Pessimisme als morele plicht

Waarom we nu geen bofkonten zijn

De mens is nu beter af dan een aantal eeuwen geleden, maar helpt die boodschap de vooruitgang verder? Over het zinloze gelijk van de Verlichtingsoptimisten.

Beeld Mike Freiheit, tekst Lyta Gold

‘Beste Liza, Ik ben een 22-jarige man die recent is afgestudeerd aan de universiteit. Ik ben gezegend met een ondersteunende familie en profiteer van hun financiële stabiliteit. Mijn toekomst ziet er rooskleurig uit.’ Met deze zin opende een recente ingezonden brief aan de vraag/raad-rubriek van het Amerikaanse tijdschrift The Nation. De scribent noemde zich ‘een miserabele millennial’ en had een probleem: ondanks zijn gunstige omstandigheden was hij niet optimistisch. Hij maakte zich zorgen over de huidige Amerikaanse politiek, ‘de onvermijdelijkheid waarmee het Congres faalt om klimaatverandering aan te pakken’ en ‘de politisering van onze rechtbanken’. ‘Moet ik zestig of zeventig jaar toezien hoe mijn land ontmanteld en geruïneerd wordt?’ vroeg hij zich af. ‘Terwijl de zeespiegel stijgt en de mensen lijden? Waarom zou ik in godsnaam deze verschrikkelijke toekomst met enthousiasme moeten omarmen?’

Nu is dit soort lijden-aan-de-wereld door jonge mannen van alle tijden. Het gesomber van postadolescenten heeft fraaie dichtkunst, iconische schilderijen en uitdagende literatuur opgeleverd. Zonder pessimisme geen Les Fleurs du mal, geen Aardappeleters, geen Less than Zero. En zonder ontevreden jongeren geen politieke verandering, zo meende Liza Featherstone, die namens The Nation de dilemma’s van lezers beantwoordt. ‘Omarm je toekomst niet. Verwerp hem met verve’, drukte ze de miserabele millennial op het hart.

Featherstone adviseerde om neerslachtigheid om te zetten in daadkracht: word lid van een pressiegroep die aandringt op het aanpakken van klimaatverandering, ga campagnevoeren om Trump te verslaan bij de volgende verkiezingen (ze adviseerde ook psychotherapie te overwegen – The Nation blijft een Amerikaans tijdschrift).

Tijdens het lezen van deze brief vroeg ik me af hoe Steven Pinker geantwoord zou hebben als hij de raadgever van The Nation zou zijn. Waarschijnlijk zou hij putten uit zijn boek Verlichting nu: Een pleidooi voor rede, wetenschap, humanisme en vooruitgang, een besteller uit 2018 waarin deze Harvard-psycholoog betoogt wat de Beatles al zongen in de jaren zestig: dat alles alleen maar beter wordt.

Pinker zou bijvoorbeeld citeren uit zijn hoofdstuk over geluk. ‘Een Amerikaan uit 2015, vergeleken met zijn of haar evenknie van een halve eeuw geleden, leeft gemiddeld negen jaar langer, heeft drie jaar meer onderwijs genoten en heeft 33.000 dollar meer te besteden per jaar.’ Bovendien heeft iedereen gemiddeld nu acht uur meer vrije tijd die besteed kan worden aan ‘lezen op het web, luisteren naar muziek op de smartphone, het streamen van films, skypen met vrienden en familie, of genieten van de Thaise keuken in plaats van gebakken smac te moeten eten’, zo somt Pinker de wonderen der vooruitgang op. In het licht van deze zegeningen zouden we ons veel gelukkiger moeten tonen, als we zouden beschikken over ‘een greintje kosmische dankbaarheid’.

Dit, samengevat is Pinkers verhaal: wees dankbaar voor de vooruitgang die de mensheid heeft doorgemaakt en houd op met klagen. Pinker is het spiegelbeeld van de mopperende grootvader die meent dat alles vroeger beter was. Vroeger was alles juist slechter, zo toont Pinker aan in zijn boek, waarin meer dan zeventig grafieken staan die een gunstige trend vertonen: van het aantal doden door vliegtuigongelukken tot het aantal calorieën dat een mens tot zijn beschikking heeft, van de gemiddelde levensverwachting tot kans slachtoffer te worden van een misdrijf – in alle opzichten is de vooruitgang meetbaar. Als brenger van die vrolijke boodschap bestempelt Pinker zichzelf als ‘rationeel’ en ‘verlicht’, een karaktertrek die hij onderstreept door zijn haar te laten groeien tot dezelfde soort grijze krullenbos die het gezicht van Voltaire omlijstte.

