De radicalisering van Sadettin K.

‘Waarom zeggen jullie niets?’

Theatermaker Sadettin Kirmiziyüz is een seculiere moslim die radicaliseert. Niet langer zal hij voor zijn publiek de knuffelallochtoon zijn. Het is tijd voor een robuustere Sadettin die niet iedereen wil pleasen.

Medium de radicalisering 07  c2 a9 sanne peper

Een half uur voordat theatermaker Sadettin Kirmiziyüz zijn voorstelling De radicalisering van Sadettin K. zal opvoeren in de kleine zaal van Schouwburg Kunstmin in Dordrecht, gaat het brandalarm af. Kirmiziyüz staat in de kleedkamer, een gloeiende strijkbout in zijn hand om zijn overhemd kreukvrij te strijken. Een mechanische vrouwenstem vraagt iedereen het pand te verlaten via de dichtstbijzijnde nooduitgang. Vast een brandoefening of een simpele vergissing. Toch schiet door het hoofd van Kirmiziyüz heel even een paniekerige gedachte. Weer een bommelding?

Kirmiziyüz, die met zijn dikke baard en kale hoofd sterk aan Mohammed Bouyeri doet denken, zet grote verschrikte ogen op. Even later verlaat hij samen met anderen via de hoofdingang de schouwburg. Er staan ook politieagenten buiten, maar dat zijn acteurs uit de voorstelling Baantjer Live! die in een andere zaal wordt opgevoerd.

Twee dagen eerder, op 1 december, stond Kirmiziyüz in Theater Hanzehof in Zutphen, het Gelderse stadje waar hij in 1982 werd geboren. Zijn voorstelling had prachtige recensies. Dagblad Trouw noemde Kirmiziyüz zelfs ‘misschien wel de belangrijkste theatermaker van dit moment’. Maar buiten de Randstad liep de kaartverkoop voor de voorstelling moeizaam. Veel te zware titel, vertelden sommige abonnementhouders tegen schouwburgdirecteuren. Toen kwam ‘Parijs’, vrijdag 13 november. 130 doden door negen geradicaliseerde moslimjongeren uit Frankrijk en België. Opeens was er weer belangstelling voor Kirmiziyüz’ voorstelling.

Ook het verkeerde soort belangstelling. Zoals die van een man die vlak voor de voorstelling naar Theater Hanzehof belde om een bommelding te doen. Dit kan niet, dacht Kirmiziyüz terwijl hij liep te ijsberen in de coulissen. Niet hier, niet in deze stad, niet op deze manier. Uiteindelijk bleek de bommelding het werk te zijn van een verwarde man, een bekende van de politie, maar Kirmiziyüz kon het moeilijk relativeren. Het zijn gespannen tijden en voor Kirmiziyüz, die uit zelfbescherming is opgehouden met het volgen van al het nieuws, is zelfs maar de suggestie van onheil al gauw te veel.

Na een paar minuten mag iedereen weer Schouwburg Kunstmin binnen. Kirmiziyüz rookt een sigaretje. Zijn technicus Henk vertelt hem ondertussen wat er aan de hand was. Bij Baantjer Live!, waar de rookmachines stonden te loeien, hadden ze vergeten de rookmelders uit te zetten.

‘Ik had deze voorstelling liever niet gemaakt, dat meen ik serieus’

‘Ik had deze voorstelling liever niet gemaakt, dat meen ik serieus’, zei Kirmiziyüz eerder toen we in zijn auto onderweg waren naar de schouwburg in Dordrecht. ‘Mijn vorige voorstellingen waren altijd licht, altijd vanuit het idee dat ik dingen niet verder moet problematiseren.’

Anders dan de titel doet vermoeden is De radicalisering van Sadettin K. geen voorstelling over de islamitische radicalisering van Kirmiziyüz. Het stuk is wel hyperpersoonlijk, net als de rest van zijn oeuvre. Kirmiziyüz heeft een moeder, vader, broer en zus en over alle vier maakte hij een voorstelling, respectievelijk Avondland, De vader, de zoon en het heilige feest, What’s Happenin’ Brother en Somedaymyprincewill.com. Sjablonen, noemt hij zijn familieleden, die hij in zijn voorstellingen vult met de thema’s die hem bezighouden, zoals migratie, identiteit, cultuur, racisme, islam en loyaliteit.

Zwaar, maar Kirmiziyüz behandelt de thema’s altijd zo lichtvoetig mogelijk. In de voorstelling De vader, de zoon en het heilige feest schertst hij over het racisme waar zijn vader mee te maken heeft, in Somedaymyprincewill.com vertelt hij grappend en grollend over zijn zusje dat Nederland teleurgesteld de rug toekeert en emigreert naar Turkije. ‘Tapdansen tussen culturen’ noemt Kirmiziyüz zijn aanpak. Hij wilde voor alles een moreel oordeel vermijden. Publiek en critici liepen hierom altijd met hem weg.

