Essay Dertig jaar multicultureel drama

Waarom weldenkende Nederlanders op Job Cohen moeten stemmen

Soms moet iets eerst failliet gaan voor je het weer op kunt bouwen, zoals het minderhedenbeleid onder leiding van premier Job Cohen. Wishful thinking, misschien. ‘Dat hij een plan heeft, is zeker’.

Medium groene cohen

1980-1990
Om een nieuw tijdperk in te luiden moet je het oude eerst schetsen, hoe ruw, persoonlijk, tendentieus of historisch onverantwoord ook.
Daar gaan we. Eerst kwamen de Surinamers naar Nederland, begin jaren zeventig. Nee, dat is niet helemaal juist, er waren al wat Turken en Marokkanen, maar die hielden zich verborgen achter de lopende banden van fabrieken en in de kassen van glastuinbouwbedrijven. Vooral mannen, die na het werk met z'n zessen naar de stapelbedden in troosteloze kamers gingen, om er te dromen van de terugreis naar vrouw en kinderen, met een zak vol zuur verdiend geld.
Je zag deze dromers nooit los rondlopen, dus had Nederland geen minderhedenkwestie.
Maar de Surinamers vielen op. Vliegtuigladingen vol grijnzende donkere mensen. Er waren er met sluik haar die Den Haag als bestemming hadden. Die met kroeshaar wilden naar Amsterdam. Dat het hier om hindoestanen en creolen ging, dat Suriname nogal multiraciaal was, door toedoen van Nederland, dat eerst slaven uit Afrika nodig had gehad en daarna contractarbeiders uit India, dat was een geschiedenis die zelfs bij Nederlandse ambtenaren onbekend was.
De paniek was groot. Het aantal vreemdelingen dat tegenwoordig per jaar naar Nederland komt, kwam destijds per maand: tienduizend mensen met tienduizend koffers die vast van plan waren zich in Nederland te vestigen. De ambtenaren draaiden overuren; er moest een opvangbeleid komen, er moesten centra worden ingericht om ze onder te brengen, anders zouden ze maar gaan samenhokken in brandgevaarlijke pensions, zoals in Engeland en Frankrijk, en er moest een spreidingsbeleid komen, anders ontstonden getto’s als in Amerika.
Men mag zeggen wat men wil, maar de ambtenaren klaarden een schier onmogelijke klus. Geen pensions, geen getto’s; vrijwel geruisloos verdwenen de nieuwe rijksgenoten in de Nederlandse samenleving, in snel uit de grond gestampte hoogbouwflats, die eigenlijk bedoeld waren om de Nederlandse woningnood te lenigen.
Nou ja, zo geruisloos ging het eigenlijk niet. Die Surinamers wilden wel los rondlopen, en dat gaf gemor. Ze waren onaangepast, spraken wat luid, trokken wel eens een mes, kieperden hun huisvuil soms over het balkon van die fraaie hoogbouwflat. Het kwam in de kranten. Er kwam maatschappelijke onrust.
Zoals het gaat met maatschappelijke onrust: je vraagt aan wijze mannen om advies, in dit geval de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr). Die kwam pas in 1989 met een rapport. Men had de tijd genomen, iets meer dan tien jaar, maar het was een zorgvuldig geformuleerd rapport. Tot dan toe hadden de gemeenten waar de Surinaamse rijksgenoten dankzij het spreidingsbeleid waren neergestreken ze gestimuleerd om hun eigen cultuur volop te beleven. Ze moesten het een beetje gezellig hebben, ze moesten worden beziggehouden, en als ze zouden merken dat hun dansfeesten en hun religieuze diensten heel veel waarde hadden, maar dat het in Suriname toch leuker en heftiger was geweest, als hun herinnering aan het voormalige vaderland levendig werd gehouden, zouden ze misschien na verloop van tijd wel terug willen keren.
