Waarom moest dulcie dood?

PARIJS, maart 1990. Ik ontdek iets verdachts aan de buren van Dulcie September, de vrouw die het ANC in Frankrijk vertegenwoordigde. Het bedrijfje in het kantoor naast het hare heeft er bijna even lang gezeten als het ANC. Het trok erin op dezelfde dag, 1 augustus 1985. Officieel werd er een ‘sporthandelsbulletin’ uitgegeven. De Franse hoofdredacteur is een in het ANC gespecialiseerde Afrikakenner, voorheen werkzaam bij de Zuid-Afrikasectie van de Franse staatsradio. Kort na de moord vertrok het ‘sporthandelsbulletin’ weer.

Op 29 maart 1988 kreeg Dulcie September een salvo van vijf kogels in haar gezicht. Ze was op slag dood, haar moordenaars werden nooit gevonden. Als een groot raadsel werd de moord echter nooit gezien: ‘Zuid-Afrikaanse doodseskaders’ luidde overal de verklaring.
Het kantoor naast de ANC-vestiging blijkt bij nader onderzoek volkomen Frans. Sport Eco heet het, en het publiceert elke twee maanden twee pagina’s over de handel in tennisschoenen. Ik zou nooit aandacht aan dit bedrijf besteed hebben als me niet door een collega van wijlen Dulcie September verteld zou zijn dat Dulcie 'haar buren niet vertrouwde’. 'Ze groette die mensen nooit, ze lette erop dat de ANC-post niet met hun post vermengd raakte, en ze liet zich een keer ontvallen dat ze dacht dat de mensen van dat kantoor haar in de gaten hielden.’
De hoofdredacteur van het sporthandelsbulletin, ex-buitenlandjournalist Pierre Cazeel, was degene die Dulcies dode lichaam vond. Hij was wel een half uur met het lijk op de plek van de moord alleen geweest voordat de politie arriveerde. Volgens Dulcies kennissen was er 'geknoeid’ met de handtas en de post die ze op het moment van de moord bij zich had.
Ik besluit Hervé Delouche te bellen, een collega van het net opgerichte Franse maandblad J'accuse dat interesse voor mijn onderzoek heeft getoond. J'accuse speurt naar 'schandalen van de Franse overheid en geheime diensten’. Men wil het eerste nummer graag openen met mijn September-onderzoek. Buitengewoon graag zelfs. Ik krijg een fiks voorschot in cash; drie J'accuse-medewerkers zijn bereid mij te helpen; op de nieuw geopende, nog met verhuiskisten volgestouwde redactie krijg ik het grootste bureau en de gemakkelijkste stoel. Ik word overladen met complimentjes voor mijn aanstaande prachtstuk. Er zit, zeggen ze, zelfs een tv-optreden in.
Als Hervé en ik, alsmede Michel Briganti, mijn eerste contactpersoon bij J'accuse, elkaar ontmoeten om nieuwe ontwikkelingen door te spreken, heb ik met verscheidene sport- en bedrijfsbladen gebeld. Niemand heeft ooit van Sport Eco gehoord. Wel weet ik dat Pierre Cazeel van Sport Eco voor de Franse staatsradio met name bericht heeft over aanslagen op West-Europese ANC-vestigingen, zoals die op het ANC-kantoor in Londen in 1982. Een opmerkelijk curriculum vitae voor een propagandist van tennisschoenen. Hervé en Michel knikken ernstig: dat zou er inderdaad op kunnen duiden dat geheime diensten bij de moord op Dulcie September betrokken zijn geweest. Daar moet, vinden zij, een uitgebreide hoofdredactievergadering van J'accuse aan worden gewijd. Ik word dringend thuis uitgenodigd bij hoofdredacteur Jacques de Bonis, in de Rue des Pyrénées.
De woning van De Bonis staat, net als de redactieburelen van J'accuse zelf, nog vol verhuisdozen, want hij is voor zijn nieuwe functie net aangekomen vanuit zijn woonplaats Lyon, waar hij een streekkrant leidde. We zitten op de grond in een lege huiskamer. De Bonis toont grote interesse in wat ik vertel en springt op om 'de directeur-generaal van J'accuse’ te bellen, een man die, zegt hij, 'nogal in de sport zit’ en 'alles weet van sporthandelsbedrijfjes’ in Parijs. Hij telefoneert, spreekt met iemand, toont verrassing. Als hij heeft opgehangen, zegt hij: 'Het is inderdaad een spoor. Dat bedrijf handelt met Zuid-Afrika.’ Het gezelschap glimt, maar ik ben in de war: in de gegevens over het bedrijf was ik niets tegengekomen over Zuid-Afrika. Mijn verdenking was dat Sport Eco een 'antenne’ van de Franse geheime dienst was, opgericht om de activiteiten van het ANC in Parijs in de gaten te houden. Dat wettigt nog niet de conclusie dat Sport Eco ook iets te maken had met de moord. Maar het was wel gek dat die 'antenne’ het 'Zuid-Afrikaanse doodseskader’ niet had zien aankomen. En wat had Pierre Cazeel een half uur lang alleen bij het lijk van Dulcie gedaan?
