Waarom ik, ondanks alles, wél bij de universiteit blijf

Eelco Runia maakte recent in NRC Handelsblad bekend met een ‘eenregelige e-mail’ zijn ‘riante baan’ aan de universiteit Groningen te hebben opgezegd. ‘Het belangrijkste negatieve effect van het marktcredo is de sluipende deprofessionalisering van de stafleden.’ Collega Mineke Bosch herkent veel van Runia’s kritiek, maar trekt andere conclusies.

Medium 20090529 academiegebouw groningen nl

Er is een tijd geweest waarin ik de wet Modernisering Universitaire Bestuursstructuur (de MUB) met gematigd optimisme heb begroet. Ik hoopte dat het professionelere bestuur en transparantere management dat de MUB beloofde de oude cultuur van het old boys network zou kunnen opschudden. Na twintig jaar kunnen we echter constateren dat de ‘moderne bestuursstructuur’ volledig is vastgelopen. Ondanks de grotere autonomie van de universiteiten ten opzichte van Den Haag heeft de overheid via een ingenieus spel met ‘de markt’ inderdaad wel meer greep gekregen op de universiteit en haar professionals, maar die beweging is meteen ook doorgeslagen.

De professionals zijn beteugeld en murw gemaakt, en zitten voor een groot deel tegen de overwerktheid aan. Een strenge beroepsethiek weerhoudt velen van hen ervan zich ziek te melden. Hoogleraren zijn verworden tot doorgeefluik van maatregelen die soms door Den Haag, soms door het college van bestuur of het faculteitsbestuur worden opgelegd, op grond van verwachte studentenaantallen. In de afdelings-, cluster- of programmabesturen doen zij hun uiterste best om met de opgelegde maatregelen te woekeren, hier en daar te protesteren en in de uitvoering het een en ander glad te strijken. Een kleine daling van de inschrijving kan al leiden tot paniek, net als een tegenvallende ranking of plaats in de jaarlijkse hoger-onderwijsenquêtes.

Een visitatie van het onderwijs kan daarbij een hele afdeling behoorlijk onder druk zetten, zo ook de afdeling waar Eelco Runia werkte en waarvan ik destijds voorzitter was. Na anderhalf jaar te hebben gewerkt aan een zelfstudie waarbij we slechts uit de verte werden ondersteund door onderwijsexperts, die net als wij werden overvallen door een nieuwe zakelijkheid in het visitatiewezen, werd ons programma als onvoldoende beoordeeld. De commissie die dat deed is in kleine kring berucht geworden om het grote aantal onvoldoendes dat aan afdelingen geschiedenis in het land werd uitgedeeld. Een belangrijke rol in de afkeuring speelde het feit dat we de examencommissie nog niet voldoende op afstand hadden gezet zoals nieuwe wetgeving niet lang daarvoor had bepaald.

De gevolgen voor de docenten waren groot en voor de afdelingscultuur desastreus. Niet alleen werd door aanscherping van de leerlijnen het onderwijs verder gestroomlijnd en losgemaakt van individuele inbreng en expertise, ook de impact van stringentere borging van de kwaliteit van de beoordeling heeft een groot stempel gedrukt op de onderwijspraktijk en de werkcultuur. In onze afdeling hebben alle inspanningen uiteindelijk geleid tot de zo vurig begeerde en noodzakelijke heraccreditatie, maar ook tot een verziekte werksfeer die tot een reeks pijnlijke taferelen heeft geleid.

In ons geval heeft de visitatie de werksfeer en de werkcultuur geërodeerd, maar ook meer in het algemeen heeft de papieren meet- en regeldrift die uiteindelijk samenkomt in de visitatie ertoe geleid dat universitaire docenten met hun expertise vaak geen kant meer op kunnen. Zo wordt hen tot in detail voorgeschreven hoe hun onderwijs eruit moet zien. Studiehandleidingen voor werkcolleges beslaan in mijn vak nu vaak twintig tot dertig pagina’s die niet zozeer over de inhoud gaan, maar vooral over de learning goals van de opleiding die ze volgen, de doelen die in dit specifieke college worden gesteld, de onderwijsmethoden die gebruikt worden, de criteria waarop de studenten worden beoordeeld en hoe er wordt getoetst. Ook wordt in de studiehandleiding verantwoording afgelegd van de opgegeven taken en de tijd die daarvoor staat.

Docenten moeten dus bij het maken van onderwijs een veelvoud van achterliggende notities raadplegen: over gehanteerde terminologie in de opleiding, over de tijd die staat voor het lezen van artikelen en boeken of over de hoeveelheid pagina’s die als bron moeten zijn gelezen voor een werkstuk van een bepaalde omvang enzovoort. Paradoxaal genoeg blijkt dit soort handleidingen de studenten vaak onzekerder te maken, waardoor zij voortdurend nog meer uitleg verlangen en de verantwoordingsbehoefte vergroten.