Maar de wrr maakte er korte metten mee: het moest afgelopen zijn met al die welzijnsinstellingen en sociale opbouwwerkers die de nieuwkomers rustig hielden met wat ze nu ‘knuffelprojecten’ noemen. De Surinamers moesten zich ogenblikkelijk aanpassen, althans integreren, want de Raad lette wel op zijn woorden: 'In plaats van allochtone werklozen te verzorgen, moet de werkloosheid onder allochtonen worden teruggedrongen.’ Als mogelijkheden daartoe noemde men scholing, werkervaringsplaatsen en het beperken van overheidsopdrachten tot bedrijven die allochtonen in dienst hadden.
En o ja, de komst van nieuwe allochtonen moest aan banden worden gelegd. Het was veel te makkelijk om Nederland binnen te komen. Wie al hier was, mocht blijven. Maar wie nog wilde komen, wachtte een procedure van hier tot ginder, in lange rijen met stapels formulieren en die stapels konden hoger en hoger worden, afhankelijk van de behoefte van de dan regerende coalitie.
De Raad was wijs, maar het rapport had een onbedoeld effect: de dromende Marokkanen en Turken die er al waren en vast van plan waren terug te keren, die dromers schrokken wakker. Als ze nu teruggingen naar vrouw en kinderen zouden ze nooit meer naar Nederland kunnen komen. Misschien moesten ze hun vrouw en kinderen wel hier naartoe halen, nu het nog kon, want een heel klein voetnootje in het rapport liet de mogelijkheid van 'gezinshereniging’ open. Eén zo'n voetnoot kan grote historische gevolgen hebben.
Dus kwamen die gezinnen, die vrouwen en kinderen uit Marokko en Turkije, en begonnen ze los rond te lopen in wijken waar ze hun eigen slagers en groentemannen hadden en hun eigen theehuizen en soms zelfs een eigen moskeetje. Migrantenwijken, achterstandswijken, Vogelaarwijken, whatever: Nederland had een ernstige minderhedenkwestie.

1990-2000
Zoals men er tien jaar over had gedaan om een 'oplossing’ te verzinnen voor de Surinamers, zo deed men er weer tien jaar over om een beschrijving te vinden voor de toestand met de Turken en Marokkanen. Deze keer was het geen commissie en geen Wetenschappelijke Raad, maar één enkele man, en het was geen vuistdik rapport, maar één enkel artikel in NRC Handelsblad. De man was Paul Scheffer en het artikel verscheen in januari 2000 en had als kop 'Het multiculturele drama’.
Paul Scheffer is het levende bewijs van de theorie dat het er niet toe doet wat men zegt, maar dat het gaat om wie het zegt en wanneer het gezegd wordt. Want eerlijk is eerlijk, wat Scheffer riep in het artikel, dat er een hele generatie 'allochtonen’ (lees: Turken en Marokkanen) opgroeide zonder goede aansluiting bij de Nederlandse maatschappij; dat ze te laag geschoold waren, geen werk konden vinden en daarom vervielen in criminaliteit of in zeden en gewoonten van de herkomstlanden, waar vrouwen zich ophouden in de keuken en alleen zwaar gesluierd zo nu en dan de straat op mogen, dat er kortom in Nederland een onderklasse van ongeïntegreerde allochtonen aan het ontstaan was, dat hadden anderen al veel eerder opgemerkt.
Met andere accentjes misschien: vvd-leider Bolkestein bijvoorbeeld, die al in 1991 helemaal vanuit het Zwitserse Luzern had geroepen dat het mis zou gaan met die Marokkanen en Turken in Nederland, maar dat de verklaring daarvoor niet de onachtzaamheid van de overheid was en niet het gebrek aan voorzieningen om Nederlands te leren en goede opleidingen te volgen, maar hun godsdienst, dat vermaledijde islamitische geloof van ze.
