Biohacking

Waarom volstaan met vijf zintuigen?

Duizenden mensen dragen onderhuidse microchips, voor biohackers slechts een eerste stap op weg naar de transhumanistische mens. ‘We moeten af van het idee dat wetenschap het best kan worden overgelaten aan professionals.’

Met een zenuwachtig glimlachje om de mond zit Rob Bos (26) op de operatiestoel van een piercingshop in Utrecht. Zijn linkerhand, geel van de jodium, rust op een bijzettafeltje. Als de piercer een dikke injectienaald te voorschijn haalt en het flapje huid tussen zijn duim en wijsvinger samenknijpt, wendt de tabletreparateur uit Heerlen zijn blik af. ‘Even uitademen’, raadt de piercer hem aan. Dan duwt deze de spuit in Bos’ hand en brengt, met een gedecideerde druk op de knop, een microchip onderhuids in. Grimassend slaat Patrick Paumen het tafereel gade. ‘Gefeliciteerd, nu ben je een cyborg.’

Paumen is degene die hem ‘erin heeft gesleurd’, vertelt Bos. Het tweetal kent elkaar van een hackerspace in Heerlen, waar Bos gebiologeerd raakte door de collectie chipimplantaten die Paumen in zich draagt. ‘Ik was geïntimideerd, maar tegelijkertijd nieuwsgierig.’ De 34-jarige Paumen – zachte tongval, pretoogjes, zwart gekleed – telt inmiddels zestien geïmplanteerde microchips en magneten in zijn handen en armen. Daarmee opent hij zijn voordeur, telefoon, laptop, auto en de slagboom en toegangsdeur op zijn werk. Ook meet hij zijn kerntemperatuur, versleutelt hij data en voorziet hij zijn e-mails van een digitale handtekening. Handig, vindt hij. En met de magneten in zijn vingertoppen voelt hij overal magnetische velden: de koelkast, luidsprekers, de magnetron. ‘Ik neem een onzichtbare wereld waar.’

Chipimplantaten zijn een belangrijk nummer uit het repertoire van zogeheten biohackers, een los-vaste gemeenschap idealisten, kunstenaars, nerds of anderszins technologiefanaten die de (menselijke) biologie proberen te ‘hacken’. Met behulp van bijvoorbeeld implantaten, alternatieve supplementen of gentherapieën pogen deze biohackers de vermogens van hun lichaam en geest te verruimen. Ze nemen geen genoegen met de menselijke natuur zoals de evolutie die heeft opgeleverd, maar zoeken naar manieren om haar grenzen op te rekken met behulp van technologie. Waarom volstaan met vijf zintuigen wanneer je, met een beetje klussen aan jezelf, ook magnetische velden kunt voelen, het noorden kunt lokaliseren en met nachtvisie kunt zien?

Zo denken velen erover. Wereldwijd lopen tussen de vijftig- en tachtigduizend mensen rond met een chip, schat Amal Graafstra van het Amerikaanse bedrijf Dangerous Things, de voornaamste producent van chipimplantaten en bijbehorende doe-het-zelfpakketten. ‘Als je onze verkoopcijfers combineert met schattingen van kleinere concurrenten lijkt me dat een goede gis.’ Ook in Nederland hebben een paar honderd mensen een chip. Biohackers ontmoeten elkaar online, op Facebook en fora zoals biohack.me, of op internationale technologieconferenties, waar een breder publiek kennismaakt met hun experimenten. De fanatiekste onder hen, vaak grinders genoemd, treffen elkaar in garages en thuislaboratoria, waar ze hun eigen snufjes (wetware) in elkaar knutselen en uitproberen.

De biohacking-scene is begiftigd met een doe-het-zelfattitude: het zelfexperiment staat voorop. Sommigen durven daarin ver te gaan. Drie jaar geleden bijvoorbeeld kreeg een Californische biohacker oogdruppels toegediend met daarin een stof die wordt aangetroffen in diepzeevissen. Uit het experiment zou zijn gebleken dat het proefkonijn tijdelijk een beter nachtzicht had dan deelnemers die geen oogdruppels hadden gekregen.

