Dickens en de actualiteit

Waarom we weer van Dickens houden

Bewaren we de Dickens-boeken van onze ouders uit jeugdsentiment of omdat we ze toch nog eens gaan lezen? Aan de vooravond van de tweehonderdste geboortedag wordt de schrijver nog steeds, of opnieuw, gewaardeerd.

Ooit was Charles Dickens de schrijver die je ouders lazen, of in ieder geval in de kast hadden staan. Keurig op een rij stonden ze daar, al die deeltjes in de Prisma-pocketreeks, 34 in totaal, met pastelkleurig omslag en een nostalgisch pentekeningetje. David Copperfield besloeg twee delen, Dombey & Zoon idem. Uitgeverij Het Spectrum gaf in februari 1952 het eerste deel uit, eind 1953 was de reeks compleet. De pocket was een nieuw fenomeen - literatuur werd voor een lage prijs aan de gewone man gebracht - en met Dickens had uitgeverij Het Spectrum een gouden keus gedaan. De serie, met gloednieuwe vertalingen van literatoren als Godfried Bomans, Emmy van Lokhorst, Antoon Coolen en C.J. Kelk, was onmiddellijk een groot succes. De deeltjes moesten eindeloos worden herdrukt tot wel vijftigduizend exemplaren van bijvoorbeeld De nagelaten papieren der Pickwick Club, ook in twee delen. De laatste delen waren nog niet verschenen of er waren al een kwart miljoen exemplaren verkocht van de afleveringen tot dan toe. Hoeveel kinderen van de inmiddels hulpbehoevende of reeds richting hemel gegane Dickens-verzamelaars van weleer zullen de afgelopen jaren vertwijfeld met deze boekjes in hun handen hebben gestaan toen de ouderlijke boekenkast geruimd moest worden? De mappen Openbaar Kunstbezit waren al met veel hartenpijn op de grote verdwijnhoop beland, de in wit nepleder gebonden banden van de bijbelvertaling van Jaap ter Haar idem, maar wat moeten we met Dickens? In de kliko of op Marktplaats? Op de een of andere manier voelde het nog meer als heiligschennis om je al te bruusk van de complete Dickens te ontdoen.
‘Iedereen zou Dickens moeten lezen’, zei Theodore Dalrymple onlangs in een interview. Zeker adolescenten zouden volgens hem nog wat van Dickens kunnen leren, in deze tijden van crisis. Hij refereerde met name aan een personage uit David Copperfield, meneer Micawber, de huisbaas van David, die na allerlei malversaties en omtrekkende bewegingen tot de formulering van een basale economische regel komt die een gelukkig leven garandeert: geef niet meer uit dan je binnen krijgt. 'Verplicht Dickens lezen’, aldus Dalrymple, 'dat is de remedie.’
Dalrymple toont zich het type pleitbezorger van Dickens waarvan er in de ontvangstgeschiedenis tallozen waren. In een diepgravend essay over Dickens, opgenomen in Inside the Whale and Other Essays (1940) constateert George Orwell dat Dickens door werkelijk iedere gezindte wel eens is ingelijfd, van de marxisten tot de conservatieven tot de katholieken. NB: Het Spectrum was een katholieke uitgeverij, zij het 'progressief-katholiek’.
Waar komt die onophoudelijke behoefte aan toe-eigening toch vandaan? vraagt Orwell zich af, om direct daarna de hamvraag te stellen: 'Why does anyone care about Dickens? Why do I care about Dickens?’
