(En waarom ga ik de biografie van Frans Kellendonk schrijven?)

Waarom lezen en schrijven wij biografieën?

Als kersverse biograaf vraagt schrijver-criticus Arie Storm zich, geïnspireerd door Shakespeare-biograaf Peter Ackroyd, af in hoeverre het mogelijk is in andermans bewustzijn te treden. Juist de combinatie van fictieschrijver en biograaf zou volgens hem wel eens een heel vruchtbare kunnen zijn om een ideale biografie te schrijven.

De titel van dit stuk – en dan doel ik vooral op het gedeelte voor de haakjes – is een variatie op een thema. De Britse auteur David Mitchell, zijn recentste roman is Dertien (oorspronkelijke titel: Black Swan Green), hield niet zo lang geleden een lezing die voorzien was van de wat ruimere titel: «Waarom lezen wij boeken?» (Het stuk is gepubliceerd in de Vlaamse krant De Standaard en is ook op internet te vinden.) Mitchell stak in zijn lezing als volgt van wal: «Ik moet beginnen, zoals gebruikelijk, met wat te morrelen aan de titel van deze tekst. Ik ben natuurlijk niet Wij. Ik ben zelfs U niet. Ik ben slechts een ploeterende romanschrijver, en mijn berg ongelezen boeken torent hoog uit boven de bescheiden heuvel boeken die ik wel gelezen heb.» En daarin heeft David Mitchell vanzelfsprekend volledig gelijk. Een vergelijkbaar soort morrelen moet ik – moeten we – nu ook doen, met de titel boven dít stuk, want ik ben ook niet u of wij. Wat ik maar wil zeggen is het volgende: persoonlijke voornaamwoorden zijn, zo blijkt, ingewikkeld, of in elk geval leggen ze iets ingewikkelds – en misschien zelfs wel iets wat dramatisch is – bloot. Aan je eigen ik valt eigenlijk niet te ontkomen, je zit opgesloten in de cocon van je bewustzijn. En prompt zoekt Mitchell juist in die richting de beantwoording van de vraag waarom «wij» boeken lezen. We lezen volgens hem boeken om aan ons zelf – ons bewustzijn, onze ruimte, de tijd waarin we leven – te ontsnappen. Bewustzijn, ruimte en tijd vormen voor «ons» (de aanhalingstekens zijn inmiddels onvermijdelijk; daarom zal ik ze vanaf nu niet meer zetten, maar ik verzoek u wel ze er de hele tijd bij te denken) een gevangenis.

De fenomenale Britse biograaf en romancier Peter Ackroyd zoekt de beantwoording van de vraag waarom wij lezen in dezelfde richting: lezen kan je wereld vergroten en je misschien zelfs de illusie geven van onsterfelijkheid. Dat is tevens wat hem in het schrijven van een biografie aantrekt. In een interview legde hij uit dat hij genoot van «the process of entering someone else’s consciousness or life». Als biograaf stelt hij zich daarbij op als een romancier: «I try to recreate the sense of the past which is more immediate and more convincing than conventional biographical narrative.» Ackroyd leest en schrijft boeken in een poging een imaginaire ruimte te betreden die echter wel gestoeld is op feiten. Dat is meteen alweer een enorme paradox, maar het klopt wel, want die ruimte blijft per definitie imaginair omdat het strikt genomen niet echt mogelijk is haar te betreden. Behalve dan in fictie. Fictie kan de gevangenis openbreken en een zweem van, ja, eeuwigheid verschaffen.

