Hoe slim is China? Innovatie

‘Waarom is hier geen Steve Jobs?’

Voor duurzame economische groei moet China meer innoveren. Maar die missie kan alleen slagen als Peking ruimte geeft aan vrij ondernemerschap. Durft de communistische partij dat aan?

TOEN THOMAS FRIEDMAN, de gelauwerde columnist van The New York Times, Tong Chee Hwa vroeg om in drie zinnen de geschiedenis van de Chinese economie samen te vatten, had de voormalige leider van Hongkong weinig bedenktijd nodig. ‘Tijdens de industriële revolutie lag China te slapen. Tijdens de ICT-revolutie waren we half wakker. Aan de groene revolutie gaan we volop deelnemen’.
Wie door China reist, vraagt zich af of de groene revolutie er ooit gaat komen. De smog boven de grote steden laat zich alleen door windkracht 7 verdrijven en de grote rivieren stromen grijs en levenloos naar de zee. De vervuiling gaat nu ook ondergronds: volgens een recent rapport van het ministerie van Land en Hulpbronnen is meer dan de helft van het bodemwater 'beneden niveau’ en zeventien procent van 'extreem slechte kwaliteit’. Bijna zeventig procent van de bevolking is voor haar drinkwater afhankelijk van bodemwater en als gevolg daarvan is het aantal gevallen van maag- en slokdarmkanker de laatste jaren alarmerend gestegen. Het menselijk leed in de zogenaamde kankerdorpen ontstijgt zelfs het Chinese vermogen om welk probleem dan ook cijfermatig te benoemen.
Het deed de minister van het kleine en tandeloze ministerie van Milieubescherming Zhou Shengxian onlangs verzuchten: 'Wat heeft ontwikkeling voor een zin, als ons thuisland wordt vernietigd en onze gezondheid wordt beschadigd?’
Maar er zijn tekenen van hoop, ook al zijn die nog niet zicht- of ruikbaar. Geen land heeft zoveel in windenergie geïnvesteerd; sinds 2010 heeft China het grootste geïnstalleerd vermogen ter wereld. De productie van zonnepanelen is zo groot en kwalitatief zo goed dat het merendeel wordt geëxporteerd. Waterzuiveringsinstallaties, zowel voor industrieel als stedelijk afvalwater, worden in rap tempo aangelegd en de bouw van kerncentrales gaat, ondanks Fukushima, in koortsachtig tempo door. Dat het effect van dit alles nauwelijks merkbaar is heeft te maken met de enorme omvang van de vervuiling en de mantra dat de jaarlijkse economische groei nooit onder de acht procent mag zakken. Gebeurt dit wel, dan raken de werkloze boeren en arbeiders op drift en is het einde van de dynastie nabij. Althans, zo is het in de geschiedenis altijd gegaan en de historisch goed onderlegde machthebbers willen dit fenomeen van de zogenaamde liu min (zwervende bevolking) tegen iedere prijs voorkomen. Economische groei is daarom heilig en daarom neemt in absolute termen de vervuiling nog steeds toe, ook al is het aandeel van schone industrie in het nationaal product groter dan voorheen.
Veel grotere stappen kunnen worden gezet door aanpassing van het economisch model. China is nu de grootste maakindustrie ter wereld, vorig jaar gaven de Verenigde Staten na een hegemonie van honderd jaar het stokje over aan hun oosterse rivaal. Maar China kan deze rol van 'werkplaats van de wereld’ niet lang meer volhouden. Vanwege de vervuiling die het met zich meebrengt, maar ook door de demografische kentering die zich vooral in de grote steden dramatisch snel voltrekt. Dertig jaar van éénkindpolitiek en de veranderde levensstijl van de stedelijke jongelingen - die hooguit één, vaak geen kinderen meer willen - zorgen voor een snelle afname van de groei van de bevolking. Minder jonge mensen betekent minder goedkope handjes voor een bedrijf als Foxconn, dat met een werknemersbestand van bijna een miljoen man de iPhones van Apple en de computers van Dell in elkaar zet. Wordt China oud voordat het rijk wordt? - dat is een scenario waar de ook niet meer piepjonge leiders van de Partij ’s nachts van wakker liggen.
De uitweg ligt in innovatie. Een innovatieve economie voegt meer waarde toe en verhoogt het aandeel van diensten in het nationaal product. Als minder handjes meer gaan produceren, realiseert China zijn droom van nationale rijkdom en - niet minder belangrijk voor de leiders in de Zhongnanhai, het Kremlin van Peking - grandeur. Om dat doel te bereiken moet het land volop inzetten op onderwijs en onderzoek. Premier Wen Jiabao verwoordt het eloquent: 'De groei van China komt uiteindelijk neer op de groei van zijn onderwijs en talent. Veel belangrijker dan de groei van het bnp zelf zijn de cijfers die de verhouding van onderwijs en r&d tot het bnp aangeven. Deze twee cijfers bepalen de toekomst van ons land.’