Docenten worden vervolgens op hun onderwijsprestaties beoordeeld door deze vaak onzekere studenten die meestal te goeder trouw en met oprechte inzet voor de opleiding hun oordeel geven, maar die - zeker ook wel - uit rancune en onzekerheid bagger uitstorten over de - vrijwel zonder uitzondering! - hard werkende docenten die al door tig beoordelingsronden zijn gegaan en blijven gaan. Een belangrijk probleem is natuurlijk dat studenten - zeker in hun eerste jaar - niet zoveel inzicht hebben in wat goed en minder goed onderwijs is. Begrijpelijkerwijs is aan hen de nuance vaak niet besteed, om niet te spreken van de traditionele voorkeuren voor de daden van grote mannen en veldslagen die ver af staan van de academische geschiedbeoefening. Ook zijn er nogal wat studies voorhanden die laten zien dat studentenoordelen vaak een enorme genderbias vertonen.

Als de studenten ontevreden zijn en de beoordeling niet goed uitpakt voor een docent komt eerst de opleidingscommissie (waarin docenten en studenten de kwaliteit bewaken) eraan te pas, daarna de examencommissie. Beide hebben inmiddels door de wet een zekere autonomie verworven ten opzichte van het programma en de afdeling en de faculteit waarvan zij deel uitmaken, wat bestuurlijk gezien lastige situaties oplevert. Het betekent bijvoorbeeld dat een examencommissie die gaat over het bewaken van de borging van de kwaliteit van de opleiding, met de beste bedoelingen, strengere regels kan opleggen voor bijvoorbeeld een scriptiebeoordeling dan de collega’s in het afdelingsbestuur of in andere afdelingen of zelfs het faculteitsbestuur/de decaan nodig vinden. In onze afdeling heeft dat mede onder de schaduw van de visitatie geleid tot een grondige procedure die tijdrovend is voor de docenten en niet zelden ontaardt in gedoe en zelfs tranen.

Dit alles is natuurlijk niet alleen het gevolg van nieuwe bestuurs- en managementstructuren en de toegenomen marktwerking in het hoger onderwijs. Het is ook een gevolg van de toenemende financiële druk op de gedecentraliseerde universiteiten en faculteiten, die met name op de geesteswetenschappen een enorme wissel hebben getrokken. Hier is domweg sprake van politieke onwil om het grote belang van kennis van de cultuur in al haar veelkleurigheid te begrijpen. Die financiële druk heeft geleid tot voortdurend veranderende berekeningen van onderwijsuren, waardoor de werklast van docenten steeds verder werd verzwaard. In onze faculteit besteden wij zestig procent van onze aanstelling aan onderwijs (in andere faculteiten of universiteiten is dat soms nog vijftig procent, vroeger was het veertig procent). Voor een vak van 5 ects (een onderwijsjaar telt 60 ects = 1680 studie-uren), krijgt een docent 0,05 fte (1 fte = een voltijdse aanstelling). Je moet dus 12 vakken van 0,05 ects geven (een werkcollege met studiehandleiding van 7 weken, twee uur in de week college, nakijken van diverse kleine opdrachten en een groter werkstuk).

Dat betekent bij een jaarbelasting van 1695 uren (dit normbedrag voor docenturen werd per 1 januari weer verhoogd) dat je daar 85 uur voor krijgt. Dan moet je je goed beraden over wat in die tijd haalbaar is om te doen. Zeker omdat tegenwoordig ook de colleges onderling aan intervisie onderworpen zijn en ook daar de transparantie leidt tot een tijdrovender beoordelingspraktijk. Dat is goed voor het zicht op de gehele opleiding, maar gaat uiteindelijk ten koste van de interactie tussen docent en student.

In de rest van de tijd moeten we hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek doen, artikelen opgenomen krijgen in liefst Engelstalige peer reviewed tijdschriften en aanvragen doen bij NWO, de ESF of het Europese onderzoeksprogramma HO2020. Voor veel van die subsidie-instrumenten is de slagingskans heel erg laag, te laag om over het grotere geheel rendabel te kunnen worden genoemd. Daar komt bij dat, zoals het Rathenau-instituut heeft aangetoond, voor iedere geslaagde aanvraag vanuit de universiteit steeds meer geld moet worden opgehoest dat eigenlijk voor onderwijs is bedoeld. Ook wordt iedere medewerker geacht in onderzoekstijd peer reviews te doen voor wetenschappelijke tijdschriften, onderzoeksaanvragen of onderzoeks- en onderwijsinstituten in binnen- en buitenland, en plaats te nemen in commissies in de eigen faculteit of NWO. De gedachte is dat iedereen dat voor elkaar moet doen omdat peer review nu eenmaal de basis vormt van de kwaliteitsbewaking van het onderzoek.

