Gaétan Soucy, Music-hall!

Waarom springbonen springen

Gaétan Soucy

Music-hall!

Vertaald door Han Meijer

Querido, 350 blz., € 18,95

De levenslange propagandist van een surrealistische kijk op de werkelijkheid André Breton was gek op wonderen. Al in de vroege tijd van het surrealisme, toen de beweging bestond uit besloten avondjes waarop al even besloten groepjes ingewijden tegen de werkelijkheid samenzwoeren, was Breton erop gespitst de wonderen strikt van de gewone wereld te onderscheiden. Op zo’n avond liet iemand een stel bonen zien die hij uit Mexico had meegebracht, niet zomaar gewone snij- of prinsessenbonen maar springbonen. De jonge Caillois, die voor een deel nog aan de wetenschap verknocht was en nogal sceptisch Bretons idolatrie bezag, stelde voor de springende bonen open te snijden om te zien wat erin zat. Maar Breton vond dat heiligschennis, het wonder moest intact gelaten worden. In de Mexicaanse bonen bleken beestjes te zitten en te springen. Tussen Breton en Caillois is het nooit meer goed gekomen. Nu ze wisten wat er in de bonen zat, zo merkte Caillois op, was het geheim van de springbonen nog alleen maar een groter wonder. Dat is ook een argument tegen simpeler geesten die vrezen dat de wetenschap straks alle geheimen en wonderen uit de wereld helpt.

In het New York van de jaren twintig, in welke periode de roman Music-hall! van de Canadese schrijver Gaétan Soucy zich afspeelt, is een slopersfirma actief die stadsdelen en de bewoners rijp voor de sloop maakt, waarvoor geen middelen geschuwd worden. De Orde van Slopers creëert ruimte voor het bouwen van de toekomst, met de vooruitgang als lokkertje of smoes. Bij dat idee kan de lezer zich van alles voorstellen. Het pleit voor de schrijver dat hij het slopersgilde niet als een politieke of cultuurfilosofische metafoor heeft uitgemolken. Het geeft te denken, om het ruim te formuleren, zoals de Filosoof in het boek ook hardop doet — een bizarre figuur onder de slopers, die de Filosoof heette omdat hij niet kon slopen zonder erover te mediteren. Het gerucht ging dat hij in de avonduren zelfs een boek schreef, werktitel: Bouwen of slopen? Overpeinzingen in de avond van mijn lange leven. Van hem was de gedachte dat ze in drie dagen afbraken wat maanden had gekost om te bouwen. Die gedachte had hij vaker, maar hij kwam nooit verder dan die uitspraak.

De Filosoof van het Zand der stilte ontfermt zich over de leerjongen, de hoofdpersoon van de roman, en zijn eerste goede daad is een Salomonsoordeel. Als de jongen weigert zijn basketbalschoenen te verruilen voor de verplichte werkschoenen, worden er op aanwijzing van de Filosoof werkschoenen opgeduikeld zó groot dat de leerjongen ze over zijn basketbalschoenen aan kan trekken. De Filosoof is een wonderlijke verschijning in de roman, een van de verbindingsfiguren tussen diverse personages. Op het laatst biecht hij aan Justine die in zijn pension woont op dat zijn hele faam nergens op berust: hij heeft nooit leren lezen of schrijven. Dat boek was dus ook fake. Hij bracht zijn medeslopers in de waan dat hij alles wist en begreep: «En ik heb het spel gespeeld, ik deed o zo gewichtig. Ik speelde ‹de man met het geheim› die laat doorschemeren ‹dat hij op een dag zal spreken›.»

Nu heb ik zijn geheim verklapt, mag dat? Je hebt eendimensionale detectives en andere pageturners die je na de ontknoping maar beter niet opnieuw kunt gaan lezen. Met de onthullingen in dit boek van Soucy is het als met de springbonen: nadat ze zijn open gemaakt, worden hun sprongen alleen maar wonderbaarlijker. Om dit uit te leggen moet ik de roman twee keer navertellen: van voren naar achteren en van achteren naar voren.

