Ben de Pater en Tom Sintobin (red.): Koninginnen aan de Noordzee

Waarom we naar zee gaan

Ongedwongenheid, daar gaat het om. Naar het strand. Wind in de haren. Even los van de knellende banden.

Ben de Pater en Tom Sintobin (red.): Koninginnen aan de Noordzee, Scheveningen, Oostende en de opkomst van de badcultuur rond 1900. Uitgeverij Verloren. 271 p., € 25,-

Toen de soldaten van Xeno­phon in 401 voor Christus de Zwarte Zee zagen en een van de beroemdste kreten uit de geschiedenis slaakten (Thalassa, thalassa, zee, zee) deden ze dat niet omdat ze het uitzicht zo mooi vonden. Ze schreeuwden het uit omdat ze een rampzalige tocht achter de rug hadden, dwars door de valleien van Eufraat en Tigris, over de bergen van het nog altijd onherbergzame gebied ten zuiden van Trabzon waren getrokken en eindelijk, eindelijk zee ontwaarden. Toen wisten ze het: we halen het, we komen thuis. Met de zee zelf, als natuurverschijnsel of als object van schoonheid en plezier, hadden Xenophons mannen niets. Een zee was een verbinding tussen twee punten en een bron van voedsel, meer niet. Zo is het voor een meerderheid van de mensheid tot voor kort altijd geweest. Uit de zee haalde je koopwaar, over zee ging je naar elders. Daarmee was het belangrijkste over die plas nat zout wel gezegd.

Op één ding na: angst. Die angst is sinds de tsunami van bijna tien jaar geleden ook voor ons weer eenvoudig voorstelbaar. Dat water. De enorme, onbeheersbare, grillige kracht van die onafzienbare, onvoorstelbare hoeveelheid water. Hoe groot de boot ook is, op zee is hij niet meer dan een notendop. Achter dit besef moet bijvoorbeeld de symboliek van de ondergang van de Titanic gezocht worden, de toenmalige tijdgenoot ervoer dat ook zo: dat de mens ondanks alle vooruitgang (de Titanic zonk aan het eind van een tijdperk van revolutionaire veranderingen) uiteindelijk niet meer is dan een veertje in de storm. Vandaar ook dat Jean Delumeau angst voor de zee in zijn fraaie boek over dat fenomeen (La peur en Occident, 1978) een van de klassieke emoties noemt. Voor sommigen is dat nog altijd zo. Thalassaphobia, zo leert meneer Google in duizendvoud, is een veel voorkomende aandoening. Het is voor eenieder die ooit echt gevaren heeft eenvoudig te begrijpen: die volle, onafzienbare, vlakke leegte die elk moment kan omslaan in een duizendkoppig monster. Wie durft in het besef van een dergelijke kracht en grilligheid volmondig te beweren dat zo’n zee geen angst inboezemt?

Het duurde tot de negentiende eeuw dat zee een andere betekenis kreeg dan de tot dan toe gebruikelijke. Dit kwam om te beginnen door hetzelfde vooruitgangsoptimisme dat de Titanic voortbracht. De mens leek steeds beter in staat de natuur te beheersen, figuurlijk en letterlijk. Zo werden bergen getemd door paden, trappen en kabelbaantjes, zeeën door dijken, pieren en boulevards. Maar deze beheersing was nooit volledig en kon dat ook niet zijn. Het is deze paradox die berg en zee zo’n geliefd thema maakte in de Romantiek. Of het nu Moby Dick is van Herman Melville (1851), het spookschip van Coleridge’s Ancient Mariner (1798) of een van de schilderingen van Caspar David Friedrich, de zee was en bleef, ondanks de schijnbare beheersing, grillig en spannend. De paradox is prachtig verwoord in Goethe’s beroemde en veel gezongen Meeresstille, uit 1795. De zee is rustig, geen vuiltje aan de lucht, geen golfje te zien. En toch…

Tiefe Stille herrscht im Wasser,Ohne Regung ruht das Meer,Und bekümmert sieht der SchifferGlatte Fläche ringsumher.Keine Luft von keiner Seite!Todesstille fürchterlich!In der ungeheuern WeiteReget keine Welle sich.

Deze paradoxale zee sprak voorlopig alleen een elite aan – vanzelfsprekend, de meerderheid had voor dergelijke subtiliteiten geen tijd en gelegenheid. Die elite, (hoge) burgerij en de verburgerlijkte adel, droeg sinds het eind van de achttiende, begin negentiende eeuw een wereldbeeld uit dat tot dan toe niet of nauwelijks bestaan had: van genieten van cultuur en natuur, van ontspanning na gedane arbeid en van een leven vol gezelligheid en gezondheid. Vooral dit laatste aspect maakte de zee (evenals bergen en meren trouwens) geliefd. Het wordt beschreven in een groot aantal – wat heet – thalassotherapeutische verhandelingen. Wie zich geregeld met zeewater overspoelde, ja van dat water zelfs af en toe een flinke slok dronk, kon verzekerd zijn van een lang en gezond leven.