Ook Paumen begon jaren geleden met huis-tuin-en-keukenmethoden te sleutelen aan zichzelf. ‘De eerste keer wilde ik een magneetje in mijn vingertop implanteren’, vertelt hij op het terras van de snackbar tegenover de piercingshop. ‘Met ijswater had ik mijn vinger gevoelloos gemaakt en met een zakmes een incisie gezet, maar het lukte niet om de magneet in te brengen.’ Hij drukt op een bobbeltje in zijn handrug, waar hij de implantaat toen maar heeft geplaatst. Ook zijn tweede implantaat, een microchip, injecteerde hij eigenhandig. ‘Met een wasknijper hield ik de huid bij elkaar.’

Tegenwoordig laat hij zulke operaties over aan Tom van Oudenaarden, de piercer die zojuist ook Rob Bos heeft gechipt. De voormalige kok, die na een motorongeluk zijn nieuwe métier vond in piercen, haalde het nieuws met een geïmplanteerde ov-chip in zijn hand. Het siliconen implantaat was bewust een maatje groter dan noodzakelijk, vertelt Van Oudenaarden. ‘Anders had niemand hem gezien. Ik wilde juist de discussie op gang brengen.’ Hele treincoupés deed hij versteld staan, maar na een maand of vier had hij het wel gezien. ‘Het was lastig om mijn hand in mijn broekzak te stoppen’, grijnst hij. ‘En ik reis bijna nooit met het ov.’ De chip wordt tegenwoordig tentoongesteld in Rijksmuseum Boerhaave in Leiden, in een siliconen afdruk van zijn hand.

Gewoon een fetisjisme, denkt u wellicht. Maar wie biohackers louter voor curieuze hobbyisten houdt, gaat voorbij aan de onderliggende betekenis van dat geklooi met chips, magneten en oogdruppels. Biohacking, zo onderschrijven veel praktiserende biohackers zelf, is een uiting van transhumanisme, een filosofie die op de keper beschouwd minder obscuur is dan doet vermoeden.

‘Volgens trans­humanisten kunnen en moeten we ouderdom als doodsoorzaak uitbannen, kunnen en moeten we fuseren met machines’

Uitgangspunt van het transhumanisme is dat de mens zich moet bevrijden uit zijn biologische keurslijf, het menselijk lichaam in zijn huidige vorm, dat hem in zijn mogelijkheden beperkt. ‘De transhumanistische beweging komt voort uit de overtuiging dat we technologie kunnen en moeten gebruiken om controle te krijgen over de toekomstige evolutie van onze soort’, observeert de Ierse publicist Mark O’Connell in zijn boek To Be a Machine, dit jaar verschenen in de Nederlandse vertaling De mensmachine. ‘Volgens transhumanisten kunnen en moeten we ouderdom als doodsoorzaak uitbannen, kunnen en moeten we technologie gebruiken om de mogelijkheden van ons lichaam en onze geest uit te breiden, kunnen en moeten we fuseren met machines.’

De ontstaansgeschiedenis van transhumanisme voert terug op Julian Huxley, een evolutionair bioloog uit het befaamde Britse Huxley-geslacht (Aldous was zijn broer). In de jaren vijftig muntte hij de term ‘transhumanisme’ om zijn ‘nieuwe geloof’ te omschrijven. ‘De mens blijft menselijk, maar overstijgt zichzelf door het realiseren van nieuwe mogelijkheden voor zijn menselijke natuur’, formuleerde hij in een essaybundel die in 1957 verscheen. (Een intellectueel startpunt dat gepaard ging met een technologische doorbraak: een jaar later werd de eerste microchip uitgevonden.)

