Interview met Wim T. Schippers

‘Waarom is er niet niks?’

Weinig geesten zijn zo lenig als die van Wim T. Schippers, beeldend kunstenaar, tv-programmamaker, toneelschrijver, stem van Ernie. Hij wil alles wat hij doet goed doen. ‘Ik doe niks er een beetje bij. Heb juist last van het volledigheidssyndroom.’

Medium laag 20water

Een interview, dat is toch eigenlijk een samenwerkingsverband, vindt Wim T. Schippers. Ik vraag, hij antwoordt, in het beste geval ontstaat er zelfs een gesprek. Vervolgens gaan we allebei naar huis, en zijn alle gesproken woorden ineens mijn eigendom geworden. Kan ik ermee doen wat ik wil. Natuurlijk; Schippers mag het stuk van tevoren lezen. Maar dan nog. Hoeveel kun, mag, wil je er dan in en aan veranderen? Want jezelf overleveren begint eigenlijk al bij het maken van een interviewafspraak. Op die dag, op die tijd en die plek gééft Schippers een interview. Ik krijg het dus van hem. Maar toch: van wie en door wie is het eindresultaat precies? Dat krijg je met zo’n lenige geest als die van Schippers. Niks is wat het is, of lijkt, of hoeft dat te zijn. Alles had net zo goed niet kunnen bestaan. Daarom ziet Schippers het leven graag als een spel. En dat kun je maar beter met zo veel mogelijk plezier spelen. Dus volgt er een scène voor het bedienende meisje en de klant Schippers. Meisje: ‘Wilt u nog wat drinken?’ Schippers: ‘Drinken, drinken? O! Tja, wat ik net hierin had was eigenlijk wel lekker, dus doet u dat nog maar een keer.’ ‘Wat had u, cappuccino?’ ‘Nee espresso. Toch? Ja. ESSpresso. Ik ben wel eens weggelopen toen een ober “expresso” zei. Want dan zal die koffie ook wel niet goed zijn.’

Een andere keer verontschuldigde Schippers zich voor het per ongeluk leeggedronken hebben van zijn kopje; of hij misschien een nieuwe koffie mocht. Kwam in een van de vele tv-programma’s die hij maakte. Ook eindigde hij zijn bestelling eens met ‘en vlug een beetje’. Ober beledigd. Totdat Schippers een script te voorschijn haalde en daarmee liet zien dat dat zinnetje uit een stuk kwam. Toen vond de ober het weer wel leuk. Wat bewijst dat alles ook altijd anders kan zijn. Dus waarom zouden we deze versie van het leven zo serieus nemen?

Daarom werkt Schippers graag in het café. Daar gebeuren dingen, je komt er nog eens iemand tegen, kunt situaties uitlokken. Verzinsels uitproberen. Zonder dat mensen weten dat hun reacties op onverwachte opmerkingen (‘En?’ aan een dame die terugkwam van de wc) wellicht ooit een plek krijgen in een toneelstuk of televisieserie.

Waarom zou je je laten interviewen, haalt Schippers Hugo Brandt Corstius aan. Als je wat te zeggen hebt, dóe je dat toch. Zelf, ergens, op een of andere manier. Waarom moet dat via iemand anders in De Media komen? Maar ja, nood breekt wetten. Of beter: om kunst aan de man te brengen kom je er niet onderuit. Want het lijkt alsof het belang dat aan een kunstproductie wordt gehecht, staat of valt met de hoeveelheid aandacht van kranten, tijdschriften en tv. Het was niet genoeg om te maken wat je wilde maken. Het ding op zich heeft eerst een spotje nodig voordat het zich kan gaan bewijzen. Het zij zo.

Dus werkt Schippers mee aan publiciteit. Om wereldkundig te maken dat hij weer een toneelstuk heeft geschreven: Wuivend graan. Vanaf oktober tot en met januari door heel Nederland te zien. Over de grote geleerde en begenadigd spreker Henrik van Woerdekom, die een lezing geeft over ethiek. Waarin grote vragen voorbij komen: wat doen wij ertoe? Wat is het goede, wat het kwade? Mooie theorieën heeft Van Woerdekom erover. Die krakend en schurend in botsing komen met de praktijk als blijkt dat de vier belangrijkste vrouwen in het leven van de spreker onverwacht ook onder de toehoorders zijn. Zijn moeder, vrouw, dochter. En vriendin. Zie je daar maar eens uit te redden, met je mooie praatjes.

‘De zinloosheid van het bestaan is een leuk thema’, vindt Schippers. Hij heeft de tekst van het stuk meegenomen in een plastic tas. Want over Wuivend graan zal het gaan, zo heeft Schippers zich voorgenomen. Hij zal netjes antwoord geven op de gestelde vragen. Maar het script komt pas halverwege ons gesprek te voorschijn – geschreven tussen 2002 en 2007, versie 20 – want er is zo veel méér om het over te hebben.