Voor de begeleiding van PhD’s wordt in onze faculteit geen tijd gegeven. Wel krijgt de hoogleraar voor iedere afgeleverde doctor een bedrag rond de vier- à vijfduizend euro van de promotiebonus van zeventig- à tachtigduizend euro in een naar eigen inzicht te besteden potje. Gek genoeg is het bedrag voor de hoogleraar afhankelijk van de hoeveelheid promoties in dat jaar: hoe meer promoties, hoe kleiner het bedrag!, en van de eventuele wens om nog een tweede begeleider daarvan wat te geven of buitenlandse leden van de commissie of de corona daarvan te laten overkomen.

Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat we niet allen voortdurend bij de dokter zitten of er en masse de brui aan geven of in staking gaan. Voor een deel komt dat natuurlijk doordat de meesten van ons gedreven worden door inhoudelijke fascinaties en er - laten we wel wezen - ook heel mooie kanten zitten aan ons vak, afgezien nog van de voor velen van ons ook aantrekkelijke aspecten die er verbonden zijn aan een vaste (fulltime) aanstelling met een goed inkomen en pensioen. Ik prijs me er gelukkig mee en ervaar deze zekerheid als een bron van vrijheid waar generaties vrouwen voor mij niet van konden dromen.

Daarnaast staan we in contact met talloze inspirerende collega’s in binnen- en buitenland, die wij bijvoorbeeld digitaal een lezing kunnen laten geven vanuit UCLA of de Central European University. Ook dat ervaar ik als een fantastische verrijking van mijn werk en leven. Kortom, ik zie bij mezelf en bij vele van mijn collega’s een bijna tomeloze inzet om zich te blijven engageren met het vak, en daardoor met het onderwijs dat er zeker niet op achteruit is gegaan. Aan de verantwoordingsplicht zitten echt ook goede kanten. Wie voor dit werk gekozen heeft weet tenslotte dat werkdagen van twaalf uur niet ongebruikelijk zijn, en dat het weekend en vakantiedagen veelal geofferd worden.

Toch is er een grens aan het vermogen om te blijven incasseren, en die wreekt zich in de universitaire cultuur. Ik zie dat heel veel mensen om het vege lijf te redden wel voor zichzelf moeten kiezen, ten koste van vernieuwingsdrang en solidariteit. Ik zie ook dat sommigen dat beter kunnen dan anderen, of daar beter mee wegkomen dan anderen. Veel van mijn collega’s zijn cynisch geworden en verbazen zich over de anderen die nog wel engagement met de instelling of het programma kunnen opbrengen. Dat is dus uiteindelijk het ergst: de regeldruk, de werklast en het georganiseerde wantrouwen, maar het pijnlijkst van deze drie is toch het wantrouwen: van ‘de managers en het bestuur’ ten opzichte van de docenten, van de docenten ten opzichte van de managers en het bestuur, van studenten ten opzichte van docenten en omgekeerd, én van de docenten onderling. Sluipenderwijs is het sociale weefsel aangetast, het vertrouwen in elkaar uitgehold en versleten.

Eelco Runia is natuurlijk net als wij allen onderdeel van de fnuikende neergang van het universitaire onderwijs. Maar anders dan de meesten van ons heeft hij ervoor gekozen om weg te gaan. Blijkens zijn essay in NRC Handelsblad heeft hij nu eindelijk de vrijheid kunnen nemen, maar ook de behoefte gevoeld om zijn daad publiekelijk te legitimeren, en dat levert een voor ons allen bevrijdend debat op. Maar de duiding van zijn probleem met de universiteit alleen in termen van het sinistere samenspel van markt en overheid is ontoereikend. Want het is natuurlijk allemaal waar wat hij zegt, maar het is niet de gehele waarheid, omdat het maar een gedeelte is van de werkelijkheid waarin wij leven.

En die bestaat voor mij anders dan voor hem niet uit een zwart-wittegenstelling tussen wij (ik) en zij, ondanks de negatieve ervaringen die ook ik heb opgedaan als gevolg van de falende ‘moderne universitaire bestuursstructuur’ en die mij niet in de koude kleren zijn gaan zitten. Ik kies er dan ook voor om te blijven omdat ik de universiteit nooit als vanzelfsprekend heb kunnen zien, en ik mijn werkleven lang in verschillende functies heb geprobeerd te begrijpen hoe de academie werkt en wat eraan kan worden verbeterd. Ik wil blijven proberen van binnenuit samen met collega’s en studenten het politieke tij te keren en het vertrouwen terug te winnen - in meerdere opzichten. Ik blijf hopen dat dat lukt: voor het onderwijs dat er wordt gegeven en de wetenschap die er wordt bedreven, voor de vrouwen en de mannen die er werken, en natuurlijk vooral ook voor de studenten.


Mineke Bosch is hoogleraar moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen