Wat moet de mens met de onmetelijke oerlandschappen die de wereld gelukkig nog rijk is? Hoe bevat je de uitgestrekte onherbergzaamheid die in het dagelijks leven ver verwijderd is van het miezerige, randstedelijk gedoe? Erin verdwijnen is een oplossing, de waanzin gewoon helemaal toelaten. Zie Jörgen Hofmeester, die zijn dochter Tirza om het leven brengt en vervolgens tegen beter weten in naar haar op zoek gaat in de woestijn van Namibië.

‘Wat zoek ik in deze zandhel?’ schreef H.H. ter Balkt. In een ruimte die geen jota om het menselijk bestaan geeft, is het moeilijk om niet in metaforen te vervallen. De leegte als leegte is aanlokkelijk maar angstaanjagend, dus je móet er iets mee. Antjie Krog laat haar zelf aan het woord, in steenvertelling:

‘hier! ik ben steen,’ zegt het
‘louter steen
in zijn lelijkste steenste steen
ja pak maar ik ben keihardsteenvetlelijk
ík werp de eerste steen maak goddomme korte metten met
wat jij voor berg of steen of steen of God aanziet’.

In haar derde bundel Aarduitwrijvingen kiest Charlotte Van den Broeck voor Death Valley als decor voor enkele gedichten. Die teksten komen voort uit een interdisciplinair onderzoeksproject met filmmaker Jana Coorevits. Ook Death Valley, ooit toevluchtsoord voor Charles Manson en zijn hofhouding, ontkomt niet aan inkleuring, zoals Coorevits schrijft aan Van den Broeck in een briefwisseling gepubliceerd op FORUM+: ‘In dit barre, extreme landschap, voel ik de impuls om het landschap te linken aan een lichamelijke kwetsuur.’

De link tussen landschap en lichaam is snel gelegd en verre van oorspronkelijk, zeker als het de zoveelste vergelijking met een vrouwenlichaam betreft. Coorevits en Van den Broeck zijn zich daarvan bewust. ‘Alsof een vrouw alleen maar een natuurlijk leven te realiseren had in een familiale context, en een man het culturele leven mocht uitdragen in de openbare ruimte’, schrijft Van den Broeck aan Coorevits.

De geijkte metafoor uitdagen is een belangrijke opdracht, maar hoe? Meteen in het openingsgedicht van Aarduitwrijvingen schieten de vragen alle kanten op: ‘waarom zie ik wit als ontmanteld licht’, ‘waarom sleept het uur zich uitgeput naar haar brandpunt’, ‘wat is afstand/ anders dan een zich stapelende zandmassa’, ‘waarheen schiet de hagedis, waarom lispelt de hitte’. De hitte lispelt natuurlijk niet, maar we moeten toch íets maken van al dat geluidloze leven: ‘waarom hoop ik/ achter de rotsen op sporen van nachtdieren, op de spiegeling/ van een oude geliefde’.

Immersie heet dat eerste gedicht. Het idee fysiek aanwezig te zijn in een niet-fysieke wereld doelt op het onwezenlijke van een gefotografeerd en gefilmd oerlandschap, maar ook op de hevig aanwezige natuur en onze mentale afwezigheid daarin. Geen wonder dat de woestijn bij Van den Broeck ‘woelt’, ‘sleept’, ‘zeult’, zich ‘kleedt’, dat duinen ‘wellen’, het zand ‘kolkt’ en ‘uit de ingewanden van een steen’ bloed sijpelt, ‘paars en azuur’.

Je ziet hoe de dichter door heel precies te observeren dóór wil dringen. Toch blijven veel gedichten wat afstandelijk, hoe vakkundig ze ook in elkaar zitten. Ze zijn zonder rafelrandjes of vergroeiingen die iets onverwachts bieden, iets anders dan een vergelijking als: ‘in de halsaanzet van de heuvel de knik/ in de taille van de slapende zandreuzin’. Vandaar misschien dat gedicht Road Runner & Wile E. Coyote, alsof de dichter denkt: laat ik het eens vanaf deze kant benaderen. Plotseling lees ik een lekker los en ontspannen gedicht vol cartoongeluiden: ‘beep beep’, ‘unnnk???’, ‘ieeeeeeeeeeeeeek’. Ook in een kort gedicht als Pulp lijkt Van den Broeck even weg te stappen van de ernstige drang tot kijken en beschrijven, en neemt de taal het over:

kus van zoet gist rot
schuil in de schil gekeerde
rug van tong bes lik

kleurt bloos de vrucht en rood
het mors

Naarmate de bundel vordert, zoekt Van den Broeck het dichter bij huis. Een met moeite ingehouden woede en verontwaardiging worden voelbaar, zoals in sisklank, over bruut nagefloten worden op straat: ‘tot de vrouw thuiskomt voelt het/ alsof iets in haar schaduw sluipt’. Of in het allegorische gedicht Aan de parkvijver, waarin stap voor stap het paringsritueel van twee roodwangschildpadden wordt gevolgd om iets te zeggen over ongewenste intimiteiten en ongelijke machtsverhoudingen. Een boodschap die misschien nog krachtiger was geweest zonder de omweg van twee instinctief opererende reptielen.

Dan vind ik het onderhoudende Aphrodite van Knidos (360 v.C.), hoewel tamelijk prozaïsch, sterker. Ook hier wordt de mannelijke, dominante blik die de vrouw tot ‘iets’ of ‘iemand’ maakt onderuit gehaald: ‘nog steeds staat Aphrodite voor dat getande oog, herleid/ tot de blik die peilt naar haar beschikbaarheid’.

Een reeks gedichten herschrijft het sprookje Van de visser en zijn vrouw van de gebroeders Grimm, Cholita verhaalt over een mishandelde beer in Peru, In het rif laat zien hoe de mens het zeeleven vernietigt. Echt overtuigen doet Van den Broeck echter wanneer ze de goede bedoelingen terzijde schuift en het op een zingen zet, zoals in de Terra preta-gedichten, of in Bevingen:

en de vrucht
lipbloemig, warmbloedig zingt
zichzelf in bevingen open

Mooie titel, Aarduitwrijvingen. Die komt van kunstenaar herman de vries, die verschillende soorten aarde van overal ter wereld op doek uitwrijft. Schitterend motto ook, van Anne Sexton: ‘all day I’ve built a lifetime/ and now the sun sinks/ to undo it’. Raak en tragisch zoals, op haar beste momenten, de poëzie in deze bundel.

Terra preta

die nacht droom ik van een blikken arend
hoger dan de middagzon en spanwijd hij raakt
van de hemel de randen aan hij verdrinkt
het veld in zijn klepperende schaduw

uit zijn veren strooit een gifgele nevel – myriaden deeltjes, fosforescerend
worden het blad van de maïs en de schil van de maniok
’s ochtends zijn het slaapkorrels in de automatische ogen

die in de kranten lezen over dorstige kinderen
en zerpe moedermelk, riviertakken in een armklem, boven de soja-akkers
drijven roofvogels op hun rug door de lucht, afgezien daarvan

is het lente en beter, zeg je,
om doembeelden net als schorpioensteken
lager te houden dan het hart