Waarom ik niet van de God van Nederland houd

Nescio beent de hollandsheid uit tot de hel waar de boodschap boven de poort van Dante’s Inferno op zijn plaats is: ‘Er is geen hoop voor wie hier binnentreden.’ Nescio lezen is een existentiële confrontatie.

Nescio, red. Lieneke Frerichs, Verzameld proza en nagelaten werk . € 25,00

Toen ik onlangs weer aan het werk van Nescio begon, verheugde ik me op zijn schitterend Nederlands. De schrijver die vijftien jaar geleden zo'n grote indruk op me had gemaakt moest weer eens herlezen worden. Het is zeer genoeglijk en nuttig voor iemand die niet in zijn moedertaal schrijft om zijn tweede ‘schrijftaal’ zo nu en dan af te stoffen van de waan van de dag door te rade te gaan bij de klassieken. Literair fundamentalisme is zo gek nog niet.Mijn Nederlands kreeg zonder meer een flinke opknapbeurt, maar er gebeurde nog iets waar ik niet op was bedacht. Het mooiste boek uit de Nederlandse literatuur bleek tevens het doodvonnis te zijn voor de Nederlandse literatuur. Kennelijk had ik vijftien jaar Nederland nodig om dat te begrijpen, of was mijn Nederlands destijds niet goed genoeg. Kennelijk ben ik nog altijd wars van het beroepsmatig lezen en weiger ik een boek als een autonoom kunstwerk te beschouwen. De literatuur is voor mij nog altijd, heel ouderwets, een kwestie van leven en dood.
Hoe moeilijk de taal van Nescio is, besef je pas als je hem probeert te vertalen. Het zit ’m in zijn 'hollandsheid’. Niet in die exotische hollandsheid die zo interessant is voor de geürbaniseerde burger en de buitenlandse markt, met beschrijvingen van realia en specifiek Nederlandse leefgemeenschappen, die je met de hulp van woordenboeken en Google adequaat in een andere taal kan weergeven. De hollandsheid van Nescio is van een heel andere orde. Zijn hollandsheid dient als substituut voor de zin voor het tragische, de meest onhollandse eigenschap die er maar is. En juist deze tegenstelling tussen dat Hollandse en onhollandse, dat burgerlijke en antiburgerlijke, weet hij te coderen in een taal waarin geen tussenwoord neutraal is, geen woord nietszeggend, geen zin vrijblijvend. Het is de taal van de existentie. Met zijn zuiver Hollandse stilistiek beent Nescio de hollandsheid uit tot de hel waar de boodschap boven de poort van Dante’s Inferno op zijn plaats is: 'Er is geen hoop voor wie hier binnentreden.’
Geestelijke ontreddering was het laatste wat ik van een Nederlands boek verwachtte, te meer daar er maar weinig lokale romanciers zijn die mijn existentie op haar grondvesten kunnen doen schudden. De meeste van hen zijn toch de vleesgeworden God van Nederland, te bedaard, te cerebraal of te realistisch om enige storm in mijn organisme teweeg te kunnen brengen. En zoals de Russen zo mooi zeggen: 'Van kussen alleen krijg je geen kinderen.’
Zoals iemand die net een vervelende diagnose van de dokter heeft gehoord, ging ik op zoek naar lotgenoten. De zoektocht leverde weinig op. Jazeker, alle ondervraagden zonder uitzondering vonden Nescio prachtig en sommigen citeerden zelfs complete zinnen uit het hoofd, maar daar bleef het bij. Het was veelal een vormkwestie, vermoedde ik, van de gruwelijke materie die de schrijver zo ingenieus in de taal had gecodeerd scheen niemand op te kijken. Waarom deed ik zo dramatisch? Wat was er eigenlijk aan de hand? Het was gewoon de realiteit, werd me meegedeeld, je stond erbij, je keek ernaar en je lachte er zelfs om, want zo geestig en knap heeft Nescio het allemaal opgeschreven. Maar ik kon er niet om lachen, ik werd er grimmig en wanhopig van en het feit dat de meeste ondervraagden de studentenleeftijd ruimschoots waren gepasseerd - de jeugd leest Nescio niet meer - en derhalve onder de noemer vielen van de stakkerig wijs geworden Titaantjes, bracht geen verlichting.