Het was een verrassende speech in Luzern, zeker omdat die werd uitgesproken op een conferentie voor de Liberale Internationale. Hier was niets liberaals aan, want Bolkestein zette per ongeluk een religieus fanatisme in - ik zeg per ongeluk, omdat nog steeds niet duidelijk is of hij de speech zelf had geschreven, dan wel ene Geert Wilders, zijn speech writer in die jaren. In ieder geval sloeg de speech niet aan, omdat die zijn tijd te ver vooruit was. In de jaren negentig heerste nog geen extreem-rechts klimaat en was er nog geen clash of civilizations voorspeld door een gezaghebbend rechts bolwerkje in de Verenigde Staten waar nu ook onze Ayaan Hirsi Ali zich bij heeft aangesloten, het American Enterprise Institute. Die clash-theorie zou in 1992 worden gelanceerd, een jaar na Bolkesteins speech in Luzern, en de theorie zou nog lang een slapend bestaan leiden, tot de aanslag van 11 september 2001 in New York.
Maar Nederland was er nog niet klaar voor - religieus fanatisme, godsdienstoorlog. Dat soort oorlogen werd alleen gevoerd in het Midden-Oosten. Hier in Nederland geloofde men in de jaren negentig nog impliciet in de volksverheffing van de sociaal-democratie, en daarom maakte Paul Scheffers artikel zo'n indruk: hij was een redelijk belangrijke sociaal-democraat, die stelde dat de volksverheffing aan het mislukken was, en dus dat de sociaal-democratie aan het mislukken was. Scheffer: 'Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Waarom denken we het ons te kunnen veroorloven generaties immigranten te zien mislukken en een verondersteld reservoir aan talent onbenut te laten? Waaraan ontlenen we het vertrouwen dat ondanks de zichtbare problemen alles wel op zijn pootjes terecht zal komen?’
Dat was schrikken. De ambtenaren waren in rep en roer. Tijdens de komst van de Surinamers hadden ze zich geconcentreerd op volkshuisvesting (ook een belangrijk sociaal-democratisch beginsel), en het was zonder al te veel ophef keurig gelukt om al die nieuwkomers fatsoenlijk onder te brengen.
Volkshuisvesting was gelukt, volksverheffing had gefaald. De sociaal-democratie was in het hart geraakt.
Was het herstelbaar? Wie de moeite neemt om Scheffers artikel te herlezen ziet die heerlijke, heldhaftige naïviteit weer voor zich, in die zin zijn sociaal-democraten net jongens die het nooit opgeven: natuurlijk was het herstelbaar, als we nu alle aandacht zouden schenken aan goed onderwijs.
Maar volksverheffing heeft ten opzichte van volkshuisvesting een nadeel: het duurt vele jaren voor je resultaten ziet. En misschien had Nederland niet zoveel jaren, en misschien kwam de aanslag in New York op een slecht moment, en misschien verrees ineens een slimme volksmenner als Pim Fortuyn iets te onverwacht om de laatste resten sociaal-democratisch optimisme de nek om te draaien. Althans even bewusteloos te slaan, want ik ga straks beweren dat het optimisme terug is.
Maar terug naar de les: men zag dus dat men tien jaar had aangemodderd. De sociaal-democratie was mislukt, de multiculturele samenleving was mislukt, er was een gapend ideologisch gat ontstaan en de weg was vrij voor een nieuwe ideologie die nu rechts en extreem-rechts zou zijn en helemaal conform de tijdgeest die al was voorspeld door het American Enterprise Institute. De tijd van Geert Wilders was aangebroken.
2000-2010
Om het ordelijk te houden: tien jaar had men de komst van de Surinamers aangekeken, om toen pas het minderhedenbeleid te formuleren. Vervolgens had men tien jaar de gezinshereniging aangekeken, alvorens het multiculturele drama te schetsen. Nu zou men tien jaar toezien hoe criminaliteit en religieus fanatisme het debat beheersten, ja, want meer dan dat was het niet, het was een debat, het integratiedebat.
Maar waar men vroeger een rapport of een krantenartikel had als symbolisch keerpunt in de geschiedenis had men nu geen houvast. Geen document, geen jaar van verschijning, alleen wat vaag en langzaam aanzwellend gescheld en geschreeuw, en dan vooral op het vluchtige internet.
