In de ban van de Zuid-Afrikaanse droom

Waarom slechts een Nissan?

Eind jaren negentig verlieten Kiza Magendane en zijn oom hun geboorteland Congo om elders een nieuw leven te beginnen. Kiza belandde in Nederland, zijn oom in Zuid-Afrika. Negentien jaar later treffen ze elkaar in Pretoria. ‘Kiza, de Zuid-Afrikaanse droom bestaat niet.’

Kapsalon in Yeoville, Johannesburg – ‘Ze doen alsof wij vreemdelingen zijn, maar dit is Afrika. Dit is onze grond’ © Jonathan Torgovnik / Getty Images

Ik ben geland. Na tien jaar Europa zet ik weer voet op het Afrikaanse continent. De marechaussee op het vliegveld van Johannesburg wil alles weten over de reden van mijn bezoek. Geduldig laat ik mijn reisdocument en het visum zien, dat ik na veel moeite bij de Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag heb gekregen. Terwijl mijn witte medepassagiers rustig doorlopen, onderwerpt de douanebeambte mij aan een ondervraging waar geen eind aan lijkt te komen. Zou het sneller zijn gegaan als ik een Nederlands paspoort had gehad? Dan klinkt plotseling de verlossende zin: ‘Enjoy your stay sir.’

Mijn oom Nick woont al bijna vijftien jaar in Zuid-Afrika. Mijn meeste tastbare herinneringen aan hem gaan terug naar 1998. Ik was een jaar of zes en woonde in Uvira, een stad in het oosten van de Democratische Republiek Congo. Ik herinner me het onophoudelijke geluid van kogels. Mijn oom en ik zaten drie dagen verschanst op een compound. Kort na die bloedige strijd scheidden onze wegen. Hij trok naar het zuiden, ik naar het noorden. In de negentien jaar daarna heb ik mijn oom slechts één keer telefonisch gesproken. Dat was in 2007. Ik was net in Nederland aangekomen als asielzoeker en mijn oom drukte me op het hart dat ik mijn best moest doen op school en de toestand in Congo maar beter kon vergeten. ‘Eerst moet je jezelf helpen voordat je anderen kunt helpen.’

Mijn oom runt inmiddels drie succesvolle kapperszaken in Pretoria, heb ik begrepen van mijn oma. Ik ben benieuwd hoe het hem en andere Congolese migranten is gelukt om in het land dat bekend staat als het ‘Europa van zwart Afrika’ hun bestaan op te bouwen. Heeft hij de zogenaamde Zuid-Afrikaanse droom gevonden? En hoe ziet die droom eruit?

Ga ik zijn gezicht herkennen? Bij de aankomsthal van het vliegveld werp ik blikken in alle richtingen.‘Aah… oncle, naku reconnaitre directement. Utazi changer ata’, zeg ik in mijn moedertaal Kifuliru gemengd met gebrekkig Frans, ‘aah… oom, ik herkende je meteen. Je bent geen spat veranderd’. We knuffelen, maar niet te lang. Het voelt alsof we elkaar een dag eerder voor het laatst hebben gesproken. Hij draagt een blauwe spijkerbroek en een simpel zwart T-shirt, allebei van het merk Diesel. Zijn hoofd begint wat haren te verliezen, maar de rest van zijn lichaam doet nergens vermoeden dat hij al 45 is. Hij heeft wat weg van Idris Elba, de mogelijke nieuwe James Bond.

Sommige economen geloven dat er een verband bestaat tussen de geografische ligging van een land en de technologische vooruitgang en welvaartsgroei. Op die theorie valt genoeg aan te merken, maar toch moet ik eraan denken bij het weerzien van mijn oom. Want bevinden vrede en veiligheid zich niet vooral in ‘het noorden’? En is het toeval dat ontwikkelingslanden zich voornamelijk in ‘het zuiden’ bevinden? Congo, het land waar mijn oom en ik geboren zijn, ligt op de evenaar en is rijk aan regenwoud, het grootste na de Amazone.

