Brief aan mijn vrienden van WOinActie

Waarom ik niet actievoer voor de universiteit

Lezing op de Erasmus Universiteit, oktober 2008 © Merlin Daleman/Hollandse Hoogte

Verschillende mensen hebben mij gevraagd mee te doen met WOinActie, met het uit protest tegen vermeende bezuinigingen op het universitair onderwijs door de overheid dragen van een rood vierkantje en het geven van college in de buitenlucht. Middels deze brief wil ik uitleggen waarom ik niet meedoe. Dat ik niet meedoe is niet relevant, maar misschien dragen mijn redenen bij aan andere, betere eisen.

De eisen van WOinActie komen neer op: meer geld voor universitair onderwijs. Maar weet je, ik vertrouw jullie niet. Misschien omdat ik jullie ken, me herken in jullie. Ik ken jullie acties en jullie reacties. En dus ben ik bang dat jullie meer geld willen om hetzelfde te blijven doen. Ik kan die eis onmogelijk steunen. Meer geld? Voor deze universiteit? Waarom eigenlijk? Is het zo verheven wat we doen? Het is een fabriek als elke andere toch? En daarbij: wij hebben ons werk zelf zo ingericht, waren jullie dat vergeten?

Ik wil hier dus twee dingen benoemen die afwezig zijn in jullie actie: 1. wij zijn in de eerste plaats degenen die ons werk zo hebben ingericht dat er werkdruk is; 2. voordat we over geld voor dit werk praten, moeten we over het werk zelf praten. Ik doe dat omdat we vrienden zijn, met liefde voor de universiteit, en vriendschap verplicht tot waarheid.

Eerste punt, de werkdruk. Eén reden om me niet thuis te voelen bij deze ‘actie’ is dat het gezelschap onfris is (het rode viltje heeft in de loop der jaren een domesticatie ondergaan, zo lijkt het?). Jullie protest is inmiddels iets waarin de universitaire normalo’s, de bureaucraten, de papertjestellers, de academische stropdasmannetjes en de bestuurders zich prima thuis voelen. Jullie zijn blij met de ‘steun’ van onze werkgevers, maar zijn zij het niet die, samen met onszelf (want wij zijn vaak de bestuurders), onze werkdruk organiseren, die onze concurrentie- en extractiesystemen sponsoren, aanjagen en legitimeren? Het komt universitair bestuurders maar wat goed uit dat naar de overheid gekeken wordt. Hun eigen prioriteringen en profileringen, hun eigen NWO’tje spelen in de verdeling van gelden en hun eigen inzetten op internationale studenten werven, komen niet in beeld met deze actie.

Maar hoe komen jullie er eigenlijk bij dat meer overheidsgeld de oplossing is voor onze werkdruk? Denken jullie werkelijk dat de universiteit een organisatie is die op een vaste hoeveelheid werk ingericht is? Is de universiteit niet in de eerste plaats een op competitie ingerichte organisatie, die bij elk beschikbaar budget de druk maximaal opvoert? Meer geld betekent meer ‘output’, niet minder werkdruk. De logica van de universiteit is die van kapitaal: meerwaardeproductie. Zoals ook automatisering niet voor minder werk heeft gezorgd. Alleen is de universiteit een old school organisatie: weinig automatisering, veel extractie uit arbeidende lichamen. Marx zou zeggen: meerwaardeproductie op de universiteit betreft in de eerste plaats absolute meerwaarde.