Met De radicalisering van Sadettin K. is hij een andere weg ingeslagen. Dat begint al bij het affiche. Daarop staat een grimmig kijkende Kirmiziyüz. Achter hem is een zwarte vlag opgehangen met Arabische teksten. Lichte toets is het Mickey Mouse-T-shirt dat hij draagt en de grote roos die hij als een vuurwapen vasthoudt. Maar Kirmiziyüz’ doordringende blik overheerst. Boos. Ernstig. Dit is geen tapdanser.

Vorig jaar zomer was de theatermaker boos om de hypocrisie die hij op Facebook bij familie en vrienden zag. Israël bombardeerde Gaza. Familie en vrienden hadden het in statusupdates over genocide. In dezelfde zomer riep Islamitische Staat een kalifaat uit en begon een moordcampagne tegen yezidi’s. Was dat ook niet een genocide waartegen zijn familie en vrienden stelling moesten nemen? Waarom lieten ze het bij de gratuite opmerking dat dit ‘niet mijn islam’ is?

‘Eerder draaide ik te veel om de hete brij heen en liet daardoor mezelf en het publiek te makkelijk wegkomen’

Bij die woede kwam nog een hele lading sarcasme. En bedankt, hè, dacht hij toen de Kouachi-broers in januari een bloedbad aanrichtten op de redactie van Charlie Hebdo. Bedankt, dacht Kirmiziyüz, het gaat jullie gewoon lukken om bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten. En bedankt, hè, dacht hij op 13 november toen het bloed weer door de Parijse straten stroomde. Hoe kon hij na dit alles hier niet een voorstelling over maken? Maar dan wel een die putte uit walging en woede. ‘Ik durf nu veel meer’, zegt Kirmiziyüz, ‘want ik ben ook veel bozer.’

Maar zijn woede in deze voorstelling slaat alle kanten uit. Ze treft niet alleen hypocriete moslims. Hij geeft zichzelf en zijn publiek er nog wel het meest van langs. Kirmiziyüz heeft altijd aan een bekende allochtonenkwaal geleden: opkomen als een Turk, Marokkaan et cetera en zich dan in een volledig blank autochtoon milieu begeven. En dan, door bijvoorbeeld een flauwe allochtonenmop te vertellen, bewijzen dat men niet met een overgevoelig type te maken heeft. Kirmiziyüz kende alle Turken-moppen uit zijn hoofd. En zichzelf onschadelijk maken op toneel deed hij bijvoorbeeld ook door de pijnlijke ervaringen van zijn vader met racisme op te dissen als een leuke anekdote.

Hij schaamt zich daar nu voor. Hij vindt het laf, en laf kan en wil hij niet meer zijn, want hij is inmiddels vader van Adam, zijn Turks-Belgische zoon van zeventien maanden. ‘Ik wil niet dat Adam over twintig jaar zegt: “Pap, je had een podium, een publiek, en wat heb je daarmee gedaan? Ja, je hebt Turken-moppen verteld, maar wat nog meer?” Het is voor mij een wezenlijke vraag, wat ga ik mijn zoon nalaten? Nu kan ik tenminste tegen hem zeggen: ik heb deze voorstelling gemaakt. Het ging mij helemaal niet om het maken van een “goede voorstelling”, ik wilde een voorstelling maken die “waar” is, waar niks onoprechts in zit. Om zo’n voorstelling te maken moest ik ook streng voor mijzelf zijn. Ik moest nadenken over mijn vroegere werk. Het zijn prima voorstellingen, maar van een jongere Sadettin. Ik durfde toch niet helemaal door te pakken met de thema’s die ik aansneed. Ik draaide te veel om de hete brij heen en liet daardoor mijzelf en het publiek te makkelijk wegkomen. Dat gebeurde in de voorstelling van mijn vader, die godverdomme hier 41 jaar heeft gewoond, altijd hard heeft gewerkt, maar op zijn werk nog altijd met racistische collega’s te maken heeft. Waarom was ik daar niet bozer over?

En waarom was ik niet bozer in Somedaymyprincewill.com over het lot van mijn zusje? Ik was de slimme broer, deed vwo, ging naar de theaterschool in Maastricht. Zij zat op school in Zutphen maar maakte nooit een opleiding af. Thuis had ze ook nog te maken met mijn broer die haar vertelde waar ze wel of niet mocht werken, wat ze wel of niet mocht doen. Uiteindelijk is ze naar Turkije gegaan om vrijer te kunnen leven. Ik kan mij soms nog wel eens schuldig voelen dat ik er niet vaker voor haar was. Dat had ik veel duidelijker willen maken in de voorstelling.’