Het land lijdt aan resource curse: het is rijk aan grondstoffen zoals wolfraam, tin, tantalium en kobalt, noodzakelijk voor de productie van elektrische apparaten en auto’s, maar die bron van rijkdom is ook een bron van conflict. De afgelopen twintig jaar woedt er een ingewikkelde en verwoestende oorlog die aan meer dan vijf miljoen Congolezen het leven heeft gekost, de meest dodelijke oorlog sinds de Tweede Wereldoorlog.

Een blik op het verleden helpt om Congo’s tragedie te begrijpen. Kort na de onafhankelijkheid in 1960 besloten de Belgische en Amerikaanse overheden om Patrice Lumumba, de eerste gekozen premier van het land, om het leven te brengen. De Koude Oorlog woedde volop en het Westen wilde af van rebelse leiders als Lumumba en Mohammad Mosaddegh in Iran. In hun plaats installeerden ze marionetten. Congo kreeg Mobutu Sese Seko, een brute despoot die net als de Belgische koning Leopold II het land als zijn persoonlijke eigendom gebruikte. De economie viel uit elkaar en de basisinfrastructuur holde achteruit. Sindsdien slagen de autoriteiten er niet in om vrede en vooruitgang te realiseren.

Mijn oma en ik ontvluchtten Congo kort na de oorlog van 1998 en kwamen terecht in een geïsoleerd maar vredig vluchtelingenkamp in buurland Tanzania. We sliepen op matjes op de grond, in huizen gemaakt van modder en in plastic tentjes van de Verenigde Naties. Maar omdat mijn oma bedreigd werd, moesten we onderduiken in verschillende andere vluchtelingenkampen. Na een paar maanden kregen wij via een VN-vluchtelingenprogramma asiel in Nederland. Het is puur geluk dat ik in een land ben terechtgekomen dat in bijna alle opzichten een contrast vormt met mijn chaotische geboorteland. Waar Congo bekend staat als een failed state is Nederland een land dat ‘af’ is.

Kiza, links, met Congolese jongeren in een Ethiopisch restaurant in Mesina; © Kiza Magendane

We zitten op witte leunstoelen in de woonkamer van Nicks appartement in het centrum van Pretoria, een kwartiertje wandelen van het presidentiële paleis. Mijn oom vertelt over zijn tijd in Dar es Salaam. Hij was ongeveer van mijn leeftijd nu, midden twintig, toen hij besloot om het vluchtelingenkamp te verlaten om, zonder bezit en familie, verder te trekken naar de Tanzaniaanse hoofdstad, in de hoop een bestaan op te bouwen. Daar bekwaamde hij zich in het vlechten van vrouwenhaar, een bezigheid waar veel mannen in Tanzania zich voor schamen. Maar Nick maakte het tot zijn beroep. In een paar jaar groeide hij uit tot een gewilde vlechter, met vrouwen van rijken en beroemdheden als vaste klanten. Al snel werd hij de eigenaar van een kapsalon en had hij tientallen medewerkers in dienst.

‘Ik heb nooit alleen gewerkt’, zegt mijn oom en hij knikt naar het televisiescherm. We kijken naar een documentaire over de innovatieve lopende band in de autofabrieken van Henry Ford. ‘Eigenlijk paste ik de lopende band al toe zonder dat ik het door had.’ In zijn kapsalon in Dar es Salaam werd de klant ontvangen door de ene medewerker, haar haar gewassen door een andere, gevlochten door mijn oom of een van zijn collega’s, terwijl weer een ander haar nagels deed, waarna ze ten slotte aan de kassa bij weer iemand anders kon afrekenen.

‘De kapsalonbusiness was in onze handen’, zegt Nick. ‘Wij zorgden ervoor dat de Tanzanianen zichzelf mooi konden maken. Maar de Tanzaniaanse overheid was ondankbaar. We konden geen verblijfsvergunning of nationaliteit krijgen, waardoor we ook geen huis konden kopen.’ Een stabiel bestaan opbouwen was onmogelijk. Vandaar dat hij uiteindelijk in 2004 besloot om Dar es Salaam voor Zuid-Afrika in te ruilen. Hij wilde, net als vrijwel iedere Congolese migrant die ik sprak, op zoek naar betere kansen.