Dat is wat jullie ‘werkdruk’ noemen. Het heeft in de eerste plaats te maken met de manier waarop macht en middelen binnen de universiteit georganiseerd en gedistribueerd zijn. Met de disciplines die de boventoon voeren, en die de bureaucratische ‘discipline’ aanjagen waar we allemaal in participeren. En met de posities die we bezetten, en die we afschermen, waar we drempels voor opwerpen, rites de passage, en waaromheen we competitie organiseren – want jezus wat is het allemaal gewichtig en belangrijk wat wij kunnen! Voordat je naar de overheid kijkt voor geld dat die machtsmachine in gaat, en dus naar alle waarschijnlijkheid dezelfde machtsmechanismen reproduceert, zouden jullie dus een verhaal moeten hebben over datgene waarin wij allemaal, op asymmetrische manieren, in participeren. In plaats daarvan: notabelen met rode viltjes, heren die zich bij wijze van protest verwaardigen buiten college te geven, iets dat alleen maar het genormaliseerde binnen waar ze geld voor vragen onderstreept. Nee maar, de academische plein air-revolutie is begonnen! Het is wachten op het universitair postimpressionisme…

Jullie actie is reactionair, en dat is typisch voor de universiteit, een van de oudste en dus meest conservatieve instituties ooit, stelde Clark Kerr, oud-president van University of California al in 1963. Praktisch dezelfde klachten als nu hoorbaar beschreef hij toen in The Uses of the University. Misschien zeggen jullie: ‘Wij zijn ook voor een andere universiteit, wij zijn ook tegen competitie!’ Maar dan vraag ik me simpelweg af waarom jullie geld vragen voor deze universiteit. En ik vraag me af waarom we die competitie zelf zo georganiseerd hebben, en welk nut het heeft om naar de overheid te kijken. Er is namelijk geen minister geweest die gevraagd heeft om cv’s met ellenlange lijsten met Engelstalige artikelen, of om oneindige toenames van internationale studenten. À propos: dat is deels hoe jullie het niet evenredig stijgen van de rijksbijdrage voor de universiteiten (tussen 2009 en 2016 ruim dertien procent erbij) presenteren als het dalen van de uitgaven per student (het Rathenau Instituut biedt hier een overzicht van de cijfers).

Niemand in Den Haag heeft ook de perverse puntentellingen bedacht die iedere afdeling of faculteit wel heeft – als dat zo was, zat er waarschijnlijk meer harmonie in de puntensystemen. Dat er een wildgroei van afrekenmethodes is, heeft te maken met het feit dat het overal academici zelf zijn die de manieren uitvinden om zichzelf in hiërarchieën te plaatsen. Overal zijn wij het, die de systemen kalibreren die onze ‘winnaars’ lauweren middels de permanente terreur waarmee alle ‘niet-winnaars’ het gevoel krijgen daadwerkelijk verliezer te zijn. We hangen zelfs tv-schermen op de werkvloer op om de druk op te voeren door die en die te feliciteren met de volgende bullshit achievement – nooit iets inhoudelijks op die schermen, altijd alleen het geld, het ‘binnenhalen’ van project of prijs, de reputatie. Nooit het vermogen, altijd het kapitaal. Schermen met status.

Zo ben ik al bij het tweede punt aangekomen, het werk zelf. Jullie hebben het over de werkdruk maar bevragen het werk niet. Waarom zou er meer geld moeten naar de universiteit? De universiteit die institutioneel seksisme en racisme reproduceert met een hardnekkigheid die elders moeilijk te vinden is. De universiteit die haar uiterste best doet om ook onder het ‘open access’-regime corporate parasieten hun surplus extractie te gunnen (door middel van de ‘gold standard’ in ‘open access’ publiceren, waarbij ‘article processing fees’ van arbitraire grootte betaald worden aan uitgevers die ons nog steeds het werk laten doen). De universiteit die haar personeelsbeleid effectief aan externe onderzoeksfinanciers heeft ge-outsourced (volgens de formule: [NWO of ERC beurs = vaste aanstelling]) – en dan klaagt dat er werkdruk is in het onderwijs (volgens de formule: [NWO of ERC beurs = nauwelijks onderwijs geven]). De universiteit ook, die geen enkele kijk heeft op haar verhouding tot en mogelijke participatie in maatschappelijke publieken, anders dan ofwel het ‘kennis voor groei’ ofwel het ‘wij zullen het nog eens uitleggen’ (de arrogantie van de ‘outreach’ en de ‘wetenschapscommunicatie’ die het gegeneraliseerde lekenpraatje is). De universiteit die bij gebrek aan idee van de universiteit al enige decennia het lege ‘excellence’ rondblaast – en excellence is het tautologisch antwoord op wat goed is. De universiteit vol mensen in posities van dominantie maar met een theatrale fetisj voor de underdog, de onderdrukte, de uitgebuite. De universiteit die plaats biedt aan intelligente mensen maar die zich in haar organisatie en allocatie volledig laat leiden door de willekeur van de ongeïnformeerde studiekeuzes van zeventien- en achttienjarigen. Dat laatste is een van de genormaliseerde gektes van de universiteit: hoe meer studenten inschrijven, hoe groter een studie is. Maar zijn er – om een voorbeeld te noemen dat voor mij dicht bij huis is – jaarlijks honderden bedrijfskundigen, economen en psychologen nodig? Al die eenzijdig opgeleide geld-, groei- en pathologiegefocuste jonge mensen, is dat hoe de universiteit het beste bijdraagt aan een waardig leven? De keuze hierin helemaal geen beredeneerde keuze te maken, is dat hoe de universiteit bijdraagt aan een waardig leven? Deze universiteit heeft de programma’s voor de voorbereiding van destructie samengevoegd met de programma’s voor de zogenaamde emancipatie van de geest. Meer geld voor die universiteit? Waarom?