Wat kan men over dit tien jaar durende debat eigenlijk zeggen, behalve dat het vaak ging over het debat zelf, of wel de toon ervan, de gebruikte woorden. En dat de inhoud qua analyseniveau ging van zeer abstract naar uiterst concreet. Van civilisaties tot hoofddoekjes. Iets ertussen, waar beleidmakers en ambtenaren mee uit de voeten konden, ontbrak. Iets als: 'Om de positie van Marokkanen op de arbeidsmarkt te verbeteren en de criminaliteit tegen te gaan, moet er een trajectplan komen voor de individuele begeleiding van het tiende tot het twintigste levensjaar.’
Ik verzin het ter plekke, maar het klinkt droog, te droog voor een man als Wilders, die de verpersoonlijking is van zeer algemeen naar uiterst bijzonder, zonder iets daartussenin. Uit het integratiedebat zoals Wilders dat voert, komt niets uitvoerbaars, en dat is misschien precies de bedoeling. Het algemene doel is ouderwets populistische machtsverwerving, als in semi-feodale, zacht dictatoriale of quasi-parlementaire samenlevingen, landen die worden bestuurd door leiders zonder duidelijke voornemens of principes - driekwart van de landen in de wereld dus.
En van alle populistische strategieën is deze wel de eenvoudigste: het richten van de aandacht op een zichtbare zondebok. In Wilders’ geval de moslim. Het had ook de jood of de neger of de homo kunnen zijn. Het had ook casinokapitalisme of klimaatverandering kunnen zijn. Maar de moslim is handzamer en past in de mondiale tijdgeest.
Het aardige van de islam als vijandbeeld is bovendien dat je nooit kunt zeggen dat je klaar bent met je werk. Het kapitalisme heb je overwonnen als je een socialistische staat hebt gevestigd. De jood heb je bestreden als de laatste jood is vergast. Maar de islam is onuitputtelijk: er zijn veel moslims, ze zijn meestal ver weg en het aantal volgelingen neemt door voortplanting en bekering sneller toe dan je kunt schieten.
Dat Wilders de moslims alleen uit Nederland wil deporteren, is zo gezien een strategische fout: wat als hij tweederde van het aantal zetels in de Tweede Kamer haalt, artikel 1 uit de grondwet schrapt en alle Turken en Marokkanen over de grens heeft gezet? Als zijn volgelingen dan merken dat hun lot niet echt is verbeterd, komen ze in opstand en is het met de leider gedaan. Mijn advies aan Wilders is daarom: hou het abstract, hou het algemeen, begin telkens over de vrouwenbesnijdenis die in Nederland amper voorkomt, stel een boerkaverbod in het vooruitzicht omdat die in Nederland nauwelijks gedragen wordt. Dat van die hoofddoekjes was gevaarlijk, want uitvoerbaar. In Turkije hebben ze dat bewezen, en Turkije kan toch niet het grote voorbeeld van Wilders zijn?

2010-2020
Maar serieus. De minderhedenkwestie is na dertig jaar nog steeds een kwestie en neteliger dan ooit. Nog eens simpel samengevat: door het wrr-rapport kwam er een immigratieverbod, met de averechtse werking van de komst van duizenden Turken en Marokkanen via de voetnoot van de gezinshereniging. Door het Scheffer-artikel kwam er een integratieplicht, met als onbedoeld effect de moslimhaat en het moslimfanatisme en de bijna onoverbrugbare kloof tussen allochtonen en autochtonen.
Bijna onoverbrugbaar, zeg ik, want de sociaal-democratie is terug, with a vengeance, zoals de Engelsen het zeggen. In de persoon van Job Cohen.
Laten we niet vergeten dat Cohen op twee cruciale momenten zeer prominent aanwezig was in het integratiedebat. Toen het immigratieverbod van de wrr in beleid moest worden omgezet, was Cohen de staatssecretaris van Justitie die de wet formuleerde, waar Rita Verdonk vervolgens op ging varen, zij het ietwat blind. Maar dat was niet Cohens schuld.