In het Californië van de jaren zeventig en tachtig organiseerden visionairs en nerds zich rond dit idee. Het betrof geïsoleerde groepjes, een verenigd wereldbeeld ontbrak. Transhumanisme oefende een grote aantrekkingskracht uit op zonderlinge denkers, van lsd-goeroe Timothy Leary tot de Iraans-Amerikaanse futuroloog Fereidoun Esfandiary. Laatstgenoemde veranderde zijn naam in FM-2030 – hij hoopte in het jaar 2030 onsterfelijk te zijn, maar overleed in 2000. Sinds zijn dood ligt FM’s lichaam in een vrieskist in Arizona, net als dat van menige andere transhumanist, in afwachting van technologie die hem tot leven kan wekken.

Pas eind jaren negentig kroop het transhumanisme uit zijn Californische cocon. De Zweedse filosoof Nick Bostrom, nu een befaamd hoogleraar in Oxford, richtte met een Britse geestverwant in 1998 de World Transhumanist Association op. Het was een paraplu-organisatie die de diverse transhumanistenclubjes uit die eerste internetjaren verenigde en tegelijk transhumanisme op de agenda wilde zetten van wetenschap en politiek. In 1998 implanteerde de Britse hoogleraar Kevin Warwick als eerste mens een microchip in zijn lichaam, waarmee hij tot ’s werelds eerste ‘cyborg’ werd verklaard. Ook in dat jaar werd de transhumanistische opmars bezegeld met een eerste internationale conferentie. Plaats van samenkomst: Weesp.

‘Als ik nou een chip in mijn hoofd had, zou ik alles zo kunnen reproduceren’, grinnikt Berrie Staring. Twintig jaar later zit de 46-jarige innovatieconsultant uit Nijmegen achterover geleund op de bank van zijn splinternieuwe appartement. De ramen bieden een groen uitzicht dat de stad doet vergeten, met in de verte de Waal. Destijds heeft Staring de conferentie in Weesp georganiseerd, de eerste keer dat transhumanisten uit alle windstreken bij elkaar kwamen. ‘In zekere zin is de beweging dus begonnen in Nederland.’

Als tiener deed Staring zijn transhumanistische ideeën op in het boek Engines of Creation van Eric Drexler. ‘Dat boek heeft mijn leven veranderd. Het beschrijft hoe we met nanotechnologie atomen kunnen manipuleren. Mijn leven viel op zijn plek: atomen zijn de legosteentjes van het leven, waarmee alles mogelijk is.’ Op het toen ontluikende internet trof hij geestverwanten uit binnen- en buitenland, met wie hij dagelijks kennis en ideeën uitwisselde. Met een paar Nederlanders richtte hij in 1998 Transcedo op, de transhumanistische vereniging van Nederland, met wie hij het weekend in Weesp op touw zette. ‘Die conferentie voelde heel bevrijdend. Tegenwoordig kun je elke subcultuur eenvoudig online vinden, maar toen was dat nog lastig.’

‘Al duizenden jaren zijn mensen bezig hun natuurlijke omgeving te bewerken, maar in die zucht naar creatie zijn we lange tijd één ding vergeten: onszelf’

Voor Staring is transhumanisme volstrekt rationeel. Elk sentiment, van existentiële angst voor de dood tot fetisjistische verlangens om een mensmachine te worden, is hem vreemd. ‘Mijn uitgangspunt is dat wat technologisch kan gebeuren, gaat gebeuren. Ik accepteer daar de consequenties van.’ De optimalisatie van ons lichaam moet volgens hem op het meest elementaire niveau plaatsvinden, dat van de atomen en de quarks. Vandaar dat Staring weinig op heeft met de implantaten van biohackers. ‘Een onderhuidse chip die niet communiceert met je brein is gewoon ict’, schampert hij.