In de eerste zin van zijn in 1995 verschenen, overweldigende biografie van William Blake (1757-1827) heeft Ackroyd het over de «visionary imagination» van deze dichter, schilder en graveur – een visionaire verbeelding die voortdurend op weg is naar de eeuwigheid. Aan het eind van zijn boek beschrijft Ackroyd hoe bij Blake de ogen worden gesloten «to keep the vision in». Er volgen prachtige slotzinnen: «Yet there was really no need to do so. That vision had not faded in his pilgrimage of seventy years, and it has not faded yet.» De biografie van Blake door Ackroyd is zo geweldig om te lezen mede door de pogingen van Ackroyd om in dat visioen te kunnen stappen (die ruimte waarover ik het eerder had), zoals ook de kracht van zijn andere biografieën (onder meer van Dickens en, het recentst, van Shakespeare) voor een groot gedeelte erin bestaat dat Ackroyd zich op een sensationele wijze toegang probeert te verschaffen tot een wellicht niet direct verboden maar wel zeer moeilijk toegankelijk gebied. Bovendien hebben deze pogingen ook nog eens een grote ontroerende kracht, want slaag je er «werkelijk» (ook deze aanhalingstekens zijn noodzakelijk) in dat gebied te betreden, lukt het je «echt» (idem) iemand anders bewustzijn binnen te gaan – het klinkt bijna sf-achtig, dan is er wel meer mogelijk, dan komt de suggestie van een eeuwig daar verwijlen ook binnen de mogelijkheden. The vision had not faded. En ook: een goede biografie laat het bewustzijn van een gestorvene weer opflakkeren, zodat het van twee kanten werkt.

In de optiek van Ackroyd wijkt de vraag waarom wij biografieën lezen en schrijven overigens al met al niet zo heel veel af van de vraag waarom wij fictie lezen en schrijven. En ook ik ben inderdaad van mening dat het verschil tussen biografie en fictie niet zo groot is, waarmee ik niet wil beweren dat een biograaf er maar een beetje op los mag liegen – integendeel. Maar daarmee is wél gezegd dat het schrijven van een biografie geen wetenschappelijk maar eerder een scheppend, creatief karwei is en ik het heel raar vind dat mensen op een biografie, die dan als een proefschrift wordt beschouwd, mogen promoveren. De meeste biografieën die als proefschrift worden geaccepteerd, zijn – vrijwel onvermijdelijk – zwak en in elk geval doodsaai (maar verder zijn mijn felicitaties oprecht gemeend). Juist in de combinatie fictieschrijver en biograaf liggen volgens mij de mogelijkheden om tot een ideale biografie te komen. De boeken van Peter Ackroyd zijn daar goede voorbeelden van. Een overtuigend boek is wat mij betreft ook De schone Helena van Bettany Hughes. Zij is geen fictieschrijver, maar schreef wel een biografie waarin, zou je kunnen zeggen, het leven wordt beschreven van een vrouw die nooit echt heeft bestaan. Interessant is de genrevermenging.

Boeiende biografieën zijn ook te vinden in de vorm van meer onversneden fictie. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Het werkelijke leven van Sebastian Knight van Vladimir Nabokov of aan, en dat is eveneens een roman, De biograaf van Willem Brakman. Bijna onbeschoft – maar daardoor wel intrigerend – is de wijze waarop deze boeken inzetten. Zo valt de eerste zin van de verteller van Nabokov direct in twee stukken uiteen: «Sebastian Knight werd geboren op eenendertig december 1899 in de vroegere hoofdstad van mijn vaderland.» Het eerste deel van de zin zet in als een gewone biografie, het venijn zit hem vanzelfsprekend in die laatste twee woorden. De verteller bij Brakman toont zich – ook meteen in de eerste zin – al helemaal onomwonden: «Hoewel het mij niet betamelijk voorkomt al bij de aanvang van dit relaas over de grote Dudok de aandacht op mij zelf te richten, wil ik toch beginnen met het noteren van de eerste gedachte die zich aandiende toen ik mij dan eindelijk had neergezet om te schrijven.» Vervolgens verlaten we, zowel bij Brakman als bij Nabokov, nauwelijks meer het hoofd van de verteller en heeft de gebiografeerde in zekere zin het nakijken.