Neem de eerste alinea: de jongen maakt een val van vijftien meter in een bouwput, geintje van zijn verse collega’s: «We zijn in New York, eind jaren twintig, op een sloopterrein. De jongen was een pas aangekomen immigrant. Dat beweerde hij tenminste. Xavier X. Mortanse was de naam.» De lezer had gewaarschuwd kunnen zijn — door de toevoeging «dat beweerde hij tenminste» — maar wat doe je driehonderd pagina’s met je twijfel als je van de ene bizarre situatie naar de andere stuitert? Dat beweerde hij zelf — ook na de ontmaskering op het eind weet je niet of zijn bewering dat hij Xavier heet en een zojuist uit Hongarije gearriveerde immigrant is die elke dag, vol nostalgische herinneringen, een brief aan zijn achtergebleven zuster Justine schrijft, een verzinsel was dat hij voor waar hield of een verhaal waarin hij graag wilde geloven hoewel hij wist dat het niet waar was, óf dat hij het niet wilde weten omdat hij niets zo zeer vreesde als de onthulling van het geheim. Als er in het verhaal door iemand gelogen wordt, biecht hij of zij dat zelf op, zoals de beschaamde bekentenis van de filosoof; maar de leugen die veel erger is, het zelfbedrog, is van een heel ander kaliber. Wat is het verschil tussen echte en gespeelde naïviteit? Daar zou het in deze roman wel eens om kunnen gaan.

Ibsen bedacht daarvoor de term levens leugen: dat mensen leven naar het min of meer gefingeerde idee dat ze van zichzelf en hun leven hebben. Zo gelezen leeft elk personage in deze roman met een illusoir spiegelbeeld voor ogen — maar illusies zijn waar zolang ze niet als zeepbellen uit elkaar spatten.

Op de bodem van de kuil waar Xavier in geduwd wordt, vindt hij een kistje van gevernist hout. Er wordt binnenin geklopt. Het is geen gevaarlijke rat, zoals Xavier denkt, die zichzelf al met doorgebeten hals ziet. In het slotje zit een sleuteltje, hij maakt het kistje open: «Hij keek met open mond en ogen als schijven worst. De kikker zat met de benen elegant over elkaar, klakhoed schuin op het hoofd, in rokkostuum, wandelstok met knop achteloos over de smalle schouder. You’ll/ know/ that/ I’m the girl of your dreams… begon ze te zingen, smachtend elke frase duidelijk benadrukt, en ze danste ook en keek de leerjongen strak aan met een blik om brand te stichten in een pantalon. Xavier schudde zijn hoofd, nee, nee.»

Hij leert vervolgens Peggy kennen, een kapstertje dat ook op de achtste verdieping in zijn flatgebouw woont; hij staat op het punt kennis te maken met zijn ploegbaas Lazarus, een verschrikkelijke alles en iedereen hatende bruut, maar als het kistje opengaat en de kikker met haar parapluutje op zijn knieën landt en hem vandaar toezingt, lacht het leven de treurige Hongaarse immigrant met het uiterlijk van een lenteuitje weer toe. De grote teleurstelling wanneer een theateract met de zingende kikker totaal mislukt, omdat de kikker dan gewoon maar kwaakt, mag niet het tussenzinnetje doen vergeten waar je in het begin ook gemakkelijk overheen leest: «Er was iemand om van te houden» — er staat niet eens dat er iemand is die van hem houdt; dit is veel belangrijker, desnoods verzint hij zo iemand.

Het meisje Peggy — dat hem opbiecht dat ze in de avonduren niet in een boekenstalletje staat maar in een lijkenhuis werkt waar ze doden schminkt — is meer met hem begaan dan dat ze grote gevoelens voor hem heeft. Van de bonus die ze op haar werk krijgt wil ze Xavier gelukkig maken. Ze wil hem meenemen naar een music-hall, maar daarvoor moet hij iets anders aan dan dit sloperspak. Een probleem is alleen dat hij zich niet waar anderen bij zijn wil uitkleden. Het resultaat is een malle verschijning van een jongetje in krijtstreep pak en bijpassende ronde hoed, met paarse das en basketbalschoenen. Uiterlijk én innerlijk zijn opmerkelijk: hij heeft vogelhersens, zegt hij zelf, want hij vindt overal zijn weg; eet uitsluitend sla en wortelen; kan fenomenaal schaken, zoals bij toeval blijkt, en draagt plankjes om zijn bovenlichaam.