Steven Pinker is het boegbeeld van een groep publicisten die wordt geduid met het label ‘de nieuwe optimisten’. Gewapend met grafieken en cijfers trekken ze ten strijde tegen wat in hun ogen doorgeschoten neerslachtigheid is. De nieuwe optimisten zijn vertegenwoordigd in het Verenigd Koninkrijk door iemand als Matt Ridley, voormalig bestuursvoorzitter van de bank Northern Rock en lid van het Britse Hogerhuis. Ridley schreef in 2010 het boek The Rational Optimist: How Prosperity Evolves. Zweden is gunstige kweekgrond voor een zonnige blik op de wereld en leverde de historicus Johan Norberg, auteur van Progress: Ten Reasons to Look Forward to the Future. Ook Hans Rosling komt uit Zweden. Van hem is het boek Feitenkennis: 10 redenen waarom we een verkeerd beeld van de wereld hebben en waarom het beter gaat dan je denkt. Rosling overleed in 2017 en zijn boek werd postuum uitgebracht door zijn zoon en schoondochter die bij Google werken.

Dit nieuwe optimisme raakt een snaar bij de invloedrijken van de wereld. Pinker sprak het afgelopen jaar onder andere bij het World Economic Forum in Davos. Bill Gates noemde Verlichting nu ‘mijn nieuwe favoriete boek ooit’. Wat de nieuwe optimisten en hun aanhang verenigt, behalve hun goedgeluimdheid, is dat ze behoren tot de demografie die zonder meer het meeste profiteert van de vooruitgang.

Natuurlijk leven de nieuwe optimisten in dezelfde wereld als iedereen, momenteel gekenmerkt door extreme hitte en andere ecologische problemen, mensen op drift en een afname van democratische vrijheden. Maar omdat ze het hoofd koel houden en voorbij klimaatverandering, hopeloze vluchtelingen of zorgelijke politieke ontwikkelingen kijken, hebben ze de mentale ruimte om zich te verheugen op het moment waarop de mars der vooruitgang de huidige problemen voorbijstreeft.

Het is de nieuwe optimisten vooral te doen om de toon van het collectieve gesprek. Dat, om een greep te doen uit recent nieuwsaanbod, asielzoekers verdrinken, 130 kinderen omkwamen bij de Russisch-Syrische aanval op Idlib en de grote steden in India kampen met acute waterschaarste, vinden ze ongetwijfeld tragisch, maar liever zouden ze zien dat kranten berichten over wat er goed gaat in de wereld.

‘Moorden, verkrachtingen, orkanen, vliegtuigcrashes, hongersnoden en andere sensationele rampspoed worden breed uitgesmeerd, maar goed nieuws over armoededaling en kindersterfte krijgt nauwelijks aandacht’, klaagt de Vlaamse wetenschapsfilosoof en Pinker-epigoon Maarten Boudry in zijn boek Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat. Boudry gebruikt dezelfde slagzin die ook voorkomt bij Pinker, die hem weer heeft van Max Roser, een pleitbezorger van optimisme aan de Universiteit van Oxford: een krant zou elke dag ‘137.000 mensen leven niet langer in extreme armoede’ op de voorpagina kunnen zetten omdat het elke dag opnieuw waar is. Dat redacteuren andere voorpagina’s maken komt door wat Pinker ‘progressofobie’ noemt: een vermeende pathologische afkeer van goed nieuws, een aandoening die hij toeschrijft aan ‘intellectuelen en journalisten’ die de wereld gegijzeld houden onder een stolp van negativiteit.

Beeld Mike Freiheit, tekst Lyta Gold

De methode van de nieuwe optimisten is als volgt: ze knippen de slechtnieuwsberichten uit en openen de website Our World in Data of een andere databank om het bericht onder te dompelen in een bad historisch zoutzuur waarin problemen oplossen. Hongersnood, zoals in Jemen? Het aantal doden door een grote hongersnood daalt al 150 jaar, rapporteert Pinker in zijn hoofdstuk over levensbenodigdheden. Groeit een op de negen kinderen in Nederland op in armoede? Geen nood, ‘zij die moderne kapitalistische samenlevingen veroordelen vanwege het verwaarlozen van de armen beseffen waarschijnlijk niet hoe weinig prekapitalistische samenlevingen uitgaven aan het verlichten van armoede’. Brand in Grenfelltoren in Londen? In 1905 was de kans om door brand om het leven te komen veel groter.