MIJN ARTIKEL zou moeten gaan over deze en andere mysterieuze Franse connecties waar ik de afgelopen twee jaar op was gestuit. Over de Franse services secrets, die vals spoor na vals spoor zaaiden. En over Franse lieden die zich op verdachte wijze in de omgeving van Dulcie September hadden opgehouden. Zoals 'monsieur G.’, een extreem-rechtse militaire huurling uit het Franse vreemdelingenlegioen, die kort na de moord een hem bekende journalist vertelde dat hij 'door een hoge (Franse) regeringsambtenaar aangezocht was’ om een plattegrond van het ANC-kantoor te maken. Zoals Antonia S., een ex-vriendin van een ander lid van het vreemdelingenlegioen, die niet alleen in eigen kring rondvertelde dat zij bij het ANC had gespioneerd, maar die volgens eigen zeggen ook voorkennis had gehad van 'een aanslag die in Parijs te gebeuren stond’. En zoals een derde legionnair, die ook al naar dezelfde 'topambtenaar op Binnenlandse Zaken’ verwees.
Het extreem-rechtse huurlingenmilieu, dat zijn basis heeft op de deels Franse Comoren voor de Zuid-Afrikaanse kust en dat tevens over een hecht netwerk beschikt in Zuid-Franse steden als Marseille en Lyon, wordt door de Franse overheid vaak voorgesteld als een groep losgeslagen avonturiers. Maar de 'comoriens’ kunnen, ondanks de vaak uitgesproken Franse zorgen over hun betrokkenheid bij staatsgrepen en ander gedoe in Afrika, volgens ingewijden 'geen stap doen zonder dat de Franse overheid er haar goedkeuring aan hecht’. 'Hoe zouden anders de aan hen verbonden “beveiligingsbedrijfjes” kunnen blijven opereren, tot in Parijs toe?’ stelt een kenner. 'Dat komt doordat ze over een goede verstandhouding beschikken met het Franse leger en de Franse Direction Générale de la Sécurité Extérieure (DGSE). De comoriens zijn zowel informatiebronnen als instrumenten voor de DGSE. Als de geheime diensten zware jongens nodig hebben voor een operatie, dan recruteren ze die strijk en zet uit dit milieu.’
Als Antonia S., 'monsieur G.’ en de derde comorien, wiens naam ik niet ken, iets met de moord op Dulcie September te maken hebben, dan wordt het nogal onaannemelijk dat de Franse autoriteiten niet van tevoren op de hoogte waren van de operatie. Alle drie onderhouden ze immers, zo bevestigt een aantal bronnen onafhankelijk van elkaar, goede contacten met de DGSE.
DE GROTE VRAAG bij de moord op Dulcie September is echter niet het wie maar het waarom. Waarom moest Dulcie dood? Het idee dat Pretoria, of Parijs, of beide, de politieke activiteiten van het Parijse ANC-kantoor bedreigend zouden vinden, leek nogal vergezocht. 'Dulcie était une zéro’, had een kenner van de Franse anti-apartheidsbeweging me toegevoegd. 'Wat deed ze nou eigenlijk? Buurthuizen toespreken en speldjes verkopen! Ze had totaal geen invloed.’
De specialist in de activiteiten van Afrikaanse politieke organisaties op Franse bodem had geen idee wie de moord begaan zou kunnen hebben, maar hij wist één ding zeker: 'Zelfs Pretoria zou zo'n riskante operatie niet aandurven in een westers buitenland. Het regime was in de late jaren tachtig juist wanhopig op zoek naar vriendschappelijke relaties met het Westen. Die zouden ze niet zomaar voor niets op het spel zetten. Ze zouden het alleen doen om een zeer dringende reden, een reden die ook voor de Franse regering van belang was. Dulcie moet dus een obstakel zijn geweest voor een Frans belang. Maar welk?’
Dat was een vraag waarop ik enig licht kon werpen. Dulcie September, vasthoudend als ze was, had sinds haar aankomst in 1984 al gauw genoeg gehad van het 'zéro’ zijn. Ze begreep dat de Zuid-Afrikaanse kwestie de meeste Franse politici, of ze nu rechts, midden of Mitterrand-links waren, niet echt veel kon schelen. De linksen spraken bij ontmoetingen en plichtplegingen wel mooie anti-apartheidswoorden, maar de meeste Franse (staats)bedrijven handelden naar hartelust met het apartheidsland. Aan een kolenboycot wilden ze niet, 'vreedzame’ nucleaire samenwerking nam in de jaren tachtig een extra hoge vlucht, en met de officiële VN-wapenboycot nam La France het ook niet al te nauw. Dulcie wilde meer doen dan alleen anti-apartheidsspeeches houden. Ze wilde iets doen aan de illegale handelslijnen tussen Parijs en Pretoria.