Bussum bijvoorbeeld, het dorp waar Schippers – in 1942 in Groningen geboren – van zijn vijfde tot zeventiende woonde. Of zijn lagere school, gevestigd in een prachtig gebouw, Amsterdamse School-achtig. Ja, daar had de kleine Wim oog voor. Want anders dan de meeste mensen, dat was hij toen al: ‘Al die vragen over waarom is er dit en dat. Waarom is er niet niks? Als jongetje vond ik het raarder dat er íets is.’

Met een hoofd dat zo mooi kan dwalen en veel vindt, mis je ook wel eens wat. Zo moesten Wim en zijn klasgenoten op een van de eerste schooldagen een taak in een boekje maken. Rekenen of taal; dat weet Schippers niet meer. Hoe dan ook, de schoolbel ging, iedereen had zijn werk af en mocht naar huis. Alleen Wim was nog druk bezig. En leverde na een tijdje stevig doorwerken ook zijn boekje in. Helemaal af. Had hij als enige niet begrepen dat het alleen om het maken van één taak ging.

Leren klokkijken, ook zoiets: ‘Raar toch eigenlijk, een grote en een kleine wijzer, en dan is die grote niet eens de belangrijkste.’ Wim snapte het niet, zei van wel, moest op de gang gaan kijken hoe laat het was en dat aan de juf komen vertellen. Wim vroeg het aan een passerende oudere schoolgenoot, ging de klas weer in, de juf kwam achter zijn handigheid en bestrafte hem voor zijn ‘oplichterij’. Belachelijk, vindt Schippers nog steeds: ‘Er is afgesproken wat ertoe doet, en daar word je voor beloond. En niet voor een zelf gevonden alternatieve methode. Waarom?’ Die instelling maakt het leven niet per se simpeler. Maar gelukkig voor Schippers komt hij niet van de sombere kant. Want eenzaam is hij wel geweest, als kind. Verbanden niet begrijpend die voor verder iedereen glashelder zijn: ‘Hoezo bidden voor m’n zonden? Ik heb toch niks verkeerd gedaan?’

Toneelstukjes opvoeren op zolder, dat deed Schippers graag. In moeders oude bontjas, en dan vallen in een teil met water. Althans, dat was het plan. Maar het mocht niet, uit angst voor lekkage. Dan maar nepwater gemaakt van honderden krantensnippers en oude spoorboekjes: ‘Heel gestileerd, ik werd er wel vindingrijk van.’ En die mooie snippers werden na afloop uit het raam gestrooid, het leek wel sneeuw. Jammer alleen dat alles terechtkwam in de tuin van de buren en het vervolgens ging regenen. Met een gazon vol grijze pap als gevolg.

Belangrijk voor Schippers was zijn goede opa: ‘Een leuke kerel.’ Eentje die kon vliegeren, namaak-Frans sprak, tijdens het bidden stiekem een gekke bek trok naar zijn kleinzoon. ‘En mijn redding is geweest dat ik aardig kon tekenen. Daardoor kwam ik op de Amsterdamse kunstnijverheidschool terecht. Maar ik wil niet klagen en ik ben ook niet verbitterd. Schrijf je dit nou allemaal op, die onzin? Over Wuivend graan gaan we het hebben.’

Medium hoogwater 20voorheen 20laagwater

Het kwam door Titus Muizelaar. Die regisseerde in 2000 Zonder titel, Schippers’ stuk voor Toneelgroep Amsterdam. En hij bleef in de loop der jaren zitten prikken. Of Schippers niet weer iets kon schrijven. Een stuk met een rol voor Titus, en een paar leuke vrouwen om zich heen. ‘Hij heeft het echt uit me getrokken. Als ik iets wil doen of zeggen, heb ik verschillende manieren om me te uiten. Voor mij hoeft dat niet per se in een toneelstuk te zijn. Ik maak beeldende kunst; mijn huis is nu een chaos want er moet van alles af. Vorige week speelde ik met een orkest weer een paar keer Egmont in een bewerking van een tekst van Goethe die ik zelf heb gemaakt.’ Schippers staat op en zingt een stukje voor.