Om het beeld van continue vooruitgang overeind te houden moeten de nieuwe optimisten soms selectief omspringen met de cijfers. In Verlichting nu wijst Pinker op de afname van het aantal ‘hate crimes’ in de Verenigde Staten de afgelopen twintig jaar. ‘Racistisch geweld tegen Afro-Amerikanen, ooit een regelmatige gebeurtenis in de vorm van nachtelijke overvallen en lynchings, is rap gedaald gedurende de twintigste eeuw en blijft maar dalen’, schrijft hij. In een kritiek op Pinker wees de auteur en duurzaamheidsexpert Jeremy Lent erop dat het aantal gevangenschappen van Afro-Amerikanen in diezelfde tijd enorm is gestegen, tot het punt waarop een zwarte Amerikaan een zes keer hogere kans heeft om gearresteerd te worden. ‘De grimmige conclusie is dat racistisch geweld niet is afgenomen, zoals Pinker suggereert, maar dat het geïnstitutionaliseerd is in nationaal beleid’, aldus Lent.

Op zich is het goed om aandacht te vragen voor een afname van het aantal misdrijven met racistisch motief. Waar het misgaat is de manier waarop Pinker de roep om aandacht voor nieuwe misstanden probeert af te straffen: een debat over verholen racisme wordt door Pinker afgedaan als ‘zelfkastijding voor westerse intellectuelen over westers racisme’ en werk van ‘de politieke correctheidspolitie’. Wie het Verlichtingsoptimisme niet deelt en te weinig kosmische dankbaarheid toont, wordt op zijn plek gezet als iemand die het ontbreekt aan de ‘conceptuele vaardigheden om vast te stellen of er vooruitgang heeft plaatsgevonden’.

Wie de tucht van autoritaire politiek voelt heeft er weinig aan dat de situatie van hun grootouders nog beroerder was

Hier is een vraag: welke functie vervult ‘kosmische dankbaarheid’ in het leven van families van de slachtoffers van de aanval op de synagoge in Pittsburgh in 2018 en die op een synagoge in San Diego afgelopen april? Triomfantelijk wijst Pinker erop dat antisemitisch geweld historisch gezien afneemt. Maar het jaar waarin zijn boek verscheen nam het aantal geweldsmisdrijven met een anti-joods motief wereldwijd met dertien procent toe. Dat media hierover berichten is volgens Pinker onderdeel van de journalistieke ‘obsessie’ om ‘het negatieve te benadrukken’. Dat antisemitisme driekwart eeuw geleden meer slachtoffers eiste dan nu is inderdaad een feit, maar maakt dat moordaanslagen van nu minder verontrustend? Helpt het nieuw geweld te voorkomen?

Ook is het makkelijk een geruststellende ‘dood door genocide-curve’ te schetsen als je die laat beginnen in 1956, zoals Pinker doet in Verlichting nu. (En daarmee voor het gemak de discussie omzeilt of rationeel systeemdenken het uitvoeren van de holocaust bevorderde). Net zo goed is het riskant om ‘een lange vrede’ uit te roepen omdat het aantal grote militaire conflicten een dalende lijn vertoont sinds 1945. We hebben het over 75 jaar, op een geschiedenis van eeuwen waarin de mensheid elkaar met regelmaat de hersens insloeg.

Pinkers lange vrede is dan ook wetenschappelijk omstreden. De statistici Pasquale Cirillo en Nassim Nicholas Taleb namen in een artikel de cijfers van Pinker onder de loep en constateerden verschillende statistische vergissingen in zijn werk. Volgens het duo is er geen enkele trend te ontwaren in het aantal gewelddadige conflicten dat zich over de tijd voordoet. ‘De mensheid lijkt net zo oorlogszuchtig te zijn als altijd. Geen toename, geen afname’, concluderen ze.

Daar waar de grote trend zorgelijk klinkt, draaien de nieuwe optimisten hun tactiek om en moet het kleine tegenvoorbeeld de grote beweging ontkrachten. Onlangs berichtten de VN dat een miljoen plant- en diersoorten met uitsterven worden bedreigd. De 145 biodiversiteitsexperts uit vijftig landen die aan het rapport hadden gewerkt concludeerden dat het uitsterven van soorten ‘tientallen tot honderden keren zo snel gaat als het gemiddelde van de afgelopen tien miljoen jaar’. Maar om uit te leggen ‘waarom de wereld niet naar de knoppen gaat’ geeft Maarten Boudry voorbeelden van ‘onzichtbare vooruitgang in 2018’, waaronder het geruststellende nieuws dat ‘de populatie van wilde tijgers in Nepal verdubbelde en die van jaguars in Mexico met twintig procent toenam’. Pinker somt een tiental dieren op die niet langer op uitsterven staan, waaronder albatrossen, Tasmaanse duivels en panda’s. Dat het verdwijnen van die miljoen andere soorten daarom te veel aandacht zou krijgen, is een non sequitur.