Tegen de achtergrond van deze inzichten kwamen in de loop van de negentiende eeuw overal langs de Europese kust badplaatsen tot ontwikkeling: Brighton, Scarborough, Arcachon, Royan, San Sebastián, Biarritz, Nice, Oostende, Scheveningen. Over de twee laatstgenoemde plaatsen gaat het boek Koninginnen aan de Noordzee: Scheveningen, Oostende en de opkomst van de badcultuur rond 1900. Het bestaat uit een vijftiental opstellen over allerlei aspecten van badcultuur en genoemde badplaatsen. Aangename, serieuze lectuur voor aan het strand. Want wat een verschillen! En hoe interessant die steden en hun cultuur te bezien vanuit de recente gebeurtenissen rond de Scheveningse pier. We weten het al lang maar dit boek maakt het weer eens glashelder: dat wat betreft de strandcultuur een tijdperk écht voorbij is; het duurde maximaal tweehonderd jaar, opkomst en ondergang meegenomen.

Een van de meest interessante aspecten van de toenmalige strandcultuur is een variant op genoemde paradox van een tegelijkertijd beheerste en onbeheersbare zee. Want waarom ging men eigenlijk naar zee? De belangrijkste reden, in één zin gezegd: omdat het er anders was. ‘Nooit misschien en nergens maakte de mode zich van alle banden los en voelt zich meer vrij dan gedurende het badseizoen en wel voornamelijk op zeebadplaatsen’, schreef modetijdschrift De Gracieuse eind juni 1886 op de voorpagina. Over de reden van die vrijheid was het tijdschrift minder zeker. ‘Of het de invloed is van het ongedwongene wereldburgerlijke verkeer of de inwerking van de verhevene grootsche natuur die den blik verruimt, wie zal het zeggen?’ Onder het artikel (overigens vrij eenvoudig te vinden via het Geheugen van Nederland) staat een plaatje van vrouwen en kinderen, modieus en naar toenmalige maatstaven ongedwongen aangekleed. Want daar ging het om: ongedwongenheid. Het ontbloten van een stukje been. Wind in de haren. Aanraking met de natuur. Even los van de beknelling van dagelijkse banden. Vergeet niet, dit was de negentiende eeuw, het tijdperk van het fysieke en mentale korset waaruit losmaking zo goed als onmogelijk leek. Behalve dan in de marges van het bestaan, ’s zomers aan het strand bijvoorbeeld. Weliswaar domineerden ook daar dezelfde zeden als in de stad – in het geval van Scheveningen was die stad in de eerste plaats Den Haag – maar er was meer ruimte, letterlijk en figuurlijk, er was meer mogelijk. Aan het strand leefde men ook enigszins buiten de eigen kring. Daar verbleef de schatrijke Duitse adel – die men anders nooit zag. Daar flaneerden kunstenaars – waar men in de eigen omgeving hoogstens over hoorde. Daar waren zelfs volkse lui te zien – vissers bijvoorbeeld, hoe spannend! Dit was immers ook het tijdperk van madame Bovary (1856) lady Chatterley (1928). Met betrekking tot de fantasieën van beide dames is er trouwens een prachtig affiche dat Jan Toorop in 1900 ontwierp om Katwijk te promoten. Het zal zeker niet zo bedoeld zijn en de interpretatie gaat wellicht wat ver, maar toch: de stoere visser van het plaatje contrasteert sterk met de saaie types die de dames dagelijks ontmoetten en die zich op foto’s van de toenmalige badcultuur ook steeds weer laten zien: hoed, pak, das, alles in zwart. Op het Katwijks affiche daarentegen staat een MAN, drie hoofdletters.

‘Weet gij dat er nog een andere wereld is dan uw straten en pleinen en parkjes, uw menschen en winkels en kantoren, uw wereld van zaken en drukte en mufheid en stof?’ Aldus Het Nieuws van den Dag eind mei 1898. Het zogenoemde vrijheidsvertoog was ondertussen al weer een stapje voortgeschreden, het stuk been was iets bloter, de mogelijkheden waren iets groter en op sommigen stukjes strand, zo klonk het verontwaardigd, waren er zelfs die verder gingen dan fatsoenlijk was. Weer ruim tien jaar later zou dit in kleine kring leiden tot de verering van puur natuur – naakt dus. Maar toen stond de Eerste Wereldoorlog al zo’n beetje op uitbreken en begon een ander tijdperk.

Bij nader inzien is het onmiskenbaar dat de negentiende-eeuwse strandcultuur kapot is gegaan aan haar eigen succes. Zeker na de opening van de pier in 1901 werd Scheveningen zoiets als een nationale huiskamer – zevenhonderdduizend nieuwsgierigen gingen het ding in het eerste jaar bekijken en dat is op een bevolking van ruim vijf miljoen echt heel veel! Daarmee ging voor degenen die zich iets anders konden permitteren de lol er spoedig af. Voeg hieraan toe dat de Duitse elite, voor Scheveningen altijd belangrijk geweest, in de Eerste Wereldoorlog wegbleef en dat Nederland om klimatologische redenen voor strandcultuur toch eigenlijk niet zo geschikt is (tussen 1906 en 1924 waren er in het seizoen gemiddeld 38 zomerse maar 46 regenachtige dagen) en het is eenvoudig te begrijpen dat degenen die het zich konden permitteren steeds vaker naar elders gingen. En zoals altijd gaven zij, die voorlopers, de richting aan die op den duur ook anderen gingen. Oostende, Schevingen, Scarborough en Biarritz aan de Oceaan maakten plaats voor Benidorm, Marmaris en Nice aan de Middellandse of nog verdere zeeën. Tegelijkertijd begon vrijheid deel uit te maken van het leven van alledag. Daarvoor was het strand niet langer nodig.

Ben de Pater en

Tom Sintobin (red.)

Koninginnen aan de Noordzee: Scheveningen, Oostende en de opkomst van de badcultuur rond 1900

Verloren, 271 blz., € 25,-