Niet zeuren over kunstbezuinigingen

Waarom ik niet demonstreerde

Dick Tuinder liep niet mee in de ‘mars der beschaving’ en zweeg toen Nederland schreeuwde om cultuur. Want waarom bedient de kunstwereld zich van dezelfde holle kreten als de populistische politiek?

ER ZIJN genoeg goede redenen om het niet eens te zijn met de bezuinigingen op de kunsten. Toch demonstreer ik niet. Door geen van de oproepen om mee te doen voel ik me aangesproken. Sterker, ik voel me er als kunstenaar en kunstconsument nauwelijks door vertegenwoordigd. Door gesprekken met collega’s in de afgelopen maanden weet ik dat ik niet de enige ben.
De argumenten om de kunstenbegroting min of meer onaangetast te laten zijn zowel praktisch als symbolisch. Inhoudelijk zijn ze sinds 1848 nooit meer geweest. De praktische kant van de zaak is dat het systeem zoals het in de loop van decennia is ontstaan goed functioneert. Voor budget waarvan men op andere ministeries slechts een paar honderd meter metrotunnel maakt, wordt een complete deeleconomie gefaciliteerd. Het is een financiële stimulans met bewezen effect op de detailhandel, de horeca en het toerisme. Puur uit economische overwegingen is die negenhonderd miljoen per jaar dus al een goed idee.
Daarnaast deugen de artistiek inhoudelijke argumenten voor de bezuinigingen niet. De globale gedachte daarachter is weliswaar helder als smeltwater - geen onnodig geëxperimenteer voor halflege zalen - maar streeft iets na wat onmogelijk is, namelijk ‘normale kunst’. Normale Nederlandse kunst als het even kan.
Ten slotte moet ik bekennen dat ik persoonlijke argumenten heb omdat ook ik, dankzij subsidies, in de afgelopen jaren films, boeken en tentoonstellingen heb kunnen maken. De kans is reëel dat ook ik, in mijn persoonlijke praktijk, de effecten van de bezuinigingen zal ondervinden. En toch loop ik niet mee in de 'mars der beschaving’ en steek ik geen rookbommen af, en heb ik gezwegen op de dag dat Nederland schreeuwde om cultuur. Ik ben het om uiteenlopende redenen niet eens met de voorgestelde bezuinigingen, maar kan mij tegelijkertijd in bijna geen van de tegenargumenten herkennen.
Een kleine bloemlezing uit de oproepen tot protest: 'Wij trekken op naar Den Haag om te tonen dat wij staan voor onze beschaving. Een beschaving zonder toekomst is een toekomst zonder beschaving.’ (marsderbeschaving.nl)
'Wij zien een dor, verlaten landschap voor ons, waar eenzaam en dreigend een handjevol topinstellingen staat. Wij constateren dat deze regering een afschuwelijke en onherstelbare fout maakt. Geen politiek die zijn jongeren en zijn kunstenaars minachtte, is ooit in staat geweest om te overleven. Geen één. Wij zijn de toekomst. Onderschat ons niet.’ (petitie: manifest van een bedrogen generatie)
'Na zeshonderd jaar van ontwikkeling en vooruitgang - ingezet tijdens de Renaissance - zal Nederland opnieuw in een Dark Age aanbelanden.’ (Sonic Acts)
Ook de media zijn niet vies van oorlogstaal. In een commentaar schreef Joost de Vries in De Groene Amsterdammer onder de kop 'Zijlstra’s nieuwe elite’ dat er niemand is die 'eraan twijfelt dat de kwaliteit en de dynamiek van kunst in Nederland onherroepelijke schade wordt aangedaan’. Met instemming haalde hij NRC Handelsblad aan, dat sprak van 'de ontbladeringstactiek van Zijlstra’, waarbij De Vries het betreurde dat men als beeldspraak niet 'Agent Orange’ had gebruikt. 'Het chemische middeltje dat in de Vietnamoorlog werd ingezet en niet alleen bomen ontbladerde, maar ook de begroeiing op de grond vernietigde, de inheemse diersoorten verjoeg en het grondwater vergiftigde, zo zeer dat de bevolking er generaties later nog steeds ziek van wordt.’
