelijke opvoeding was mijn kader, mijn ankerplaats. Nooit ben ik op een moment gekomen om dat op te geven. Mijn kinderen lopen in hetzelfde spoor. De jeugd van tegenwoordig gun ik een veilige, geborgen plek zoals ik vroeger zelf had. Daar begint de overdracht van normen en waarden. Mensen hebben een levensoriëntatie nodig, welke dan ook, om duiding, houvast en structuur te krijgen. Ik behoor niet tot het slag dat zegt dat de jeugd van tegenwoordig niks is. Met 85 procent van de jongeren gaat het goed, maar wel blijkt uit onderzoek dat van die vijftien procent die ontspoort er veel uit ontwrichte gezinnen komen. Ook denk ik wel eens dat de beeldcultuur erg vluchtig is en geen substituut kan zijn van lezen. We hoeven nu heus geen ach en wee te roepen; deze generatie vindt haar eigen weg. Maar als het lezen van literatuur en vormende boeken afneemt, zal dat zijn tol eisen.»