Wil je zo'n vraag serieus beantwoorden, de vraag dus naar de waarde van een schrijver, dan kún je niet anders dan zijn werk ter hand nemen. Zou je denken. Het punt dat Orwell echter maakt is dat 'we’ in feite nooit meer in staat zullen zijn Dickens met een droog oog te lezen. Dickens is een van de weinige schrijvers die grootheid paart aan vertrouwdheid, simpelweg omdat hij een van de weinige grote schrijvers is die je al in je kindertijd door de strot wordt geduwd. Orwell gebruikt met opzet deze terminologie ('ladled down everyone’s throat in childhood’), omdat dit proces van doorduwen op het moment zelf per definitie met weerstand gepaard zal gaan - Orwell heeft het over 'rebellion and vomiting’ - maar dat het in het latere leven een verzachtend na-effect heeft. Orwell schreef zijn essay in 1940 en had het nog over de illustraties in Dickens’ boeken waarmee ieder Engels kind opgroeit alvorens nog maar een letter zelf gelezen te hebben, maar die wel de personages bij voorbaat in het geheugen etsen. Inmiddels zijn het niet meer de illustraties in de boeken, maar de film- en televisiebeelden waarmee ieder (niet alleen Engels) kind opgroeit en zo bekend raakt met typische Dickens-personages als Uriah Heep, Scrooge en Bill Sykes. Dit zou tot gevolg hebben dat het leger van Dickens-liefhebbers altijd op peil blijft. Maar wat zeg je eigenlijk, vraagt Orwell zich af, als je zegt dat je van Dickens houdt? Zeg je dan eigenlijk niet meer dan dat je ervan houdt om aan je kindertijd te denken?
Staan we weer voor die ouderlijke boekenkast te dralen. Is het puur jeugdsentiment om Dickens te willen bewaren? Of zouden we zin hebben ’m opnieuw te gaan lezen? Opmerkelijk genoeg lijkt er aan de vooravond van de tweehonderdste geboortedag van de schrijver een verschuiving gaande in de waardering van zijn werk. Lang hing er een nostalgisch, Anton Pieck-achtig aura om zijn gestalte, iets oubolligs dat werd gevoed door berichten over samenkomsten in de provincie van 'dickensians’ die behalve van Dickens ook van Bomans en Olie B. Bommel hielden. De opeenvolgende adaptaties van Oliver Twist en A Christmas Carol voor film, televisie, musical en toneel bleven ook altijd een beetje hangen in dat romantische gaslantaarnschijnsel van negentiende-eeuws Londen, en kregen nooit het edgy accent dat wel kenmerkend is voor bijvoorbeeld moderne Jane Austen-bewerkingen of recente verfilmingen van Jane Eyre en Wuthering Heights van de Brontës. Bergt Dickens wel dat duistere potentieel? vraag je je af. Ligt de duisternis er bij hem niet veel te veel bovenop, met zijn armoede, kinderarbeid, tuchthuis en criminaliteit? Maar zowaar, in de laatste donkere dagen van 2011 was op de BBC een nieuwe driedelige televisiebewerking te zien van Great Expectations die Dickens ontdoet van zijn deken van paardenhaar. Scenarioschrijfster Sarah Phelps maakte van het coming of age-drama van de weesjongen Pip die opgroeit in een smederij maar dankzij een geheimzinnig fortuin naar Londen kan trekken om een heer van stand te worden, een tijdloos verhaal over identiteit en schaamte. Natuurlijk, Pip heeft zo'n kachelpijp van een hoed op, de steegjes van Londen zijn ouderwets groezelig en de paardenhoeven kletteren, maar over het geheel hangt de glans van spannende gotiek, perverse verlangens en opgekropte emoties.
In een interview lichtte Phelps toe dat ze Great Expectations beschouwt als een donkere en complexe roman over obsessies, wraak en vergeving. 'Uiteindelijk is het een verhaal over wat wij bereid zijn te doen, wat we willen riskeren en hoe ver we willen gaan voor de liefde’, zei ze. Geen wonder dat ze zich in haar bewerking concentreert op de figuur van Miss Havisham, de heksachtige vrouw die sinds ze in de steek werd gelaten door haar husband-to-be als een soort wandelend skelet ronddoolt in haar vergane bruidsjurk, in een door spinnenwebben ingepakt landhuis. Zij leidt het weesmeisje Estella op tot de vrouw zonder hart die Pips hart zal breken zoals het hare ooit gebroken werd. Zijn de passages in het boek die aan haar gewijd zijn al behoorlijk griezelig en smerig, de groteske aankleding in de serie overtreft alles. Actrice Gillian Anderson maakt van haar Miss Havisham een soort Lady Gaga out of hell. De mooiste, huiveringwekkendste scènes schreef Phelps op basis van een enkele alinea op de één-na-laatste pagina van de roman, waarin volgens goed negentiende-eeuwse romantraditie nog even wordt verteld hoe het de belangrijkste personages is vergaan. De vraag of Dickens genoeg duister potentieel bergt hoeft na deze adaptatie niet meer te worden gesteld. Dickens is cool enough, je moet hem alleen wel precies lezen om door alle plotverwikkelingen heen ook zijn metaforische kracht te kunnen zien.