Een vergelijkbaar probleem betreft de politieke vooruitgang waar de nieuwe optimisten kond van doen. Het aantal democratieën in de wereld ligt nu hoger dan ooit, jubelt Pinker. 2015 was volgens hem een mooi jaar, met 103 landen die aangemerkt kunnen worden als democratie, terwijl het er in 2009 nog maar 87 waren. Als voorbeeld van een succesvolle transitie naar democratie noemt hij Myanmar, waar in 2016 de massamoord op de Rohingya-moslims plaatsvond terwijl de staat de andere kant uitkeek. Wat zou Pinker te zeggen hebben tegen kinderen van wie de ouders om het leven zijn gebracht vanwege hun etniciteit? ‘Twee derde van de wereldbevolking leeft in vrije of relatief vrije samenlevingen, vergeleken met zeven procent in 1850’, zoals hij rapporteert in Verlichting nu? ‘Jullie hebben gewoon pech dat je tot dat andere derde deel behoort’, zou een noodzakelijke toevoeging zijn.

En gaat het wel zo goed met de democratie in de wereld? Freedom House, een denktank die een jaarlijkse barometer van democratische vrijheden bijhoudt, rapporteerde in 2019 het twaalfde jaar op rij waarin het totaal aan democratische vrijheid afnam. 71 landen zagen een afname van politieke rechten en burgerlijke vrijheden, terwijl 35 landen vooruitgang boekten.

Ik zat in de zaal toen eerder dit jaar het rapport van Freedom House werd gepresenteerd en vroeg me af wat de bijdrage van iemand als Steven Pinker aan het debat zou zijn geweest. Dat Stalin en Mao erger waren dan Poetin en Xi Jinping en dat de kranten daarover moeten schrijven in plaats van over hoe de pers en politieke oppositie in Rusland en China worden gesmoord? Wie de tucht van autoritaire politiek voelt heeft er weinig aan dat de situatie van hun grootouders nog beroerder was, net zomin als Pinkers constatering dat de ‘curve van mensenrechten omhoog buigt’ politieke gevangenen van nu vrijheid verschaft.

Beeld Mike Freiheit, tekst Lyta Gold

Het punt is dat optimisme en pessimisme elkaar niet hoeven uit te sluiten, hoe graag de rationele optimisten ook willen dat de brenger van slecht nieuws het hoofd buigt in kosmische dankbaarheid. Langdurige verbetering is prima verenigbaar met rampen op de korte termijn, net zo goed als kleine positieve ontwikkelingen kunnen bestaan binnen een algeheel neerwaartse trend. De vraag of het in het licht der eeuwen beter of slechter gaat is vooral theoretisch interessant.

Natuurlijk is er een vracht aan statistiek die aantoont wat Steven Pinker dit voorjaar bij de Verenigde Naties zei (‘De mensheid is niet alleen gezonder, rijker en veiliger dan ooit, maar ook vrijer, meer geletterd en slimmer’) maar het is een nutteloos gelijk. Dat een middeleeuwer een korter, bruter en gewelddadiger bestaan kende dan iemand van nu, klopt. Vraag twee is met welk doel de nieuwe optimisten deze waarheid als een breekijzer in het publieke debat proberen te planten, afgezien van de wens hun boeken en artikelen te slijten (een motief dat ze in het geval van minder goedgeluimde denkers uiterst suspect vinden). Pinker geeft het antwoord: ‘De kwantitatieve instelling is, ondanks haar wat suffe imago, in werkelijkheid de moreel verlichte, omdat het ieder mensenleven evenveel waarde toekent in plaats van een voorkeur te hebben voor de mensen die dicht bij ons staan of die het meest fotogeniek zijn.’

Het gaat dus om de moraal van het positivisme, om een ethiek die zwaarder weegt dan die van ‘intellectuelen en journalisten’ die wijzen waar de pijn zit bij mens, samenleving en planeet. Maar is niet precies het kenmerk van moraal dat er verschillend over kan worden gedacht? De vraag welk deel van de mensheid leeft in armoede is cijfermatig en kan objectief beantwoord worden. Een antwoord op de vraag of de vruchten van de vooruitgang ook eerlijk zijn verdeeld, ligt niet in een grafiek besloten.