HET DOEL is duidelijk, China heeft geen andere keus. Maar hoe daar te komen? Op het eerste gezicht lijken de omstandigheden ideaal. De overheid heeft voldoende middelen om langetermijnprioriteiten strategisch te ondersteunen. Het twaalfde vijfjarenplan, dat in 2012 van start gaat, voorziet in een verhoging van de r&d-uitgaven met 0,7 procent tot 2,5 procent van het bnp, wat neerkomt op een toename van 45 miljard dollar per jaar. Financieel heeft de staat dus genoeg slagkracht. Aan het onderwijs lijkt ook niets te schorten, het brengt in ieder geval voldoende talent voort. In 2010 onderzocht de OECD de prestaties van scholieren uit 65 landen op het gebied van lezen, natuur- en wiskunde. De superstudenten van Shanghai scoorden de hoogste cijfers, op de voet gevolgd door die van Singapore en Hongkong.
De uitkomst van dit onderzoek wordt in de praktijk bevestigd door iedere buitenlander die in China heeft gewerkt: de mensen zijn intelligent, leergierig en creatief in het vinden van oplossingen. Dikwijls wordt het confucianisme met zijn respect voor autoriteit van stal gehaald om te betogen dat Chinezen niet creatief zouden zijn, maar als dat zo is valt het moeilijk te verklaren waarom door het confucianisme doordrenkte landen als Japan en Korea zich hebben ontwikkeld tot succesvolle kenniseconomieën. Bovendien lag het Rijk van het Midden tot in de achttiende eeuw technologisch voor op het Westen.
En toch komt duurzame inheemse innovatie vooralsnog niet van de grond. Het land staat terecht bekend als een copycat die van alles schaamteloos kopieert, van Louis Vutton-tassen tot hogesnelheidslijnen. Dat is niet alleen schadelijk voor de portemonnee van westerse bedrijven, maar ook voor de reputatie van het land. Bovendien wordt er dikwijls zo gerommeld met de kwaliteit dat de gevolgen soms dodelijk zijn. Met melamine aangevulde melkpoeder kostte in 2008 aan zes baby’s het leven, bij de ontsporing van de hogesnelheidslijn in juli dit jaar bij de stad Wenzhou vonden 39 burgers de dood - een officieel aantal dat, zo denken veel Chinezen, riekt naar damage control. Rampen met veertig of meer slachtoffers behoren tot de categorie van 'grote rampen’ en dat zou de toch al ongewenste aandacht van het publiek nog verder hebben vergroot.
Ik denk dat er drie redenen zijn waarom het met innovatie in China slecht is gesteld. Allereerst de moordende concurrentie op de Chinese markt. Producten die succesvol zijn worden binnen de kortste keren gekopieerd, de snelheid van de first mover bepaalt zijn winst of verlies. In zo'n omgeving is er geen rust en ruimte om het product uit te ontwikkelen en de technologie te verfijnen. 'It is not about being smart, but about being first’, zegt Wang Xin, CEO en oprichter van Meituan, een soort Chinese Marktplaats.
Een tweede reden is de voorkeur van de staat voor 'nationale kampioenen’. In een rapport van de Staatsraad - het Chinese kabinet - wordt opgeroepen tot de 'absorbering, assimilatie en her-uitvinding van geïmporteerde technologieën’ - wat neerkomt op het sanctioneren van kopiëren. De hogesnelheidslijnprojecten zijn een goed voorbeeld hiervan. Voor het eerste project in China werd samengewerkt met het Japanse Kawasaki Heavy Industries en het Duitse Siemens, waarbij beide bedrijven gedwongen werden om veel van hun ontwerpen over te dragen. Op basis daarvan heeft de Chinese Railway Corporation (CRC) een eigen technologie ontwikkeld en staan de Duitsers en Japanners buiten spel. Sterker nog: om de internationale markt te veroveren heeft de CRC in het buitenland verschillende octrooiaanvragen lopen voor zijn 'nieuwe’ technologie. Die internationale doorbraak lijkt na het ongeluk in Wenzhou voorlopig verkeken. De hogesnelheidslijn van CRC is, ook in China zelf, symbool geworden voor de onverantwoorde risico’s die gelopen worden bij een te snelle invoering van nieuwe technologie. Op de bijna vijftig jaar oude hogesnelheidslijn tussen Tokyo en Osaka heeft zich nog niet één dodelijk ongeluk voorgedaan. Het moet de Chinezen een doorn in het oog zijn dat het gehate Japan nu een lichtend voorbeeld vormt.