Kort voor haar dood was Dulcie September ergens op gestuit, iets wat met de wapenhandel te maken had. Ze had een bron in een wapenbedrijf die - helaas - alleen aan haar bekend was. Ze belde Abdul Minty, van het Wapenboycotkantoor van het ANC in Oslo; ze belde Aziz Pahad, de hoogste ANC-man van dat moment op het Londens hoofdkwartier. Ze verzocht Pahad herhaaldelijk om naar Parijs te komen in verband met een 'gevoelige kwestie’, maar die legde haar smeekbeden naast zich neer met het idee 'dat Dulcie paranoïde was, een drama-queen. Maar inderdaad, ze had het over iets met wapens. Iets nucleairs, geloof ik.’
Enkele weken later was ze dood.
Recente getuigenissen voor de Waarheidscommissie in Zuid-Afrika hebben aanwijzingen opgeleverd dat er inderdaad in de late jaren tachtig topgeheime militaire uitwisselingen, op het gebied van chemische, biologische en nucleaire wapens, plaatsvonden tussen Pretoria en 'westerse landen, waaronder Frankrijk’. Dulcie had het ongeluk precies in die periode in Parijs te verblijven. En ze had het ongeluk een koppig karakter te bezitten. 'Ze maakte met iedereen ruzie’, zeggen de mensen die haar in die tijd kenden. 'Ze kon zich gewoon niet neerleggen bij het feit dat er zaken waren waaraan ze nu eenmaal niets kon doen.’ Aziz Pahad over haar: 'Natuurlijk wilde de Franse overheid dat we Dulcie terugtrokken. Natuurlijk vonden ze haar moeilijk. Maar we hadden niet genoeg mensen achter de hand om aan zo'n verzoek zomaar gevolg te geven.’
'EN DAN IS ER NOG een ander concreet spoor: de schilders’, vertel ik na een week van verder onderzoek op een gadering bij hoofdredacteur De Bonis thuis. 'Ten tijde van de moord op Dulcie September werd het gebouw waar haar kantoor gevestigd was, geschilderd. De schilders zorgden met hun geratel van emmers voor veel lawaai en op-en-neergeloop. Een ideale achtergrond voor de moordaanslag. Niemand kwam kijken toen er schoten werden gehoord, want iedereen in het gebouw dacht dat het de schilders waren.’
Ik beschrijf wat Dulcies collega’s me verteld hebben. Dat er gedoe was over de sleutel van het ANC-kantoor - de schildersbaas wilde die sleutel per se hebben, maar Dulcie, bang om redenen die ze niemand vertelde, wilde die niet geven. En dat een jonge schildersleerling daarna voortdurend bij het ANC-kantoor aanklopte om belangstellend met Dulcie te babbelen en ANC-speldjes en -aanstekers te kopen, hetgeen eigenaardig was, daar de jongen volgens zijn collega’s een extreem-rechtse, buitenlanders hatende vechtersbaas was die zich voorbereidde op een carrière als beroepssoldaat.
De jongen was voorts, vervolg ik, nogal bevriend met een bepaalde collega die volgens de andere schilders van het bedrijf 'eigenlijk niet echt een schilder was’: 'Dat was een buitenlander, een Italiaan, en die bezorgde ons voortdurend hoofdpijn, met zijn verwarde manier van werken, dan weer een likje hier, dan weer een likje op een andere verdieping. Maar gelukkig bleef hij niet lang. Hij was direct na de moord op die mevrouw weer vertrokken. Naar Zwitserland, want hij had een Zwitsers paspoort.’
De Italiaan heette Daniel; zijn extreem-rechtse jonge vriend Stéphane. Op de dag van de moord hadden Daniel en Stéphane het rijk in het gebouw vrijwel alleen gehad, want hoofdschilder Alain was door de baas van het schildersbedrijf de dag ervoor overgeplaatst naar een project elders in de stad, om een dag na de moord weer teruggeplaatst te worden. Gebeurde dat vaker, dat hij als voorman ineens van een project werd afgehaald en weer werd teruggeplaatst? 'Nee’, had Alain gezegd.
IK PROBEER het J'accuse-gezelschap over te halen het schildersspoor verder te volgen. Ik houd hen voor dat de schildersbaas een paar keer aantoonbaar tegen me had gelogen. Ik vertel hun over mijn zoektocht naar Daniel, de 'Zwitserse’ schilder, en dat zijn Parijse adres, dat ik in het Franse minitel-telefoonboek had opgezocht, voor mijn ogen van het computerscherm verdween toen ik het aan het opschrijven was.