Zelfs mijn bewondering voor de taal van Nescio kreeg een bittere smaak. Want juist dankzij zijn duivelse talent was het hem gelukt om de diffuse en ongrijpbare werkelijkheid tot die verschrikkelijke essentie terug te brengen die hier voor iedereen, behalve voor mij, even vanzelfsprekend bleek te zijn als het opkomen van de zon. Namelijk dat er geen plaats is voor poëzie in het land waar een tante uit Delft of Oldenzaal de scepter zwaait, en den jongeheer Bovenkerk, een boekhouder uit Amsterdam, en een bollenhandelaar uit Hillegom met dikke rode gladgeschoren wangetjes, en al die andere nette, hardwerkende burgers die geregeld roepen dat ’t leven geen roman is en nog iets over hun belastingcentjes en kunstenaars. De favoriete profeten van de God van Nederland, die hen bij bosjes naar beneden stuurt om zijn woord te laten verkondigen.
Ik kon er niet meer onderuit, ik moest die werkelijkheid eindelijk eens onder ogen zien. Als een verwaande struisvogel had ik hier twintig jaar rondgefladderd, meewarig de woorden van die profeten in de wind slaand die beweerden dat er geen verschil was tussen een pak wasmiddel en een boek, immers het bestaansrecht van beide werd door de markt bepaald.
Tot ik weer Nescio uit de kast haalde en bij hem diezelfde pre-Andy Warhol-boodschap las, maar nu met zo'n schoonheid en kracht verkondigd dat ik hem wel moest geloven. De wereld van Japi, Titaantjes en ’t dichtertje heeft hij gedistilleerd in een schitterende maar ijskoude druppel die met de regelmaat van de klok op je kruin blijft vallen. Telkens op diezelfde plek. Als in een oude Chinese marteling waarbij het slachtoffer binnen de kortste keren gegarandeerd waanzinnig wordt.
Alsof dat niet genoeg was, voegde Nescio de daad bij het woord. Dat was te verwachten, want zijn meesterwerk is een requiem. Hier rookt de gedoemde schrijver zijn ultima sigareta - vandaar ook die onhollandse intensiteit die niet vatbaar is voor herhaling.
Was Nescio opgehouden met schrijven om herhaling te vermijden? Wilde hij niet meer te veel naar de lucht staren om de tante uit Delft of Oldenzaal en meneer Volmer, hoogleraar in ’t boekhouden en de bedrijfsleer, niet tegen het hoofd te stoten? Vluchtte hij van zijn gave in het leven om niet krankzinnig te worden? Wilde hij zijn Coba en kinderen na zijn dood goed verzorgd achterlaten? Was hij gewoon de Hollander die de ernst des levens verkoos boven de Spielerei van de gedichten zonder eind? En was hij een tijdlang anoniem gebleven om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen naar de mensheid en de overgebleven dichtertjes toe? Hoe dan ook, het grootste verraad dat een schrijver kan plegen.
Nee, ik bedrijf hier geen naïef biografisme, ook al hussel ik feiten en fictie door elkaar. Door de God van Nederland te gaan dienen is Nescio zelf over de esthetische afstand heen gestapt die zijn verhalen tot een literair meesterwerk maken en riep hij vragen op waarop alleen het leven zelf antwoord kon geven.
De vervloekte vraag van alle Russen aller tijden 'Wat te doen?’ rees bij mij weer in alle hevigheid. Ik voelde me opeens in een postume godsdienstige oorlog verwikkeld met een dode schrijver. Kennelijk was ik een gelovige, kennelijk handelde ik volgens de geboden die zo diep in mijn bewustzijn waren verankerd dat ik er simpelweg geen idee van had. En heeft Nescio ze, als een volleerde psychoanalyticus, naar boven gehaald en zo mijn super-ik opgezadeld met ongewenste vragen. Wat was mijn geloof? Geloofde ik dat de literatuur de wereld kan veranderen? Dat zij de enige scheppende kracht is die de mens boven zichzelf kan verheffen? Ook die tante uit Delft of Oldenzaal, die nu in Velp stil leefde, de zaak had ze immers al verkocht? Waren mijn schrijvende collegae deze rudimentaire fase al lang ontstegen? Waren ze eigenlijk ooit Titaantjes geweest? En was ik niet gewoon een wandelend Oost-Europees anachronisme, een variatie op zo'n verheven naïeveling met de hoge cultuur in het vaandel, die geen enkel oog heeft voor de reële verhoudingen? Zo iemand over wie Milosz schreef dat ze het maar moeilijk hadden in het Westen, waar ze slechts een van de vele attracties waren, samen met dieetgoeroes, ex-heksen en gelukkige bipolaire huismoeders, in een grote carrousel ter vermaak van de zich vervelende burgerij? Immers, in hun landen van herkomst hadden ze tot voor kort een missie gehad en konden ze zich met hun talent nuttig maken, door de Methode te bezingen oftewel haar monsterachtige gelaat te ontmaskeren. En konden ze zo in de grootste luxe baden waar een schrijver in het Westen maar van kan dromen - in de onmisbaarheid van hun werk.