En toen Paul Scheffer het failliet van de sociaal-democratie in het algemeen en het minderhedenbeleid in het bijzonder onder woorden bracht, de samenleving gespleten raakte en het spel van blaming the victim met grote hartstocht werd ingezet, was het Job Cohen die daar als burgemeester van Amsterdam een jaar later een tegengif voor bedacht: de boel bij elkaar houden. Volksverheffing kost tijd en geduld. En ook nog iets anders: vrede. Als het woelig en onrustig is en iedereen voor ieder wissewasje naar zijn laptop snelt om weer eens iemand de huid vol te schelden, kom je nooit toe aan zoiets weerbarstigs en delicaats als beschaving.
Hoe Job Cohen dat voor elkaar lijkt te gaan krijgen, het herstel van het optimisme van de sociaal-democratie, het repareren van de door rechts en extreem-rechts gebroken samenleving - ik zou het niet weten.
Voor dit nieuwe tijdperk van wederopbouw is er ook geen document, althans nog niet. Er is geen rapport, geen artikel, zelfs geen speech. Job Cohen wandelt ons leven binnen met de handen in de zakken. Er is alleen zijn uitstraling. Hij wekt vertrouwen. Hij brengt rust. Dat hij een plan heeft, is zeker, hoe hij dat gaat uitvoeren weet nog niemand. Maar zo gaat het in het prilste stadium van een nieuw tijdperk: het is een gevoel, een hoop, een wens. Optimisme is ook niet veel meer dan dat. En tegelijk zo volstrekt essentieel.
Vroeger was de sociaal-democratie als een jongen die het niet opgeeft. Die jongen is in de persoon van Job Cohen volwassen geworden.
Dat met Job Cohen - nu alleen als lijsttrekker van de sociaal-democraten, maar hoogstwaarschijnlijk de nieuwe premier, al mag men dat wishful thinking noemen - dat met deze man een nieuw tijdperk is aangebroken, blijkt zeker niet alleen uit het plotselinge enthousiasme van weldenkende mensen; en ik kan het weten, ik laat mij uitsluitend omringen door weldenkenden. Het blijkt vooral uit de huiver, de afkeer en de paniek van de bekende haviken in het integratiedebat, het type Afshin Ellian, Leon de Winter, Theodor Holman, Amanda Kluveld.
Ze komen niet alleen met hun bekende riedels als zou Cohen enkel thee drinken met imams en te soft zijn tegen criminelen en fundamentalisten, maar ze vertellen ineens op ernstige toon dat het bij de komende verkiezingen niet zal gaan om de integratie, maar om de economie. Alsof ze de achilleshiel van Cohen te pakken hebben, schrijven ze, op een toon alsof ze er zelf verstand van hebben, dat Cohen waarschijnlijk geen verstand zal hebben van de staatsschuld, de hypotheekrente, het zorgstelsel en de minimumlonen. Ze schreeuwen om een econoom als premier, alsof Balkenende of Rutte dat wél is. Die zijn respectievelijk jurist en historicus, maar de haviken verlangen ineens naar Wouter Bos, omdat die het integratiedebat al ruimschoots aan het verliezen was. Bos miste affiniteit met allochtonen, de kwestie kwam hem niet als echt ter zake voor, hij kon makkelijker overweg met falende banken dan met gehoofddoekte meiden.
Met Job Cohen wordt de minderhedenkwestie eindelijk, na dertig jaar, op de juiste manier serieus genomen. De pvda heeft nu een ideaal tandem van Cohen zelf en de zo charmante en doortastende Nebahat Albayrak. Daar kunnen geen honderd Wildersen tegenop.
Met Job Cohen begint eindelijk de periode na Paul Scheffer, na Pim Fortuyn, en na de pseudo-intellectuelen van de grachtengordel die zich er liever niet hardop mee bemoeiden, maar heimelijk wel vonden dat Wilders ergens gelijk had: dat moslims behoren tot een achterlijke cultuur.
Met Job Cohen kan de droevige, kille, harteloze tijd tussen 2000 en 2010 eindelijk worden afgesloten. Tenzij er iets gruwelijk misgaat. Vandaar deze oproep. Het is voor mij van levensbelang. Als de allochtoon die ik tegen wil en dank ben, als de serieuze Nederlander die ik vanuit het diepst van mijn hart wil zijn.