‘Wij zorgden ervoor dat de Tanzanianen zichzelf mooi konden maken. Maar de overheid was ondankbaar. We konden geen verblijfsvergunning krijgen’

‘Vijftien jaar geleden kwam ik aan in Durban, waar ik geen eigen huis had. Overdag werkte ik in iemands kapsalon, ’s avonds moest ik mezelf zien te redden’, vertelt mijn oom terwijl we lunchen in zijn woonkamer. Op het menu staan droge vis uit het Congolese Tanganyikameer en cassavebladeren. Nick woont alleen met zijn vrouw in het appartement, maar het komt zelden voor dat ze met z’n tweeën eten. Elke middag komen mensen uit de Congolese gemeenschap hier om te lunchen en elkaar verhalen te vertellen. Deze gezamenlijke lunchsessies brengen herinneringen bij me terug. In het vluchtelingenkamp kwamen tussen de middag soms wel tien mensen om een warme lunch bij mijn oma te eten. Zo moeder, zo zoon, zie ik nu.

‘Op een avond zat ik alleen in een kroeg in Durban’, vervolgt mijn oom, ‘toen ik iemand mijn naam hoorde roepen. Het bleek een ver familielid te zijn. Weet je, bloedverwanten herkennen elkaar meteen, ook al hebben ze elkaar jaren niet gezien. Hij zei direct dat ik bij hem mocht logeren tot ik iets had gevonden. Zijn huis was net een hotel, we deelden de woonkamer met vijf mannen.’ Inmiddels, veertien jaar later, runt mijn oom een eigen ‘hotel’: in noodgevallen mogen Congolese nieuwkomers in zijn logeer- en woonkamer verblijven. Kosteloos.

Op een avond rijd ik met Nick en een vriend van hem in Nicks grijze Nissan naar een van de kapsalons als we aan de kant worden gezet door twee politieagenten. Het raam gaat omlaag. Mijn oom spreekt een lokale Zuid-Afrikaanse taal met de agenten. ‘Speak in tongue, my brother’, spreekt een van de agenten op een gegeven moment zijn enige Engelse zin. Codetaal voor: zou je me niet eens wat smeergeld betalen? ‘Serious, I cannot speak in tongue right now sir. Next time we will turn the light on’, reageert mijn oom met een aangeleerd Zuid-Afrikaans accent. De twee dienders geven zich gewonnen en verdwijnen.

‘Deze mensen houden niet op’, zegt de vriend vanaf de achterbank. ‘Als je niet weet hoe ze te werk gaan, maken ze je onnodig bang’, vult mijn oom aan. Daarna delen ze anekdotes over hun eerste aanraking met de Zuid-Afrikaanse politie en hoeveel geld ze uit angst zijn kwijtgeraakt. Ze weten onderhand precies wanneer je wel of niet geld moet geven.

‘Nick Beauty Salon’ staat er groot op de voorgevel boven de glazen deuren. De kapsalon bevindt zich in een migrantenbuurt in het centrum van Pretoria. In de straat hangen jonge mannen rond, sommigen van hen hebben een straatwinkel waar ze beltegoed, gekookte maïs en vlees verkopen. Als we de kapsalon binnenlopen zijn de medewerkers geconcentreerd aan het werk – vlechten, knippen, manicure. Nick introduceert me als zijn neefje uit Europa. ‘Welkom thuis’, zegt een man met een fles bier in mijn moedertaal, ‘ze doen alsof wij vreemdelingen zijn, maar dit is Afrika. Dit is onze grond.’ Mijn oom verzoekt hem naar buiten te gaan; geen drank binnen is de regel. Rustig loopt de man naar de veranda achter de kapsalon, waar een stel werkloze mannen ook aan hun bier lurken.