DE VOORKEUR voor nationale kampioenen - alle staatsbedrijven - houdt verband met de derde, misschien wel meest fundamentele, reden voor de slechte staat van innovatie in China: het wantrouwen van de overheid tegenover het creatieve, private bedrijfsleven. Het private en semi-private (het is niet altijd duidelijk wie de aandeelhouders van een bedrijf zijn) bedrijfsleven is goed voor zeventig procent van het nationale product, maar die bijdrage wordt niet op waarde geschat. Staatsbedrijven hebben ongelimiteerd toegang tot leningen van de staatsbanken, privé-bedrijven moeten terugvallen op illegale geldhuizen of bevriende financiers. Deze zullen niet snel geld uitlenen aan bedrijven die gezien de aard van hun business (het ontwikkelen van technologie) voor een of meer jaren op verlies draaien.
Bedrijven die actief zijn in strategische sectoren als telecommunicatie, olie en gas, infrastructuur en energie kennen dat probleem niet, de bazen van deze bedrijven besturen om beurten ook de ministeries en banken. In het huidige China is het onderscheid tussen grootkapitalist en partijbons vervaagd, ze vormen dezelfde kliek. In de Verenigde Staten werd het door het ministerie van Defensie ontwikkelde internet in het midden van de jaren negentig overgedragen aan de private sector. De ICT-revolutie van Apple, Microsoft en Google was het gevolg. Een dergelijke ontwikkeling is in China ondenkbaar.
Echte innovatie komt van onderop, daar heerst het vrije, hiërarchieloze ondernemingsklimaat dat creatieve geesten als Steve Jobs en Bill Gates stimuleert. Curtis Carlton, CEO van SRI International, een Silicon Valley bedrijf, formuleert het zo: 'Innovatie van onderop heeft als kenmerk dat het chaotisch, maar slim is. Innovatie van bovenaf daarentegen is geordend, maar dom.’ Het lijkt er voorlopig niet op dat de Chinese overheid ontvankelijk is voor deze argumentatie: het toverwoord is maatschappelijke harmonie, niet maatschappelijke pluriformiteit.
Ondernemers en burgers denken daar anders over. Naar aanleiding van het overlijden van Steve Jobs, dat ook in China tot emotionele taferelen leidde, verzuchtte een commentator: 'Waarom is er geen Jobs in China? Hij dacht altijd anders dan andere bedrijven. Terwijl Jobs en zijn mensen het ene product na het andere ontwikkelen, stellen de fabrieken in het zuiden van China zich tevreden met het maken van namaaktelefoons.’
De Chinese overheid bevindt zich in een spagaat: voor duurzame economische groei is de omschakeling naar een op innovatie gebaseerde kenniseconomie onontbeerlijk. Maar die missie kan alleen slagen als Peking de teugels laat vieren, ruimte geeft aan vrij ondernemerschap, aan een maatschappelijke pluriformiteit die wellicht overslaat naar het politieke spectrum. Durft de communistische partij dat aan? Het zou een stap zijn van waarlijk revolutionaire proporties, een die de groene revolutie niet alleen doet verbleken maar haar ook mogelijk maakt.