Ik ratel door, hopend op een reactie, op enthousiasme. Zien ze niet dat het wapenhandelspoor veel zou kunnen verklaren? Natuurlijk, als Parijs en Pretoria aan militaire transacties zouden doen, zou dat een moordmotief als een huis zijn! Dat zou verklaren waarom de services secrets en de avonturiers zich zo met de voorbereiding en de nasleep van de moord hadden bemoeid.
Als ik de kring rondkijk, voel ik de grond onder me wegzakken. De gezichten staan van afkeurend en onverschillig tot medelijdend. Jacques de Bonis neemt het woord. 'De directeur-generaal heeft gebeld’, zegt hij. 'Hij had het mis. Sport Eco heeft niets met Zuid-Afrika te maken.’ De anderen kijken ernstig naar de grond. Niemand zegt iets. 'Maar dat bevestigt toch wat ik al dacht’, zeg ik kleintjes. 'Dat er juist een Franse connectie… de Fransen hielden Dulcie in de gaten vanuit dat kantoor, dat was mijn theorie van het begin af aan.’
Wat ik ook zeg, het helpt niet. 'Het spoor loopt dus dood’, herneemt De Bonis. 'Zijn we het daar allemaal mee eens?’ Hervé Delouche en Michel Briganti knikken. 'Verder onderzoek is niet nodig’, zegt ook Briganti. De Bonis doet me uitgeleide en verzekert me dat mijn artikel over de Franse betrokkenheid toch wel gepubliceerd zal worden. 'Dat blijft een goed verhaal. Ik wil er alleen niet meer werk in steken.’
TERUG IN AMSTERDAM, nog nasuizend van de merkwaardige ervaring, verkrijg ik via Parijse contacten het nulnummer van J'accuse. Mijn verhaal staat er niet in. Ik kijk op de omslag om te zien of het inderdaad het nulnummer is en zie de datum: 1 april.
Ik bel nog vaak met J'accuse en De Bonis, maar krijg nergens gehoor. Alleen een keer een zenuwachtige Hervé Delouche, die paniekerig 'Ik weet van niets! Ik weet van niets!’ roept en ophangt. Enkele maanden later krijg ik een bezorgde brief van Michel Briganti, waarin hij meldt dat J'accuse helaas zal ophouden te bestaan maar dat ik hem vooral moet bellen als ik verdere vorderingen maak met mijn onderzoek.
Ik had het moeten zien aankomen, houd ik mezelf voor. Michel Briganti had immers gegiecheld en 'Goede vraag’ gezegd toen ik vroeg waar het oprichtingsgeld van J'accuse vandaan kwam. En neem dat voorschot van tweeduizend franc, dat ik kreeg zonder ook maar een synopsis van het verhaal te overleggen. En het antwoord dat ik kreeg toen ik aarzelend vroeg naar een contract: 'Nee, we hoeven niets op papier. We vertrouwen je wel.’
En dan dat merkwaardige gezelschap 'onderzoeksjournalisten’ zelf: De Bonis, afkomstig van een streekkrant te Lyon; Delouche, die vóór zijn baan bij J'accuse stuivertje wisselde tussen verschillende Parijse actiegroepen; Briganti, die helemaal geen journalist was maar rechtskundige bij het staatselektriciteitsbedrijf. Wacht eens, maal ik paranoïde, dat staatselektriciteitsbedrijf, staat dat niet in contact met zijn Zuid-Afrikaanse counterpart Eskom, dat voor het Zuid-Afrikaanse leger nucleair onderzoek deed? Overigens typisch iets voor een geheime dienst om een blad op te zetten dat 'geheime diensten onderzoekt’. En ik heb ze alles op een presenteerblaadje aangeleverd…
MISSCHIEN ZIE IK spoken, misschien is het allemaal toeval. Maar het doet me wel terugdenken aan een bezoek aan de Brigade Criminelle, die ik de meeste van mijn bevindingen heb voorgelegd: ik zag er dezelfde strakke gezichten, dezelfde onwil, dezelfde haast om me de deur uit te werken. Alleen een jonge agent had enigszins onder de indruk geleken van mijn verhaal. Hij had even nadenkend voor zich uitgekeken en toen gevraagd: 'Maar u denkt toch zeker niet dat we onze eigen collega’s gaan arresteren?’
De jonge agent had mij zijn kaartje en telefoonnummer gegeven en ik heb hem nog vaak gebeld. Maar steeds kreeg ik een ander, steeds een excuus waarom juist hij er niet was. Eén keer slaagde ik erin om een afspraak met hem te maken, maar in het café tegenover het Palais de Justice verscheen hij niet, wel kwamen er twee vorsend kijkende mannen in regenjassen binnen. Ze vroegen of ik nog wat nieuws over de zaak-September had ontdekt.