In de kapsalon klinken allerlei talen door elkaar, de medewerkers komen uit verschillende Afrikaanse landen. De jongste schoonheidsspecialist is achttien jaar, mijn oom is de oudste. Zijn werknemers werken van tien uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds, zeven dagen per week. ‘Ik stuur elke maand honderd dollar naar mijn moeder in Congo’, zegt een barbier van mijn leeftijd, terwijl hij een blond plukje in mijn zwarte baard zet. ‘Je kunt je familie niet in de steek laten.’

De veranda aan de achterkant van de kapsalon is omgedoopt tot ‘het kantoor’. Hier komen Congolezen bij elkaar om bier te drinken en nostalgische verhalen te delen. Maar ze klagen ook over Zuid-Afrikanen. ‘Ze behandelen ons als beesten’, roept de man die met zijn bier uit de kapsalon was weggestuurd. Sommige van de bierdrinkers op ‘het kantoor’ zijn sans papiers oftewel ongedocumenteerden. Ik trakteer op drankjes en geroosterd kalkoenvlees van een Congolees streetfood-kraampje aan de overkant van de straat. Ik vraag me af hoe mijn leven eruit zou zien als ik niet in Nederland maar in Zuid-Afrika asiel had gekregen. Zou ik net als mijn leeftijdgenoot haren knippen en baarden verven of zou ik zijn geëindigd als deze aangeschoten zielen in een zelfverklaard kantoor?

Zuid-Afrika is een relatief rijk en stabiel land in een arme regio. Daarom blijven migranten binnenkomen, ondanks de kans op opsluiting of uitzetting. Net als in de rest van de wereld is de migratiewetgeving hier de afgelopen jaren aangescherpt. Daardoor is het vooral voor migranten onder aan de sociaal-economische ladder moeilijker geworden om asiel aan te vragen. Mijn oom deed dat in 2004 en heeft inmiddels een verblijfsvergunning. Maar de mensen die na hem zijn gekomen hebben vaak minder geluk.

oom Nick aan het werk in een van zijn kapsalons © Kiza Magendane

Om zes uur ’s ochtends vormt zich de eerste rij voor de rode, metalen deur van het registratiecentrum van het Zuid-Afrikaanse ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik ben naar Mesina, een stadje aan de noordgrens met Zimbabwe, gekomen om met eigen ogen te zien wat migranten moeten doorstaan om een verblijfsvergunning te bemachtigen. Er zijn opvallend veel Congolezen die dezelfde taal spreken als ik. Ze komen uit de regio waar ik 26 jaar geleden geboren ben. Sommigen van hen hebben vannacht buiten op de grond geslapen om hier op tijd te komen. Anderen hebben in vieze hotels overnacht zonder muggennet of airco, maar de meesten verblijven al een paar maanden in een lokale kerk. Als een vrouwelijke ambtenaar het gebouw betreedt, wenst een Congolese vrouw haar een goede morgen toe. ‘Waarom begroet jij mij eigenlijk?’ reageert de ambtenaar. ‘Ik ben je vriendin niet!’

Zodra de rode poorten opengaan ontstaan er twee nieuwe rijen op de binnenplaats: in de ene staan de migranten die asiel willen aanvragen, in de andere de migranten die uit alle uithoeken van Zuid-Afrika zijn gekomen om de hele dag in de brandende zon te wachten, in de hoop dat hun verblijfsvergunning wordt gestempeld. Een ritueel dat zich iedere zes maanden herhaalt; als ze niet komen opdagen krijgen ze een boete en het is hun enige hoop op een legaal verblijf. De enige kans om te werken, een bankrekening te openen en een huis te huren.

‘Ik kan niet zeggen dat wij voor ons leven moesten vluchten. Wij kwamen naar Zuid-Afrika voor economische kansen’, zegt de 26-jarige Frank. Samen met een vriend besloot hij ruim een jaar geleden om naar Zuid-Afrika te gaan. Het jaar daarvoor was hij nog student informatica en communicatie aan een universiteit in Oost-Congo, maar toen zijn vader plotseling werkloos werd, was hij genoodzaakt om zich uit te schrijven. Met een gemiddeld jaarinkomen van 750 dollar per hoofd van de bevolking is Congo een van de armste landen op aarde. Het collegegeld dat Frank voor zijn studie moest betalen is achthonderd dollar.