Wie weet, was Bavink niet in het gesticht geëindigd als hij de zon van de revolutie had mogen schilderen of had Bekker in plaats van in export-import te gaan, na het uitlekken van zijn anti-Methode-gedicht, hetzelfde verschrikkelijke maar allesbehalve banale lot ondergaan als bijvoorbeeld de in de Goelag verdwenen dichter Mandelstam.
Nu mijn geloof in de literatuur, na jaren ontkenning van de realiteit, door Nescio aan het wankelen werd gebracht, werd het me duidelijk waarom zoveel mensen in het Westen, ondanks duizenden boeken en getuigenissen, hun ogen gesloten hielden en nog altijd houden voor de verschrikkingen van het communisme.
Jazeker, uit gevoeligheid, gemakzucht, onwetendheid, psychologisch comfort tenslotte waar we allemaal zo gesteld op zijn, maar vooral uit angst om hun geloof te verliezen in de mens, door geconfronteerd te worden met de monsterlijke kanten van het mensenras waartoe ook zij behoren. Het was hetzelfde mechanisme dat nu ten grondslag lag aan mijn verwarring, diezelfde angst om greep te verliezen op de wereld, al stelde dat zotte geloof van mij in de literatuur natuurlijk niets voor vergeleken bij het heilige geloof in het goede en het nobele in de mens. Maar het gaf mij wel, als elke gelovige, de hoop om mij, psychisch althans, staande te houden in een maatschappij waar alles met de bovengenoemde helse carrousel meedraaide.
Had schrijven nog wel zin? Waarom deed je het nog? Voor intellectuele zelfbevrediging? Om spelletjes te spelen met de taal? Om mooie zinnen te maken? Om de grote kunstenaar uit te hangen en je zo te onderscheiden van de domme massa? Om God uit te hangen en je personages schaterend met harde hand naar hun ondergang te leiden? Om je ongelukkige jeugd te beschrijven of de crisis van je bewustzijn? Om misstanden aan de kaak te stellen? Maar doet de onderzoekjournalistiek dat niet veel efficiënter?
Want verheffen of veranderen kun je toch niet, alles stroomt en verandert in dit land vanzelf, op zijn dooie gemak. De zon kan hier nog zo vlammen alsof de revolutie moet beginnen, alsof ze in Amsterdam al bezig zijn de kantoren af te breken, de revolutie zal hier toch nooit uitbreken. Maar juich, juich dichtertje, straks hoef je niet je gedicht zonder eind aan de Methode op te dragen om je vege lijf te redden.
Alles stroomt en verandert in dit land vanzelf, alles gaat hier zijn gangetje, maar wel onder het strenge toezicht van de God van Nederland. Gelukkig maar. Koekebakker wordt een manager, Bekker schrijft zich in bij de KvK en wordt startende ondernemer maar wel met een aparte slag omdat-i vroeger 'een geestelijk leven geleid heeft’, Hoyer kiest voor de carrière van cultureel ondernemer en gaat later in de politiek om Kunst aan het Volk te brengen, die zal zeker gedijen, Kees verruilt met z'n vrouw en kinderen de benauwde luchten voor een doorzonwoning. Er is tenslotte een nieuwe tijd aangebroken van 'baanbrekend optimisme’ en 'frissche daadkracht’.
En Japi? Ach, die is gewoon de uitvreter, man, en een loser, daar is niets mee te beginnen, net als met die gekke Bavink die dacht dat-ie God kon vangen op een brokkie linnen met verf.
Of ze het weten of niet weten, of God ze liefheeft of niet, allen worden ze door hem opgegeten, beschaafd en liefdevol, met kleine stukjes en met een vork en een mes, zonder die bloederige gulzigheid waarmee de barbaarse goden hun kinderen opvreten. De zin voor het tragische krijg je niet cadeau.
Maar zie, daar loopt iemand, in Rotterdam, in deze wanstaltige stad, waar je nog niet dood gevonden wil worden. Daar loopt iemand die het ook weet, maar die misschien gespaard zal blijven. Het dichteresje!

Nescio
Verzameld proza en nagelaten werk
Van Oorschot, 900 blz., € 25,-