Dat we in de toekomst aan onze ‘legoblokjes’ kunnen rommelen, staat voor Staring vast. Maar hoe meer hij met andere transhumanisten discussieerde over kwesties als onsterfelijkheid en breinsimulatie, hoe duidelijker het werd dat die technologie nog ver weg is. Geen wonder dat veel aandacht van transhumanisten uitgaat naar ‘cryonisme’, het invriezen van mensen na hun dood in de hoop dat ze in de toekomst weer tot leven worden gewekt. Staring heeft er zijn bedenkingen bij. Toen Transcedo na een aantal jaar als een nachtkaars uitging, zei hij de beweging vaarwel. Andere leden hebben vervolgens de Dutch Cryonics Organisation opgericht, die ervoor ijvert om ‘cryogene suspensie’ in Nederland mogelijk te maken. Hun credo: invriezen en afwachten.

Zoveel geduld hebben biohackers niet. ‘Ik wil weten wat er mogelijk is met de technologie die we nu hebben’, verklaart Patrick Paumen. Biohackers noemen zich dan ook wel ‘praktische transhumanisten’ die niet willen wachten tot een of andere superintelligentie of revolutionaire nanotechnologie tot wasdom is gekomen, maar nu al pogen te versmelten met de technologie die voorhanden is.

‘Wij geloven dat de transhumane toekomst er al is’, zei Tim Cannon tijdens een presentatie. Cannon groeide uit tot internationaal boegbeeld van de grinders-scene, nadat hij vijf jaar geleden tijdelijk een biometrische sensor ter grootte van een kaartendek in zijn onderarm liet implanteren. In de kelder van zijn huis in Pennsylvania heeft Cannon een laboratorium waar hij samen met andere biohackers wetware maakt en uitprobeert. Zo werken ze aan de Northstar waarmee je het magnetische noorden moet kunnen voelen en apparaten met een simpele handbeweging moet kunnen besturen. Vooralsnog is het slechts een onderhuids ledlampje.

Volgens Cannon is de betekenis van zulke experimenten groot. ‘We doen deze dingen met ons lichaam omdat we sociale taboes moeten doorbreken’, verklaarde hij tijdens dezelfde presentatie. Door nu al openlijk te experimenteren met chipimplantaten leggen grinders de kiem voor bewustwording en, wie weet, acceptatie van de technologische uitbouw van ons lichaam. Cannon beschouwt biohacking als een tegencultuur. Wezenlijk daarin is ‘burgerwetenschap’: de leek die niet wacht op Silicon Valley of mit maar zelf experimenteert. ‘We moeten af van het idee dat wetenschap het best kan worden overgelaten aan professionals.’

Vanuit die rebelse gedachte hebben biohackers doorgaans weinig op met de rompslomp van klinische testen en ethische commissies, zelfs niet als het aankomt op gerommel met dna. Neem Aaron Traywick, als transhumanist en biohacker niet onomstreden in eigen kringen, die een zelfgebrouwde gentherapie tegen herpes op zichzelf testte. Met het nodige theater zette de 28-jarige Traywick op een technologieconferentie een spuit in zijn bovenbeen. Het was een dikke middelvinger naar de Amerikaanse toezichthouder, die eerder had gewaarschuwd voor zelfgemaakte behandelingen. ‘Ik zie gentherapie absoluut als iets politieks’, verklaarde Traywick achteraf tegenover de Amerikaanse pers. (Twee maanden later werd hij dood aangetroffen in een therapeutisch zoutwaterbad. De zaak is niet opgehelderd, maar Traywick had wel de harddrug ketamine in zijn bloed.)

‘De wetenschap is heel voorzichtig met alles wat met leven en biologie te maken heeft’, zegt futuroloog Paul Ostendorf. ‘Biohackers vinden dat dat te lang duurt.’ Volgens Ostendorf, die van toekomstanalyses zijn specialisme heeft gemaakt, zijn we inderdaad op weg naar een wereld waarin de mens controle krijgt over zijn eigen biologie. ‘Het leven is een rationele, kwantificeerbare manifestatie die we, als we het eenmaal volledig hebben doorgrond, naar eigen inzichten kunnen vormgeven. Al duizenden jaren zijn mensen bezig hun natuurlijke omgeving te bewerken, maar in die zucht naar creatie zijn we lange tijd één ding vergeten: onszelf. Nu richt onze vernieuwingsdrift zich ook op de mens, in het geval van biohacking tot in het extreme.’