In 2013 kreeg Sadettin Kirmiziyüz de handen van publiek en critici weer eens op elkaar, nu voor de voorstelling Jeremia, die hij maakte met theaterschrijfster Marjolijn van Heemstra. Geen autobiografisch materiaal deze keer, maar een afdaling in de wereld van botte internet-reaguurders. Het is een tedere voorstelling, vol mitsen en maren en begrip. Aan het eind roepen Kirmiziyüz en Van Heemstra iedereen op ‘radicaal genuanceerd’ te zijn.

Zijn hoofd glimt van het zweet. Hij kijkt de zaal rond. ‘Ben ik nou Sadettin, of speel ik Sadettin?’

Zo’n oproep zal Kirmiziyüz nalaten in Dordrecht. Er komen uiteindelijk rond de 45 mensen af op zijn voorstelling. Voordat het publiek binnen is loopt Kirmiziyüz rondjes over het podium en roept af en toe luid ‘Aaahm’ om zijn stembanden op te warmen. Op het podium staat een witte tank die gemaakt is van decorstukken uit zijn vorige voorstellingen. Het is een idee van zijn decorontwerper Sacha Zwiers. Zijn kostuumontwerpster Lotte Goos had vervolgens het idee om hem in een strak Hugo Boss-pak te steken. En hij moest van Goos naar de sportschool zodat hij een beetje in de breedte kon groeien. Op de dag van de première moest er een nieuwe Kirmiziyüz op het podium staan, een krachtiger versie met een markant hoofd. Niet meer het iele jongetje van vroeger.

Slechts twee van de 45 bezoekers zijn niet-typisch toneelpubliek. Bij het werk van Kirmiziyüz blijft dat een gek gezicht. Driekwart van zijn oeuvre is gebouwd op de pijn en vreugde van het zijn van een Turks gastarbeiderskind in Nederland. Stoort het hem niet dat hij de reflecties op zijn achtergrond altijd moet opvoeren voor zo’n blank autochtoon publiek? Wordt hij door dit publiek niet gestuurd in wat hij wel of niet vertelt? Een hypothese die ik hem in de auto naar Dordrecht voorleg: zou je precies hetzelfde werk maken als je avond aan avond alleen Turkse Nederlanders in de zaal zou hebben? Kirmiziyüz antwoordt stellig dat het geen jota uit zou maken. Hij vertelt wat hij vertellen moet, ongeacht de samenstelling van zijn publiek.

Toch problematiseert hij in De radicalisering van Sadettin K. zijn relatie als Turkse Nederlander met het blanke publiek. Begrijpen deze mensen wel altijd waar hij mee bezig is? Hij vertelt over een meneer die hem vlak voor een voorstelling in alle ernst vraagt of er ook buikdansers zullen zijn. En over publiek dat ‘Allah Akbar!’ roept of het op een ‘joe joe joe!’ zet als een stel Arabische vrouwen. Bij dit publiek stort hij zijn hart uit over zijn achtergrond, biedt hij de verhalen over zijn familie aan als vermaak.

‘Wat ben jij?’ zei zijn vader een keer tegen hem: ‘Een knuffelallochtoon. Ze vinden je interessant, die linkse vrienden van je, ze geven je geld om theater te maken. Heel mooi, hoor, Sadettin, maar ik heb collega’s op het werk die elkaar racistische cartoons sturen en snel hun mails wegklikken als ik vraag waar ze om lachen.’

‘Waarom speel je zo met mij?’ vroeg zijn broer, een coffeeshophouder, die Kirmiziyüz persifleerde in What’s Happenin’ Brother. ‘Ik dacht toch dat ik je held was?’

‘Kom op, niet zo serieus! We willen niet luisteren naar allochtonen die zich in hun slachtofferschap wentelen!’

De radicalisering van Sadettin K. is geen veilig optreden van een knuffel-Turk die zijn publiek een goed gevoel over zichzelf wil geven. Kirmiziyüz vertelt over die keer dat de Volkskrant een interview met hem aankondigde met ‘Creatief met Turk’. We lachen. Maar Kirmiziyüz vraagt zich af waarom hij dit gepikt heeft. Waarom heeft hij de Volkskrant niet gebeld en om een andere kop gevraagd? De tijd van ‘dikke vette knipogen’ naar zijn achtergrond maken, moet voorbij zijn. Anders komt hij met zijn broer langs op de redactie om eens huis te houden. Weer lachen we. Kirmiziyüz wacht tot het stil is, vraagt dan sarcastisch: ‘Ja grappig, hè?’