Zou Harry Potter bestaan hebben als Charles Dickens er niet was geweest? Of beter gezegd: als niet ook J.K. Rowling de werken van Dickens door de jeugdige strot geduwd had gekregen? In een biografie noemt ze Dickens als een van haar grote invloeden, zowel mentaal als literair. De hele Harry Potter-reeks ademt Dickens in de manier waarop thema’s als eenzaamheid en vriendschap worden geprojecteerd in de getormenteerde adolescent die struikelt en weer bovenkomt in een wereld die even sprookjesachtig als voorstelbaar is.
Een vergelijkbaar amalgaam van humor, spanning, horror en romantiek vind je terug in het werk van Sarah Waters. De schrijfster van gotische historische romans als Vingervlug en Fluwelen begeerte, en meest recent de spookroman De kleine vreemdeling, noemt ook Dickens als een van haar grote voorbeelden. Niet echt verbazingwekkend dat Great Expectations - zijn meest bondige roman volgens haar, en ook zijn meest gotische - haar favoriet is. Zoals ze op Amazon.com haar voorliefde toelicht - Great Expectations biedt een beklemmend onderzoek naar de trauma’s van sekse, klasse en rijping - beschrijft ze in feite de essentie van haar eigen werk.
Joseph O'Connor schreef naar eigen zeggen de eerste twee delen van zijn Stella Maris-trilogie helemaal vanuit een 'Dickens-mentaliteit’: vol personages en veel verschillende verhaallijnen. O'Connor noemt Dickens in een interview met NRC Handelsblad een historische punkrocker. 'Hij is zo radicaal, hij schreef in een tijd dat romans heilig waren, en hij denkt dat hij alles kan doen met de Engelse taal. Hij kon de Franse revolutie in A Tale of Two Cities indikken tot een halve bladzijde en niemand die tegen hem zei: dat kan je niet maken. Hij wisselt steeds van perspectief, van personages.’ O'Connor memoreert ook het feit, iets wat Orwell ook opmerkt in zijn essay, dat de personages in het geheugen gegrift zijn en dat je daarvoor niet eens de boeken gelezen hoeft te hebben. Hij noemt Dickens de beste verhalenverteller die ooit heeft geleefd, zij het met een psychologische diepgang van beneden nul.
Ook Orwell is kritisch op Dickens. Sterker nog: hij beweert dat geen volwassen lezer Dickens kan lezen zonder zijn beperkingen te zien. Bijvoorbeeld dat hij er wel érg lang over doet om een verhaal te vertellen. Dat hij maar blijft stapelen, detail op detail, bijzaak op bijzaak. Maar kwalijker nog: er is geen 'poetic feeling’ in zijn boeken. Over dat laatste kun je van mening verschillen. De openingsalinea’s van Great Expectations hebben een grote evocatieve kracht, die je zonder overdrijving poëtisch kunt noemen. Pip stelt zichzelf voor en legt uit dat hij, omdat hij zijn ouders nooit heeft gezien, zich een voorstelling van hun uiterlijk vormt op basis van hun grafstenen.