En er is meer: ‘Paul Haenen en ik willen weer een nieuwe plaat als Bert & Ernie maken. Sowieso heb ik allerlei plannen met Ernie.’ Waarna Ernie ineens tegenover me zit. Die niet eens zo veel verschilt van Schippers zelf. ‘Ernie is makkelijk om te spelen.’ Er volgt een lofzang op de twee _Sesamstraat-_poppen, die door Haenen en Schippers zo goed begrepen werden dat de oorspronkelijke bedenker Jim Henson hen de vrije hand heeft gegeven in het maken van platen. ‘Ik vind het ontroerend dat Bert paperclips spaart en dat hij schaakt met duiven. Hij wil steeds boeken lezen, terwijl Ernie de straat op wil, proeven nemen, de moed er altijd in houdt, ook al gaat er een autootje kapot. “Dat is juist fantastisch Bert, want nu kunnen we garagetje spelen!” En dan speelt Ernie ook nog trompet, net als ik.’

Want muzikaal begaafd is Schippers ook. ‘Als kind heb ik zangles gehad. En van m’n vader moesten we piano leren spelen. Dus wilde ik trompet. Trompettist, dat had ik eigenlijk best willen worden. Maar iets worden, daarvoor is het nu misschien een beetje te laat.’

Schippers lijkt dat oprecht jammer te vinden. 65 is hij, maar hij oogt en gedraagt zich leeftijdsloos. Bril scheef op zijn neus. Is een jongetje en een man tegelijk. Die zo levendig, nieuwsgierig en inventief is dat het helemaal niet raar klinkt als hij zegt ook wel natuurkunde te willen studeren. Fantaserend, denkend en doend groeit hij zichzelf bijna boven het hoofd. ‘Mijn lijfspreuk is een beetje: waarom zou uitgerekend ik dat nou niet kunnen? Zo veel verschillen hersenen niet van elkaar. Natuurlijk heeft de een meer aanleg voor iets dan een ander. Maar iedereen kan behoorlijk piano leren spelen bijvoorbeeld. Ik vind dat vastpinnen zo raar.’

En dan wil Schippers ook nog alles wat hij doet zo goed mogelijk doen: ‘Ik doe niks er een beetje bij. Heb juist last van het volledigheidssyndroom. Zo heb ik voor Wuivend graan de geschiedenis van de ethiek bestudeerd, Kant gelezen, me verdiept in moraliteit, in de boeken van chimpanseeonderzoeker Frans de Waal, me gebogen over vragen als: “Wanneer kunnen we van een mens spreken?” Dat zit natuurlijk allemaal niet letterlijk in het uiteindelijke stuk, maar ik moet eerst alles weten. Ik heb er zelfs twee van de dertien gastcolleges aan besteed die ik vorig jaar aan de Universiteit van Tilburg gaf.’

Dus werden studenten – behalve op een excursie door ‘groot Tilburg’, omdat je anders leert kijken als je geen doel hebt; ‘volkomen wezenloos zijn kan wat opleveren’ – getrakteerd op Schippers’ denkbeelden. Hij bouwt ze waar je bij staat, ze lokken andere ideeën uit, en binnen afzienbare tijd zijn dan ongedachte sprongen gemaakt van de ene Grote Vraag naar de andere. ‘Een kat gelooft niet in God. Waarom een mens wel? Als ik zeg dat alles hier bestierd wordt door een literblikje snijbonen schudden mensen het hoofd, want dat is belachelijk. Maar als je zegt dat God het doet, kan het wel. Er moet een evolutionaire reden zijn waarom mensen in God geloven. Maar men draait het om: God is er, dús. Néé; het is raar om God op die manier te introduceren.’

Schippers is moe, zegt hij, daarom praat hij zo veel. ‘Hyper.’ Hij lijkt er met al zijn energie, enthousiasme en toewijding behoorlijk in te slagen verscheidene levens in zijn ene bestaan te proppen. Maar dat het leven niet eeuwig is, begint inmiddels tot hem door te dringen: ‘Hoewel. Ik moet er toch ook nog steeds een beetje aan wennen dat niet alles tegelijk kan. Maar ik heb nog zó een rij beeldende kunstplannen. Carrièrematig heb ik dingen wel een beetje verloochend. Misschien was het slimmer geweest me ergens in te specialiseren. Maar daar komt ook routine aan te pas, elke dag weer oefenen. Op je trompet, op het tekenen van een vrouwenbeen; de vorm van die kuit. Daar ben ik te rommelig en te weinig gedisciplineerd voor. En eigenlijk vind ik het raar dat de dingen die je doet niet op zichzelf beoordeeld worden, maar in een maatschappelijke bedding moeten passen. Als iets dan succes heeft, kom je op basis daarvan weer ergens anders. Maar ik probeer bij alles wat ik doe altijd weer kaal te kijken. Volgend jaar ga ik operette zingen; verheug ik me nu al op.’

Wuivend graan is van 3 oktober t/m 20 januari 2008 te zien; speellijst: www.hummelinckstuurman.nl

Beeld: Bowie Verschuuren (6 januari 2015)