Het is wel iets om als biograaf rekening mee te houden, niet om het na te volgen, maar om het als gevaar te onderkennen. Want je wilt juist, zoals we hierboven zagen, in het bewustzijn van die ander kruipen, om aan dat bewustzijn van jezelf te ontsnappen. En er komt nóg iets bij wat de zaak verder compliceert: het bewustzijn is weliswaar misschien een gevangenis, maar het is tegelijkertijd niet iets eenduidigs. «Literatuur is het debat tussen het ik en het zelf», schreef Frans Kellendonk. Daarin zit de sterke suggestie dat, als we erin zouden slagen in het bewustzijn van een ander te kruipen, zou kunnen blijken dat we in een labyrint terecht zijn gekomen. Dit lijkt me overigens niet echt een bezwaar. Zeker niet in het geval van Frans Kellendonk, gezien het – op allerlei niveaus – labyrintische karakter van zijn oeuvre. Een oeuvre dat – en dit lijkt me wel een taak van een biograaf om te benadrukken (of in elk geval te onderzoeken) – soms wel een levend wezen lijkt. Met het gevaar dat aan de gedachte kan kleven dat dit oeuvre een levend wezen is én met de onderkenning van dat gevaar, nader ik overigens wel al de thematiek van Frans Kellendonk, zoals ik die nu voorlopig heb aangetroffen en waarover ik in de door mij te schrijven biografie van Kellendonk ongetwijfeld nog meer, veel meer zal zeggen.

Maar zoals gezegd: ik denk dat het, ondanks alle valkuilen, een heel vruchtbare houding is om als biograaf – zeker als de biograaf van een schrijver – ervan uit te gaan dat het werk van de gebiografeerde iets levends is, en dat daar op de een of andere manier het bewustzijn van je hoofdpersoon, degene van wie je de biografie schrijft, kan worden gevonden (wat zoiets als «bewustzijn» misschien dan ook mag zijn). En dat dit, dat levende karakter van dat werk, ook iets spookachtigs heeft. Het is het spookachtige dat voorkomt in een roman als Letter en geest van Kellendonk (waarover wederom later, in de biografie, natuurlijk meer), maar dat ook door Peter Ackroyd wordt onderkend. In (nota bene!) zijn roman Chatterton komt een passage voor waarin een van de personages (Philip) ontwaakt in het magazijn van een bibliotheek. En dan lezen we dit: «Er waren poelen van licht tussen de magazijnkasten, onder de peertjes die Philip had aangedraaid, maar nu zag hij met een onverwachte beklemming de boeken zich tot in de duisternis uitstrekken. Zodra ze de schaduwen bereikten, schenen ze uit te zetten en een lichtloze wereld te scheppen waar geen begin en geen eind was, geen verhaal, geen betekenis. En als je de drempel naar die wereld overschreed, zou je omringd worden door woorden; je zou ze verpletteren onder je voeten, maar als je ze wilde grijpen zouden ze oplossen in het niets. Philip had niet de moed die boeken zijn rug toe te keren. Nog niet. Het leek haast, dacht hij, alsof ze met elkaar hadden gesproken terwijl hij sliep.» Dáár, in de schaduw, is de schrijver, en het is, denk ik, de taak van de biograaf om hem dan ook daar te zoeken, tussen die met elkaar fluisterende boeken.

Dat neemt niet weg dat deze «ploeterende romanschrijver» (om Mitchell weer aan te halen – en voor de duidelijkheid: daar bedoel ik nu mezelf mee, hoewel ik niet van het ploeterende type ben) zich als biograaf vol overgave tevens in het léven van Kellendonk zal storten. En in de omgeving waarin hij heeft geleefd. En in de tijd. En in… nu ja, alles. Niet omdat daar het echte geheim van zijn boeken, «the figure in the carpet» zoals Henry James dat eens omschreef (een door Kellendonk bewonderd schrijver), te vinden zal zijn, maar omdat ik Kellendonk al jaren een zo groot schrijver vind dat ik alles erbij wil betrekken om, al is het maar voor mezelf, uit te vinden waaróm hij zo’n groot schrijver is en ik me graag wil onderdompelen in zijn wereld en die weer tot leven wil wekken. Ik zet me daartoe in als biograaf, en, inderdaad, als schrijver. Een vruchtbare combinatie. Hoop ik.

* Arie Storm is schrijver en criticus