En waarom hebben wij ons werk zo ingericht? Wij zijn verslaafd aan hiërarchie, aan reputatie, aan individuatie van prestatie, van publicatie, van credits, van aandacht. Ons autonome ‘peer review’ kritiekchauvinisme gaat zo ver dat je, zelfs als je protesteert, jezelf nog een lintje geeft. Wij hebben een fallische fascinatie met academische hiërarchie die zich niet door zo’n rood schaamlapje laat verbergen. Wij hebben onszelf georganiseerd in fabrieken van overwegend witte mannelijke zelffelicitatie. En we hebben zelf de evaluatiesystemen ontworpen die erop gericht zijn om die vormen van middelmatigheid te belonen en te bestendigen die in staat zijn geweest dominantie te verwerven.

Mij wordt soms verweten dat ik niet ‘realistisch’ ben, maar dat is een compliment dat ik nauwelijks waar kan maken; ik participeer in de universiteit. Ik krijg soms ook als reactie: ‘Als je het hier zo haat, waarom ga je dan niet weg?’ Maar het punt is: vrijwel iedereen houdt van de universiteit en haat het hier, leert te haten. Haat iedereen die minder, ander, onder is; iedereen die meer, beter, boven is; haat zichzelf, dat haat, dat altijd maar onzeker blijft, altijd weer bevestiging wil, altijd aandacht, altijd reputatie. Dat is wat de orde van de universiteit doet en cultiveert, en de ‘meer geld’-reflex cultiveert die orde, financiert hem beter, voorziet de organisatie van afgunst van beter budget.

Dus let’s face it: jullie willen meer geld zodat je meer onderzoek kunt doen. Het is de truc die iedereen die ‘docent’ wordt, toepast: fondsen werven zodat je zo snel mogelijk exact dat nauwelijks nog hoeft te zijn: docent, iemand die doceert.

Want er is niets in jullie ‘actie’ en eisen te vinden dat naast de wens van een ander universitair budget wijst op de wens van een andere universiteit. Niets dus, om het vermoeden weg te nemen dat jullie onze welbekende reflex vertonen: meer mensen voor onderwijs betekent meer personeel onder aan de academische ladder, meer mensen om te domineren. Guter Wille zur Macht, vrienden. Hoe durven jullie, simpelweg geld te vragen, alsof er verder niets mis is met de institutie waarvoor jullie geld vragen? Jullie hebben liefde voor onderwijs, ik twijfel er niet aan. Maar wat is dat waard als onderwijs niet ook in een gemeenschap bestaat die door liefde wordt vormgegeven, door zorg voor elkaar en voor de Aarde, in plaats van door autoriteit, individuatie en hiërarchie?