In de auto naar Dordrecht vertelde Kirmiziyüz over zijn vroegere nervositeit, zijn constante zelftwijfel. ‘Ik zit hier alleen maar omdat ik Turk ben, hè?’ vroeg hij zijn studiebegeleider op de toneelschool in Maastricht, ‘jullie krijgen zeker subsidie voor mij?’ Vroeg hij na zijn afstuderen subsidies aan voor te maken voorstellingen, die vervolgens werden gehonoreerd, dan was daar weer dat knagende gevoel: krijg ik dit geld vanwege mijn kwaliteiten of vanwege mijn achtergrond? Daar kwam ook nog bij dat hij soms werd getypecast. Dan werd hij gebeld of hij een Turkse olieworstelaar wilde spelen in een film. Een keer speelde hij een crimineel in Flikken Maastricht. ‘Wat doe ik hier?’ vroeg hij zich af. ‘Het betaalt niet eens goed.’

Inmiddels is hij verlost van die zelftwijfel. Hij is uitgegroeid tot een gelauwerde theatermaker. Voorstelling na voorstelling rijgt hij de sterren aan elkaar. Hij hoeft voor niemand onder te doen. Dat zelfvertrouwen maakt ook weerbaar. Daarom durft hij in deze voorstelling zichzelf en zijn werk zo onverschrokken onder de loep te nemen. Het gebeurt uit een positie van sterkte.

‘Waarom zeggen jullie niets?’ vraagt Kirmiziyüz op het podium in Dordrecht. Met die vraag sluit hij een anekdote af. Ooit werd hij bij het uitstappen uit een trein door een medepassagier in zijn borst getrapt. Hij had een fiets bij zich. De agressieveling hield hem voor een fietsendief en vond het daarom nodig hem een trap te verkopen. Geen enkele medepassagier schoot hem te hulp. Iedereen keek weg en negeerde hem. ‘Waarom zeggen jullie niets?’ Een andere anekdote: ‘Ik ga vanavond naar Turkmenistan’, whatsappt een vriend hem. Een vergissing, het berichtje was voor iemand anders bedoeld. De vriend zou bij Kirmiziyüz gamen en wilde iemand anders daarvan op de hoogte brengen. Een pijnlijke manier om erachter te komen dat zijn vrienden hem zulke vernederende bijnamen geven. Normaal had Kirmiziyüz de eerste stap genomen om de angel uit deze ongemakkelijke toestand te halen. Deze keer besluit hij het niet te pikken. ‘Hé man’, appt hij terug. ‘Ik geloof dat ik vanavond toch maar niet ga gamen. Dag.’ Kirmiziyüz is stil. Het publiek gaat ongemakkelijk verzitten. ‘Kom op, Sadettin!’ roept Kirmiziyüz. ‘Niet zo serieus! We willen niet luisteren naar allochtonen die zich in hun slachtofferschap wentelen!’

Drie kwartier is de voorstelling dan onderweg. Bij het publiek is zich een heleboel schuldgevoel gaan opstapelen. Je voelt het op je drukken wanneer Kirmiziyüz aan het slot van de voorstelling begint. Hij klimt op de tank, neemt een paar slokken water. Zijn hoofd glimt van het zweet. Hij kijkt de zaal rond. In dat moment van stilte dringt het tot je door dat je medeplichtig bent geweest aan het feit dat de theatermaker altijd de lichtvoetige en ongevaarlijke knuffel-Turk heeft moeten spelen. Zo hadden we hem het liefst.

‘Ben ik nou Sadettin, of speel ik Sadettin?’ vraagt hij. Is hij altijd echt zichzelf geweest, of hebben we tot deze voorstelling met een veel te publieksvriendelijke Sadettin te maken gehad?

Vaak is radicalisering de uitkomst van een worsteling met identiteit. Geradicaliseerde Syrië-gangers kunnen erover meepraten. Die hebben een lange weg afgelegd waarin ze hun islamitische identiteit in harmonie hebben proberen te brengen met hun Nederlandse identiteit. Als dat niet lukt – door gepercipieerde islamofobie of achterstelling – barsten ze uit elkaar van frustratie.

Kirmiziyüz is een seculiere moslim, hij zal niet met een zelfmoordvest in Syrië eindigen, maar in zijn worsteling met zijn Turkse en Nederlandse identiteit resoneert een frustratie die Syrië-gangers zullen herkennen. Het heeft hem doen radicaliseren. Niet langer zal hij zich verschuilen achter narrige personages. Het is tijd voor een robuustere Kirmiziyüz die niet iedereen wil pleasen.

‘Hoe nu verder?’ vraagt hij in de auto terug naar Amsterdam. ‘Ik moet daar goed over nadenken. Ik heb nog twee weken te gaan met deze voorstelling, dan breken de feestdagen aan. Op Oud en Nieuw ga ik helemaal los, volledig ontladen. Daarna ben ik vrij. Ik heb niet direct concrete ideeën voor iets nieuws. Vast staat in ieder geval dat ik verder deze weg in zal slaan. Misschien schakel ik zelfs een tandje bij. Dingen aan de kaak stellen. Mijzelf, anderen. Nog serieuzer worden, nog onverbiddelijker zijn.’