‘In veel opzichten lijkt transhumanisme de perfecte religie voor een moderne, zelfzuchtige tijd’, schrijft de Britse publicist Jamie Bartlett in zijn boek Radicals (2017), ‘een uitvergroting van de maatschappelijke obsessie met individualisme, perfectie en jeugdigheid.’ Illustratief is Zoltan Istvan, de leider van de Transhumanist Party die twee jaar geleden de Amerikaanse verkiezingen inging met onsterfelijkheid als verkiezingsbelofte. (Ter promotie toerde hij in een doodskistvormige bus.) Ook Mark O’Connell beschouwt transhumanisme niet als een randverschijnsel. Het geloof in vooruitgang dankzij technologie, het vertrouwen in machines om de uitdagingen van de toekomst te bolwerken, is alomtegenwoordig, observeert hij in De mensmachine – hoe vaak wordt wel niet gepredikt dat een app, platform of apparaat de wereld beter maakt? ‘In die zin is transhumanisme de versterking van een tendens die toch al inherent is aan een groot deel van wat wij als de heersende cultuur beschouwen, aan wat we zonder omhaal kunnen benoemen als kapitalisme.’

Het mag niet verbazen dat sleutelfiguren in het techno-kapitalistisch hart van de wereld, Silicon Valley, zich vereenzelvigen met transhumanisme. Neem Peter Thiel, de rijke en beruchte durfkapitalist die als zelfverklaard transhumanist miljoenen steekt in levensverlengingstechnologie. Of de befaamde futurist Ray Kurzweil, transhumanist en fakkeldrager van de singulariteit (het moment dat kunstmatige intelligentie op eigen kracht de mens voorbijstreeft), die een topfunctie bekleedt bij de onderzoeksafdeling van Google. Beiden worden na hun dood ingevroren in Arizona. ‘Hoe extreem en vreemd transhumanisme ook mag lijken, het oefent niettemin een zekere vormende druk uit op de cultuur van Silicon Valley’, schrijft O’Connell, ‘en daarmee op de bredere culturele verbeelding van technologie.’

En dat boezemt sommigen angst in. Toen hem werd gevraagd wat hij beschouwt als ’s werelds gevaarlijkste idee antwoordde Francis Fukuyama onomwonden ‘posthumanisme’. In zijn boek De nieuwe mens uit 2002 waarschuwt de invloedrijke Amerikaanse politicoloog voor een toekomst waarin onze biologie als zodanig geen gegeven meer is. De menselijke aard is de enige eigenschap waarin alle mensen gelijk zijn, redeneert Fukuyama, en vormt daarmee het fundament van ons politieke systeem. ‘Een technologie die in staat is om te herscheppen wat we zijn, kan kwaadaardige gevolgen hebben voor de liberale democratie en de aard van politiek zelf.’

In de Utrechtse piercingshop is van Fukuyama’s dystopie evenwel geen spoor te bekennen. Op het terras kijkt Rob Bos, nippend van een blikje sinas, nieuwsgierig naar de pleisters op zijn hand. Met zijn telefoon scant vriend Paumen de chip door het verband heen – pling, hij doet het. ‘Leuk om mee te spelen’, stelt Bos tevreden vast. Hij hoopt met zijn hand straks de deur van hun hackerspace te kunnen openen. En hij gaat experimenteren met de digitale beveiliging van de chip – hij is tenslotte een hacker.

Van vrienden en familie hoeft ‘cyborg’ Bos geen afwijzende reacties te verwachten. Ook zijn christelijke moeder blijft knap kalm onder het feit dat haar zoon een chip in zijn lichaam heeft. ‘Ik ben me gaan realiseren dat het niet veel anders is dan een tattoo hebben.’ Zwaaiend met zijn gechipte hand neemt Bos afscheid van piercer Van Oudenaarden, die zich al weer opmaakt voor de volgende klant. ‘Ik denk tot de volgende keer.’