‘Het gaat best goed, maar ik vraag me telkens af: hoe kunnen we in een vreemd land blijven terwijl we geen enkele papieren hebben?’

Met de vriend wilde hij een ‘business’ in Congo beginnen, maar ze zagen geen perspectief. Dus besloten ze verder te kijken. ‘We hebben overal gekeken, Malawi, Tanzania, Oeganda – uiteindelijk werd het Zuid-Afrika. Hier is genoeg werk, zelfs straatkinderen krijgen genoeg te eten.’ Na een reis van anderhalve maand via Burundi, Tanzania, Malawi, Mozambique en Zimbabwe eindigden ze acht maanden geleden uiteindelijk in Mesina.

Ik spreek Frank en zes andere Congolese jongeren in een Ethiopisch restaurant tegenover het registratiecentrum. Als het aan hen lag konden we beter iets verder het centrum in om maïspap (fufu) en kip te eten bij een goedkoper Zimbabwaanse straatrestaurantje. Maar het praat hier rustiger en bovendien trakteer ik. Mijn euro’s doen overal wonderen. De jonge twintigers hopen allemaal een verblijfsvergunning te krijgen. Al dromen veel van hen eigenlijk van een leven in Europa of Noord-Amerika. Meer dan eens wordt mij gevraagd of ik nog een weg ken die hen naar Europa kan leiden. Want zelfs iemand als mijn oom, die er wel in slaagde om een verblijfsvergunning te krijgen, leeft in Zuid-Afrika nog altijd in onzekerheid.

Frank werkt inmiddels met een nep-verblijfsvergunning bij een Kentucky Fried Chicken in Durban, waar de zus van zijn vriend woont. ‘Het gaat best goed, maar ik vraag me telkens af: hoe kunnen we in een vreemd land blijven terwijl we geen enkele papieren hebben? Dat is heel gevaarlijk. Daarom heb ik besloten om terug te komen naar Mesina om te kijken of ik toch papieren kan krijgen.’ Vanmiddag is zijn poging mislukt. ‘Ze zeggen dat onze identiteitskaarten nep zijn, maar we gaan het morgen gewoon weer proberen.’ Wat hem nog het meest frustreert is dat hij zonder die documenten geen huis kan huren. ‘Ze hebben vingerafdrukken nodig, maar ik sta nergens in het systeem geregistreerd.’

Rijen immigranten wachten voor het Tshwame Interim Refugee Reception Office in Pretoria, 2016 © Stuart Franklin / Magnum Photos / HH

Er is een vraag die maar door mijn hoofd blijft spelen sinds het moment dat mijn oom me in zijn grijze Nissan ophaalde van het vliegveld: hoe kan zo’n succesvolle ondernemer zo’n kleine, lelijke auto hebben? Helemaal als ik er later achter kom dat mijn oom eerst een luxe Mercedes had. Wat blijkt? Na een aanrijding nam de politie die auto in beslag en ondanks alle pogingen en de hulp van een advocaat heeft mijn oom de Mercedes nooit teruggezien of compensatie gekregen. Omdat hij voor zijn werk mobiel moet zijn, heeft hij deze functionele Nissan gekocht.

Dat kleine grijze autootje, realiseer ik me, is tekenend voor het gebrek aan zekerheid voor migranten in Zuid-Afrika: je kunt zomaar alles kwijtraken wat je hebt opgebouwd. Dat maakt veel migranten die ik heb gesproken nerveus. ‘Kiza, de Zuid-Afrikaanse droom waar je naar op zoek bent, is een deceptie’, vertelde mijn oom toen we een wandeling naar het presidentiële paleis maakten. ‘Die droom bestaat niet. Het is een leugen.’