Weet je, ik ben die reflex zat. Dat ‘geef ons geld en laat ons met rust’. Het is een vrijbrief voor de reproductie van institutioneel seksisme, voor de reproductie van koloniale scheidingen die zich in eenzijdige kennis en in institutioneel racisme uiten, voor de reproductie van een bureaucratisch, corporate staatsdenken dat ‘hoger onderwijs’ heet, en voor de reproductie van een ‘wetenschap’ die zich Aarde toe-eigent voor roekeloze operaties. ‘Nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek’ heet dat doorgaans, alsof de wereld er is voor goed gefinancierde wetenschappers om hun neus en hun handen in te wroeten daar waar de willekeur ze brengt. Fuck ‘nieuwsgierigheid’. Gierigheid is het. Geef ons geld.

Belangrijker voor jullie is dat ik niet de enige ben die die reflex zat is. Jonge mensen, eerste uitvoerders van het onderwijs, trappen er steeds minder vaak in, is mijn indruk. En wil je je in ‘Den Haag’ belachelijk maken? Voer dan nog een keer het stereotype op van de academicus die meer geld wil en met rust gelaten wil worden. Doe dat dansje maar. Ze kunnen het onderhand zelf invullen. Slechte PR dus, deze reflex. En ‘Den Haag’ heeft half gelijk. Natuurlijk, wat veel politici nu van de universiteit willen, is kwaadaardig, geen discussie daarover. Maar hun gelijk ligt in het doorprikken van de afzondering, de uitzondering, de ‘laat ons met rust’-reflex, dat wat we met veel Verlichtingsaplomb gewend zijn ‘autonomie’ te noemen. Maar autonomie is geen met rust gelaten worden, maar het vormgeven van publieke relaties (jawel, PR), het opgaan in publieken, het gezamenlijk componeren van werelden in plaats van het uitleggen hoe de wereld eruitziet aan ‘het publiek’. Zulk componeren vergt ook een kijk op de strijd van anderen, de strijd van de ‘publieke sector’ als geheel, en van iedereen die een precaire toekomst tegemoet gaat waarin het soort kennis dat wij mede produceren soms kan helpen. Het enige dat autonoom is of kan zijn, is zulke collaboratieve compositie, en die is niet gebaat bij universitaire ‘autonomie’ zoals die tegenwoordig als conservatieve reactie verdedigd wordt.

Hij gaat natuurlijk terug op een Verlichtingsclaim, die autonomie. Maar houdt die claim stand? Is de universiteit een plek van Verlichting? Met Stefano Harney en Fred Moten, auteurs van The Undercommons, denk ik van niet. Want van de universiteit gaat op geen enkele manier iets uit dat niet altijd al in de orde ingevoegd is, omdat de universiteit het wilde denken altijd al heeft gedomesticeerd, omdat de universiteit een corporate organisatie is, een logistiek van studenten, credentials en skills, eerste producent van staatsdenken, fabriek die en masse de bewaarders van de orde uitschijt. Protest daartegen is prima. Maar onder huidige omstandigheden kan het geen protest uit naam van de universiteit zijn; het moet een afwijzing zijn van het hele idee dat de reëel bestaande universiteit een plaats van Verlichting is of kan zijn. Wij moeten niet meer geld voor deze universiteit willen; wij moeten deze universiteit niet meer willen. Fred Moten zegt het zo:

‘the university is fucked up. (…) The point is: it’s fucked up here, how can we think about it in a way to help us organize ourselves to make it better here? (…) Everybody is pissed off all the time and feels bad, but very seldom do you enter into a conversation where people are going, “why is it that this doesn’t feel good to us?” There are lots of people who are angry and who don’t feel good, but it seems hard for people to ask, collectively, “why doesn’t this feel good?”’

In plaats van die vraag, komen jullie nu met budgeteisen. Ik kan daar niet aan meedoen. Daar zijn we nog niet. Jullie knippen vilten vierkantjes uit die je aan je toga hangt, maar het probleem is de toga, en waar die voor staat. Als we die collectief gaan opknippen, doe ik mee.