Los van het feit dat het nogal ver gaat om kunstenaars uit vrije wil te vergelijken met complete dorpen die worden uitgeroeid, is de toon van het artikel symptomatisch voor de wijze waarop, van beide zijden, de zogenaamde discussie wordt gevoerd. In de plannen voor en de protesten tegen de kunstbezuinigingen vliegen betekenisloze begrippen als grote hompen abstracte kunst over en weer - 'kaalslag’, 'elitekunst’, 'linkse hobby’, 'de donkere Middeleeuwen’, 'het einde der beschaving’ zelfs - zonder dat duidelijker wordt waar het nu eigenlijk over gaat. En dat heeft niet alleen met de ongelukkig gekozen metaforen te maken.
Van de kant van de populistische politiek is dat soort jargon begrijpelijk, maar waarom bedient ook de kunstwereld in haar repliek zich van dit soort holle kreten, en wordt er bijna nergens gesproken over nieuwe mogelijkheden, nieuwe vormen, andere podia? De verklaring daarvoor is dat de discussie namens de kunsten voornamelijk gevoerd wordt door museumdirecteuren, theatergroepen, festivalorganisatoren en uitbaters van zalen. Door instanties kortom die allemaal vastzitten aan een gebouw, stookkosten, personeelslasten en een vierjarenplan. Men kan eenvoudig niet anders denken.
Ik heb er geen cijfers van bij de hand, maar iedereen die de afgelopen vijftien jaar wel eens in een museum is geweest, heeft de verandering met eigen ogen kunnen zien. Er lijkt eigenlijk nauwelijks een maximum capaciteit aan de bezoekersaantallen te zitten. Iedereen die een kaartje koopt wordt in de zalen gepropt. De museumshop en het café nemen bij elke nieuwe renovatie een steeds prominentere plek in. Dit heeft alles met overleven en geld verdienen en het behagen van sponsors te maken, en daar is wellicht niets mis mee, maar te zeggen dat het om cultuurbeleving gaat, om de beschaving en om instituten die de kunst levend houden, vraagt wel om heel veel goedgelovigheid.
Het tot übersymbool uitgroeiende drama van de verbouwing van het Stedelijk Museum in Amsterdam is op meer dan één manier kenmerkend voor dit verkrampte denken. Toen het Stedelijk een tiental jaar geleden moest uitwijken naar een tijdelijke locatie gebeurde er iets wonderbaarlijks. Voor de klassieke museumopstelling was het voormalige postkantoor aan de Oosterdokskade een ramp, maar het gebouw zelf functioneerde uitstekend. In de kelder kunstenaarsinitiatief W139, op overige verdiepingen kleine bedrijfjes en ateliers en onder het dak een voor Amsterdamse begrippen vrij spectaculaire multifunctionele ruimte. Wanneer het hier om een levende kunstvorm was gegaan, had men kunnen concluderen dat men op de plaats van bestemming voor althans de komende halve eeuw was aangekomen.
Maar de zalen kwamen er niet tot leven, net zoals ze in het uitgebreide museum, als dat ooit nog opengaat, vermoedelijk ook nooit tot leven zullen komen. Simpelweg omdat de musea zich in de laatste twintig jaar, een cruciale revolutionaire periode in met name de beeldende kunsten, van de kunst zelf af hebben bewogen. Het grootste probleem was natuurlijk dat het museum onbereikbaar was voor de bussen die de ladingen bezoekersvlees moeten afleveren.
Eenzelfde doemscenario tekent zich nu af voor het Eye Film Institute. Een nieuw multifunctioneel complex met vier bioscoopzalen verrijst momenteel aan de noordzijde van het IJ in Amsterdam. De exploitatie daarvan is gebaseerd op nogal overspannen prognoses van bezoekersaantallen en een ooit toegezegde jaarlijkse subsidie die nu ter discussie staat. De vraag is waarom dat nieuwe gebouw er moest komen. In Amsterdam zijn er al meer dan vijftig bioscoopzalen. Zou het niet veel beter zijn om andersoortige cinema juist in het hol van de commerciële leeuw in plaats van in een duur en moeilijk bereikbaar gebouw te vertonen? De naamsverandering van Filmmuseum naar Eye Film Institute alleen al heeft net zo veel gekost als een leuke mid-budget speelfilm.