Door hard te werken is Nick opgeklommen tot de mondiale middenklasse. Op het eerste gezicht belichaamt hij de Zuid-Afrikaanse droom: hij heeft een modern ingericht appartement waar hij de voetbalwedstrijden van zijn lievelingsclub Tottenham Hotspur op een full HD-scherm kan volgen. Hij draagt kwaliteitskleding van zijn favoriete merk Diesel en kan op vakantie als hij wil, als hij tenminste een visum kan krijgen. Hij leeft een leven waar Frank en de andere jongeren die ik bij de grens sprak van dromen: zelfstandig en welvarend.

Maar mijn oom ziet vooral onzekerheid, een leven gebouwd op drijfzand. Door de inflatie heeft hij recent een van zijn kapsalons moeten sluiten. Zijn Mercedes waar hij zo hard voor heeft gewerkt is verdwenen door een juridisch systeem dat krom is. Ondanks alles wat hij bereikt heeft voelt hij zich gevangen – hij kan niet verder, niets opbouwen. Want welke autoliefhebber kiest er nou voor om in een kleine Nissan te rijden als hij het geld heeft voor een luxe Mercedes Benz C500? Iemand die stilstaat, tegen wil en dank.

Migranten in Zuid-Afrika

Over het exacte aantal migranten in Zuid-Afrika bestaan amper betrouwbare cijfers. Volgens de laatste volkstelling van het Zuid-Afrikaanse bureau voor de statistiek (Stats SA) is het aantal migranten (in het buitenland geboren) tussen 2011 en 2016 afgenomen, van 4,2 procent van de totale bevolking naar 2,8. Stats SA zegt dat er meer onderzoek nodig is om deze opvallende daling te verklaren, maar het bureau heeft wel al een vermoeden. ‘Het verminderde aantal immigranten in de volkstelling van 2016 kan wijzen op een diepgewortelde vrees om het land van herkomst openbaar te maken.’

Dat is geen gekke gedachte, gezien het xenofobe geweld dat een jaar voor de volkstelling plaatsvond. In verschillende delen van het land werden winkels en woningen van migranten in brand gestoken. Er vielen zelfs doden. Uit angst verlieten duizenden migranten hun huizen en vluchtten naar opgerichte vluchtelingenkampen of keerden terug naar hun geboorteland.

Eén ding is wel duidelijk: veruit de meeste migranten zijn afkomstig van het Afrikaanse continent (meer dan 75 procent) en een groot deel daarvan uit de naburige regio. Volgens de volkstelling uit 2016 zijn meer dan een half miljoen inwoners geboren in buurland Zimbabwe en een kleine driehonderdduizend in buurland Mozambique.

De Nissan maakt ondertussen weer kilometers op de snelweg. Het gesprek gaat over de film Black Panther – ik vertel dat ik een stuk schrijf waarin ik betoog dat de Marvel-film een escapisme voor zwarte mensen is. Mijn oom ziet dat anders. Volgens hem is er niets mis met een beetje escapisme, want zonder ‘imagination’ kun je geen toekomst bouwen. ‘Het is belangrijk om visie te hebben’, zegt hij. ‘Jij bent in Nederland om dat te leren. Jij hebt gestudeerd, jij kunt niet meer zoals wij met je handen werken of in winkels dingen verkopen. Nee Kiza, jij moet straks jouw kennis, jouw imagination verkopen.’

Mijn oom en ik verlieten beiden ons geboorteland op de evenaar om elders een nieuw leven te beginnen. Hij ging zuidwaarts, ik belandde in het noorden. In beide gevallen was het een zware weg, allebei werden we anders bekeken en behandeld omdat we ‘migranten’ zijn. Maar er is een verschil tussen ons. Ik woon in een land dat sterke instituties heeft en kansen biedt, hij probeert een leven te bouwen op drijfzand. ‘En dat gaat niet’, zegt hij. ‘Alles gaat kapot.’ Toch wil hij, net als de andere Congolese migranten die ik heb gesproken, niet terug naar Congo. ‘Dat is geen optie’, verklaart mijn oom. Het is voorlopig doorbijten of doormigreren. Het zou mij niet verbazen als mijn oom morgen de Zuid-Afrikaanse droom inruilt voor de Europese droom. Misschien koopt hij dan een nieuwe Mercedes.