'De vorm van de letters op die van mijn vader gaf me het eigenaardige idee dat hij een vierkante, forse, donkere man was met zwart krulhaar. Uit het lettertype en het formaat van de inscriptie “Eveneens Georgiana Echtgenote van Hierboven” trok ik de kinderlijke conclusie dat mijn moeder sproeterig en ziekelijk was. Aan de vijf ruitvormige steentjes van elk ongeveer anderhalve voet lang gerangschikt in een keurige rij naast hun graf, ter nagedachtenis van vijf broertjes van mij - die de universele strijd om het bestaan al heel vroeg hadden opgegeven - dank ik de diepe overtuiging dat ze allemaal op hun rug waren geboren, met hun handen in hun broekzak, en dat ze die daar in deze bestaansvorm nooit hadden uitgehaald’ (Grote verwachtingen, in de vertaling van Eugène Dabekaussen en Tilly Maters, Athenaeum-Polak & Van Gennep 2010).
Inderdaad, Dickens neemt de ruimte, en om hem te kunnen lezen moet je geen haast hebben. Maar je hebt dan wel wat in handen, zelfs - in tegenstelling tot wat Joseph O'Connor beweert - psychologische diepgang. Om nog maar eens Great Expectations erbij te halen: zoals de schrijver zijn hoofdpersonage plotseling met de ogen van de ander naar zijn eigen vertrouwde bedoeninkje laat kijken, en hiermee in feite zijn onschuld doet verliezen, is psychologisch sterk. Misschien is het alleen een beetje ouderwets om dat dan ook nog eens met zoveel woorden te zeggen, zoals in de eerste zinnen van hoofdstuk 14 gebeurt: 'Het is een heel akelig iets om je voor je thuis te schamen.’ Aan de andere kant: dat is nu eenmaal de stem van Pip, die terugkijkt op zijn fouten.
Misschien zitten de Engelsen wel zo dicht op Dickens dat ze niet meer helemaal de schrijver aan het werk zien. Ze houden van zijn vertelenergie en van zijn personages die, zoals Orwell schrijft, zozeer in je hoofd zitten dat je eigenlijk iedere week wel een keer aan ze denkt. Het zijn geen boeken meer, het is een wereld: Dickens is net zo'n vanzelfsprekende aanwezigheid als het standbeeld van Nelson op Trafalgar Square. Voor twee van de meest succesvolle Amerikaanse schrijvers van dit moment fungeert Dickens echter ook nog eens als een writer’s writer, een lichtend baken in een tijd dat de roman af en toe een uitgeput genre lijkt. Jennifer Egan, schrijfster van de bekroonde bestseller A Visit from the Goon Squad, vertelde afgelopen zomer in New York dat ze ter inspiratie voor haar volgende roman bij voorkeur negentiende-eeuwse romans leest, en niet alleen omdat ze bezig is met een historische roman. Dickens is favoriet. Ze bewondert niet alleen zijn verhalende kracht - 'Als je David Copperfield hebt gelezen, heb je een heel ander leven geleid’ - maar ook de manier waarop hij scènes naast elkaar plaatst, schijnbaar overbodige details invoegt en met perspectieven speelt. De ironische manier waarop hij bijvoorbeeld gebruik maakt van een alwetende verteller, noemt zij verrassend modern.
Ook voor Jonathan Franzen was het (her)lezen van Dickens een revelatie, zo blijkt uit zijn beroemde essay Perchance to Dream: In the Age of Images, a Reason to Write Novels dat oorspronkelijk in Harper’s verscheen, in 1996, en dat in vertaling werd opgenomen in de bundel De kunst van het alleen zijn (Prometheus 2002). Aanvankelijk liet Franzen zich verlammen door jaloezie - naar de nieuwe Dickens werd in zijn tijd tenminste nog uitgekeken - later maakte onder meer het voorbeeld van Dickens dat hij de krampachtigheid waarmee hij zijn eerste twee romans had geschreven van zich kon afleggen. Dan maar tegen de tijdgeest in, en voor een kleinere groep van lezers. Zoals Don DeLillo hem per brief een hart onder de riem stak: 'De roman is gewoon wat romanciers in een bepaalde periode schrijven.’ De weg kwam vrij voor The Corrections, en negen jaar later voor Freedom. Het lot van de onbegrepen schrijver had zomaar een dickensiaanse wending gekregen.