HET IS een populistisch misverstand dat kunstenaars per definitie graag de marge opzoeken. Onbegrepen en gedoogd door een beleefd publiek. Ik ken bijna niemand die dat tot zijn 65ste heeft volgehouden.
Zelf maak ik sinds een jaar of vijf, naast mijn werk als kunstenaar, filmmaker en schrijver, met enige regelmaat illustraties. Ik heb dat nooit als iets minderwaardigs gezien. Als men mij voor de keuze zou stellen waar ik liever mijn werk vertoon: in het museum of in een tijdschrift, kies ik voor dat laatste. Omdat het een levende biotoop is, met een reëel publiek. Bovendien betaalt het werk weliswaar weinig, maar nog altijd veel meer dan ik ooit van een museum heb ontvangen voor vertoond werk.
Ik begrijp dat de situatie wellicht lastiger is voor een acteur of een violist. Die laatste wil in een orkest, en zo'n orkest moet een gebouw met verwarming. Maar ook daar is de situatie zelden rondom de uitvoerend kunstenaars ingericht. De meeste muzikanten van orkesten werken op deeltijdbasis, met kortlopende contracten en moeten zich al met bijlessen, eigen kamergezelschappen en commerciële schnabbels in leven houden. De vraag is of dit erg is.
Hoewel nooit bewezen is dat - zoals het volksgeloof wil - armoede goede aarde is voor kunst, is evenmin onomstotelijk vast komen te staan dat deugdelijke arbeidsvoorwaarden dat wel zijn. Want wat gebeurt er met zo'n muzikant die een contract heeft voor drie dagen en die in popbandjes speelt, met dichters optreedt en af en toe iets voor een commercial doet? Die ontmoet werelden waarmee hij anders wellicht nooit in contact zou komen. De wereld is geen gebouw. De kunst is geen gebouw. Uiteraard is zo'n soort bestaan onrustig en trekt het vaak een zware wissel op het persoonlijke leven. Maar dat is tenslotte de vrije keuze van die kunstenaar. Een kunstenaar zeurt wel, maar klaagt niet.
De actuele ophef gaat ten slotte ook voorbij aan het gegeven dat de wereld nog nooit zo kunstvriendelijk en vormgegeven is geweest als heden ten dage. Dit zijn de gouden tijden voor de kunst. Alle lijnen liggen open. Het is aan de kunstenaars om nieuwe podia te gebruiken en vorm te geven. Kunst die niet tegen een stootje kan, hoort in een reservaat en niet in een levende biotoop. Subsidie is gratis geld. Als je het krijgt is het mooi, maar het mag nooit een noodzaak zijn, en nimmer de reden waarom je begint of stopt met het maken van kunst.
Er zijn kortom goede argumenten waarom de overheid geld uit zou moeten geven aan het ondersteunen van kunst. Het is een van de snelste manieren om geld in circulatie te brengen en het heeft allerlei leuke bijeffecten, waarvan sommige misschien zelfs nuttig kunnen zijn. Er is echter ook geen enkele reden voor een regering om dat wel te doen. Wanneer zij, democratisch gekozen, kiest voor volkssporten en megafestaties is het haar opdracht om daaraan uitvoering proberen te geven. Het is aan de zich bedreigd voelende kunstwereld om zich daartegen teweer te stellen. Dat doe je niet door als de eerste de beste postbode die geen andere optie heeft te gaan demonstreren of te schreeuwen in de camera of te gaan zwaaien met vlaggen.
Kunst is voortdurend aan verandering onderhevig. Dat is haar kracht. Uit het dubieuze protest tegen de kunstbezuinigingen komt het beeld naar voren alsof het juist haar zwakte is. Dat is niet het beeld waarin ik mijzelf als praktiserend kunstenaar en actief consument kan en wil herkennen.