«Bedacht en geschapen als een engel», staat er ergens. Waar komt dit creatuur vandaan? Daarvoor sla ik even een paar honderd pagina’s over: Vincent, een jonge Canadese schaakkampioen, is sinds een jaar verdwenen. Hij was met een beurs in New York beland maar op een belangrijk toernooi ingestort — hij haatte schaken — en stapte op een vijfde verdieping uit het raam. De lijkschouwer lapte hem op door van zes personen de intacte delen samen te voegen; van Vincent was het gezicht nog heel. De letters van de zes vormden het anagram Xavier. De moeder van Vincent heette Justine. De lijkenpikker was al zijn hele leven verliefd op haar, noemde haar zijn zus, en dat had Xavier onder haar jeugdfoto gezien: je zus Justine. Dus dacht hij een zus Justine in Hongarije te hebben; Hongarije omdat de jongen bij zijn wederopstanding in een reclamefolder over dat land las, waaruit hij ook zijn herinneringen had. Een constructiefout was het gevolg van de hormonen vanwege het vrouwelijke onderdeel, vandaar de plankjes om zijn bovenlichaam. De schoenen mochten niet uit omdat het weefsel op sommige plaatsen degenereerde. Mooi is vooral dat alle herinneringen waarop de jongen teert uit een ratjetoe van toeval lige flarden bestaan die hij bij zijn weder geboorte vergaart, voor de rest heeft hij ze overgehouden aan de diverse geleende lichaamsdelen. Maar zoals voor de illusie geldt: de herinneringen zijn hem er niet minder dierbaar om. Zijn geheugen werkt als dat van een computer, dat ook geen geheugen maar een opbergvak is als een vriesvak of klerenkast.

Dat weet de lezer allemaal pas op het eind, maar weet Xavier het zelf? Dat komt de lezer niet te weten. Wat hij denkt ziet hij voor zich, en wat hij ziet ondergaat hij met een intensiteit alsof het hem persoonlijk betreft. Gezien de titel van de roman moet de music-hall belangrijk zijn. Xavier ziet op het toneel een Chinese geschiedenis, De opgelapte Mandarijn: «een uur lang was men getuige van een lawine van extravaganties, wonderen, onverwachte verrukkingen, krankzinnige bedenksels». Dat slaat op de music-hall, dus ook op de roman. De jonge Mandarijn ontdekt dat hij een bastaard is en wordt door boze feeën aan stukken gescheurd; in het tweede deel wordt door een Tovenaar het hoofd dat als enige nog leeft aangevuld met het lijf van een tijger, twee hondenpoten, pelikanenvleugels en een rattenstaart. Dat de leerjongen het schouwspel verbluft aanziet is minder vreemd dan dat hij aan het eind totaal uitgeput is: hij heeft het aan den lijve meegemaakt. Op dat moment weet de lezer nog van niks. Met terugwerkende kracht gelezen wordt het allemaal nog wonderlijker.

Het ligt voor de hand, maar eigenlijk moet je het bij elk boek opnieuw zeggen: er zijn boeken die je snel achter elkaar moet lezen om een en ander bij elkaar te houden. Dit is een boek dat door te snel lezen uit elkaar spat in excentrieke scènes, levens en verhalen. Als je er de tijd voor neemt, en af en toe terugleest, voegen thema’s en verhaallijnen zich samen en ontstaat er een hecht samenhangend geheel. Het verhaal van de Orde der slopers krijgt dan reliëf, dat van de zingende kikker of de op toneel als psychoanalytica optredende struisvogel. Een verhaal apart is de documentaire die de grote Hollywoodfilmer D.L.W. Griffith van de sloperswereld maakt, een krankzinnige reclamefilm. Belangrijk is een figuur die tegelijk met Peggy al halverwege uit beeld verdwijnt, omdat hij haar in de fik steekt en zichzelf ophangt: de jonge ploegbaas Lazarus, de kwelgeest van de leerjongen: hij is de duistere, gewelddadige schaduw van Xavier, die en passant gezegd veel weg heeft van de naïeve immigrant uit Kafka’s roman Amerika. Het koppel wereldvreemde Xaviër, die niet kán liegen, en inslechte Lazarus, zijn keerzijde, moet je bij elkaar lezen. Maar wat is het zelf van de geassembleerde Xavier? Het gaat om een aan elkaar gelaste persoonlijkheid, niettemin ontwikkelt zich uit geleende herinneringen, nagebootste opvattingen en gevoelens toch zoiets als een eigen persoon. In de eerste roman die twee jaar geleden van Soucy (1958) vertaald werd, een even wonderbaarlijk boek maar veel beknopter, Het meisje dat te veel van lucifers hield, was de hoofdpersoon ook een meervoudige persoon, half meisje, half jongen en ook nog eens de helft van een tweetal. Het wonderlijke aan Soucy’s boeken is dat ze vol ideeën zitten, je kunt ze er alleen niet zomaar uithalen; hij maakt er romans van.