Toch wagen de vooruitgangsoptimisten een poging om de moraal te objectiveren. Volgens Pinker is er sprake van een ‘obsessie’ met ongelijkheid sinds Thomas Piketty’s boek Kapitaal in de 21ste eeuw verscheen. ‘De nieuwe geijkte wijsheid is dat de rijkste één procent alle economische groei heeft afgeroomd, en dat de rest aan het watertrappelen is of langzaam zinkt.’ (Pinker-epigoon Boudry vindt ook dat Piketty een dwaalspoor heeft uitgezet met als gevolg dat ‘ongelijkheid bij opiniemakers, academici en intellectuelen is uitgegroeid tot een obsessie die helemaal niet in verhouding staat tot de omvang en ernst van het probleem’). Beiden wijzen erop dat ongelijkheid tussen landen is afgenomen omdat de arme delen van de wereld iets rijker zijn geworden. Het werk van Muheed Jamaldeen, onderzoeker bij Oxfam, laat zien waarom dit een cijfermatige goocheltruc is. Jamaldeen berekende dat met de huidige verdeling van de groei, het 250 jaar duurt voor de armste tien procent op het wereldgemiddelde van elf dollar per dag uitkomt. Vooruitgang bestaat, zonder meer, maar beweegt zich voor de armsten met een slakkengang voort.

Ook wat betreft ongelijkheid binnen landen, vindt zowel Pinker als Boudry dat de klachten ongegrond zijn. Ze trekken de vergelijking met communisme, waar economische gelijkheid alleen naast dictatuur kan bestaan en voeren dat op als reden niet naar een evenwichtiger verdeling van welvaart te streven. Pinker gaat een stap verder en stelt dat ongelijkheid ‘niet verward moeten worden met oneerlijkheid’.

Maar is dat niet precies de reden waarom het debat over ongelijkheid zo aansloeg? In de Verenigde Staten groeide het vermogen van de rijkste één procent de afgelopen dertig jaar met 21 biljoen. De onderste vijftig procent werd negenhonderd miljard armer en heeft op dit moment geen of een negatief vermogen. Van Pinker mag dat niet worden weggezet onder de rubriek ‘oneerlijk’ omdat ongelijkheid op zich geen maatstaf voor armoede is.

Het punt is alleen dat toegenomen ongelijkheid zich heeft ontwikkeld in een wereld waarin armoede bestaat. Veertig miljoen Amerikanen leven onder de armoedegrens, zo concludeerde de VN-rapporteur voor extreme armoede vorig jaar. Zou het vooruitgang zijn geweest als iets van die 21 biljoen zou zijn gebruikt om het armoedecijfer, zeg, te halveren, of om onderwijs en gezondheidszorg financieel toegankelijker te maken zodat wie arm is een betere kans heeft zichzelf uit achterstand te werken? Verkeerde vraag, aldus de nieuwe optimisten. Wie nu arm is heeft tv en airconditioning, schrijft Pinker, en dus een beter leven dan zijn voorvaderen. Wees kosmisch dankbaar en houd verder je mond.

En dat is uiteindelijk waarom de nieuwe optimisten niets toevoegen aan de vooruitgang die ze omarmen. Ondanks al het humanisme waar de denkschool van Steven Pinker en de zijnen zich op laat voorstaan, heeft ze bijzonder weinig begrepen van welke rol tegenslag in een leven speelt. Vrijwel niemand zit in een studeerkamer naar grafieken te turen om te kijken wie harder en langer moest werken: een arbeider ten tijde van de industriële revolutie of een werknemer in de hoogtechnologische samenleving van nu. Niemand die moeite heeft om in het eigen levensonderhoud te voorzien kan rekeningen betalen met het feit dat een bruto nationaal product tegenwoordig groter is. Niemand die treurt om het verlies van een dierbare troost zich met de gedachte dat de overledene het toch maar mooi langer heeft uitgezongen dan iemand uit 1850. Mensen beschouwen hun leven vanuit het perspectief van dat leven, niet vanuit de kosmos.

Dat is ook de reden waarom media slecht nieuws brengen. Het doel is niet om mensen een depressie aan te praten en te laten vervallen in apathie omdat de wereld toch naar de knoppen gaat. Elk bericht over oorlog, onrecht of ecologische verslechtering is een wegwijzer voor verbetering. In zijn boek concludeert Maarten Boudry dat we leven ‘in het beste tijdperk ooit’ en dat we ‘stuk voor stuk ongelooflijke bofkonten’ zijn. Gelukkig is er ook een beroepsgroep die uitzoekt wie er op dit moment buiten die verzameling geluksvogels valt in de hoop dat iets van het menselijk potentieel dat de nieuwe optimisten zo fantastisch vinden wordt benut om die levens te verbeteren. De boodschap dat vroeger alles slechter was biedt geen enkele prikkel tot verbetering. Maar om de vooruitgang de weg te wijzen, moet eerst worden blootgelegd wat er misgaat. Pessimisme, kortom, is een morele plicht.