Het is echter niet nodig om onze afgevaardigden met buitenlandse mores om de oren te slaan. Zij hebben zelf bij motie vastgesteld dat een minister verantwoordelijk is voor ‘ieder bestuurshandelen dat onder zijn zeggenschap plaatsvindt. De verantwoordelijkheid gaat niet verder dan de bevoegdheden van de minister: zonder bevoegdheid geen verantwoordelijkheid. Maar binnen die grens geldt de verantwoordelijkheid onverkort: zij is niet beperkt tot hetgeen de minister persoonlijk kan worden aangerekend. ’ (Nota Steekhoudend ministerschap, 1993.) Om redenen van ministeriële verantwoordelijkheid hoeven Sorgdrager en Schmitz dus niet af te treden, maar wèl omdat ze het gezag missen om het opsporingsapparaat te saneren.
Volgens bovengenoemde nota moeten er echter nog meer koppen rollen. Die van Dijkstal - omdat hij het roversnest van de Haarlemse recherche ongemoeid laat en omdat zijn BVD de drugshandel door buitenlandse inlichtingendiensten op Nederlands grondgebied niet tegenhoudt. Die van Linschoten - omdat hij faalt in het reorganiseren van de sociale zekerheid en de Kamer verkeerd inlicht. En die van Van Mierlo en Voorhoeve - omdat zij onvoldoende hebben gedaan om de ondergang van Dutchbat te voorkomen. In het decembernummer van het legerblad Oplinie zei Voorhoeve dat hij het een volgende keer ‘weer precies zo zou doen ’. Als een Kamer zo'n houding van een minister tolereert, is er meer aan de hand.
Het paarse kabinet is geen ‘doodgewoon kabinet ’, zoals Kok bij zijn aantreden zei. Het is veeleer een regering van nationale eenheid, moreel ondersteund door een vorstin die ons voortdurend op mythische gronden tot saamhorigheid aanspoort. De ratio voor deze politieke drang naar het midden is vooral economisch. De vier grote partijen hebben zich vastgelegd op een strikt bezuinigingsbeleid in Europees kader, waarvoor geen van hen afzonderlijk de verantwoordelijkheid wil dragen. Drie daarvan vormen nu een coalitie, de vierde voert krachteloos oppositie. Een andere samenstelling zou niets veranderen. In plaats van het beleid staat de verdeling van macht, zetels en begrotingsgelden centraal. De ministeriële verantwoordingsplicht is vervangen door een illusie van collectieve verantwoordelijkheid, met het ,maatschappelijk draagvlak’ als totem. Als een minister faalt, falen wij allemaal, zo wil men ons wijsmaken. Het wachten is op een kamermeerderheid die conform de grondwet ‘zonder last of ruggespraak’ handelt, dus zonder zich te verschuilen achter coalitiebelangen, Europese normen en ambtelijke adviezen. Daar zullen wij als kiezers zelf voor moeten zorgen. Tot dan vindt het echte politieke debat op straat en in de media plaats.