DE NEDERLANDSE KNUFFELHOMO

Waarom zijn Nederlanders zo dol op homoseksuelen?

Waarom is homoseksualiteit in Nederland zo’n heilige koe geworden en waarom worden homoseksuelen door bijna alle politieke partijen het hof gemaakt? Gerrit Komrij vindt het verschijnsel van de homoseksueel als nationaal knuffeldier maar bedenkelijk en vraagt zich af wat de werkelijke redenen voor deze warme liefde zijn. Dit allemaal onder het motto: er loopt een directe lijn van de Gay Parade naar de Paralympics!

IEDEREEN HEEFT ZIJN EIGEN seksuele scheppingsverhaal. Hoe begon het? Als je het groeiende leger hulpverleners moet geloven verliep het seksuele ontwaken van de meeste mensen gruwelijk. Vaders en ooms die je besprongen, pedofielen achter iedere struik.
Door het almaar groeien van het leger hulpverleners zit men om almaar meer hulpverlening verlegen.
Mijn seksueel ontwaken verliep, op een tante na die me af en toe kneep, mild en in een roze wolk.
Er liepen jongens rond en het was de bedoeling dat die je vriendjes werden en het was de bedoeling dat je verliefd werd op die vriendjes.
Dat begon zo omstreeks je vierde levensjaar.
Niets aan de hand.
Homoseksualiteit bestond niet. Meisjes waren misschien ook ergens goed voor. Daar kwam je vast en zeker nog wel achter. Later, veel later.
Over het nut van meisjes zou men je te zijner tijd wel berichten. Christenen moesten voor ze enige zekerheid kregen over de hemel ook altijd wachten tot na hun dood.
Ik bleef haken aan mijn homoseksualiteit. Ik bleef hangen in het web. Als een zieltje zonder zorg. Er was op zich niet veel bijzonders aan die homoseksualiteit, het was maar biologie, maar het verhaal eromheen kapselde me in. Homoseksualiteit was een uiting van mensen die in een bijzondere wereld leefden. Een wereld van dromen en schaduwen, welteverstaan, van schimmen en nachtmerries, niet van geslachtsdelen.
Ik ken de homoseksualiteit niet anders dan als een tweepotig monster. Een poot met de seksuele component en een poot met de, ja hoe zal ik het noemen?
De culturele component? De spirituele component? Gewoon maar de niet-seksuele component?
Soms is iets zo teer dat het al bezwijkt onder het etiket.
De mysterieuze component komt er misschien nog het dichtst bij.
Homoseksualiteit is niet interessant. Er moesten elementen bestaan die haar interessant maakten. Homoseksualiteit diende meer te betekenen dan een bevredigingsmodus. Ze was een manier om tegen de wereld, het leven en de kunst aan te kijken. Enfin, het Shakespeare-Plato-Michelangelo-syndroom.
Je maakte, zo ontdekte je, deel uit van een geheim genootschap. Dat klinkt erg. Je vond het volstrekt niet erg dat het erg klonk.
Je moest de grenzen van die geheime club aftasten. Je moest op een bepaalde manier leren kijken. Je moest leren veinzen en voor de gek houden.
Ik moet me duidelijker uitdrukken. Shakespeare-Plato-Michelangelo is een te grof geschut. De voorloper van het COC heette, als ik me niet vergis, de Shakespeare-club. Grof geschut en ook nog eens zelf-felicitatie.
Maar hoe geef je dan wel uitdrukking aan iets zo fijnmazigs, aan een wereld van signalen en suggesties, van onvoltooidheden en fragmenten?
De mysterieuze poot die mijn homoseksualiteit tijdens mijn school- en studentenjaren op de been hield… de zin gaat meteen mank lopen… enfin, die poot was de wereld van de decadenten, de estheten, de rebellen, de gemartelden en de martelaars, de mannen en vrouwen van een verguisd boek of een met onbegrip ontvangen gedicht, een compleet literair en beeldend heelal van patiënten en dwazen en halve genieën en dwingelanden.
De homoseksuele subcultuur heette dat.
Het genootschap waarvan je deel was gaan uitmaken vormde als vanzelfsprekend de tegenhanger van de maatschappij die deze cultuur tot sub had verklaard. Homoseksualiteit betekende verzet, antiburgerlijkheid, amoraliteit, spontane aanbidding van het tegendeel.
Dat je buiten de cyclus van de voortplanting stond was al een mirakel van jewelste… Je interpreteerde dat niet als onvruchtbaarheid of als het toebrengen van leed aan een naar voortbestaan snakkende aarde, je interpreteerde dat als een verrukkelijke negatie van alles wat gewone mensen zo gewoontjes maakte.
Zo ongeveer zag de poot eruit die me op de been hield.
Met die poot kon ik me stijven in de aangewaaide waan die homoseksualiteit heette.
Ik was iemand. Ik maakte deel uit van. Ik hoorde bij een vijfde colonne. Ik had steun gevonden bij gelijkgestemden. Ik was ingekapseld door een complexe wereld met maar één gemeenschappelijke noemer: de omgekeerde wereld. Narcissus. Corydon. Alcibiades. Spiegelbeeld.
Zoiets vroeg om solidariteit.
Daar begonnen de moeilijkheden.

AL SNEL ONTDEKTE JE dat er ook homoseksuelen bestonden die niet eens weet hadden van de mysterieuze component van de homoseksualiteit. Die het best konden stellen met de seksuele component alleen. Mensen uit het gewone volk, zal ik maar zeggen. Het was beslist een schok toen ik voor het eerst hoorde van een homoseksuele tramconducteur. Toen ik mijn eerste homoseksuele stratenmaker ontmoette.
Kappers en modeontwerpers, dat was nog tot daar aan toe. Die hadden nog iets kunstzinnigs. Verongelukte Michelangelo’s eigenlijk.
Maar mensen die helemaal geen deel hadden aan de homoseksuele cultuur… Die zich van schrik verslikten als je begon over spiegelbeeld en narcisme… Over gezagsondermijning en zwarte missen…
Wat wist een tramconducteur van Proust?
Dat ik ook zelf nooit één letter van Proust heb gelezen doet niets af aan het huiveringwekkende van deze vraag.
Wat weet een stratenmaker van De Profundis?
En als je daar niets van af wist, hoe kon je dan homoseksueel zijn?
Een biologische machine was je dan. Een soort paringssimulator. Een beest op twee benen.
Niets om over naar huis te schrijven.
Homoseksualiteit, vaarwel. Bedankt voor de kennismaking.

DE ONGELETTERDE HOMOSEKSUEEL went snel. Maar je moet je daar zelf iets voor wijsmaken. Je bent verplicht de mythe uit te breiden. Van die uitgebreide mythe gaat de straatjongen deel uitmaken, de rough trade. Oscar Wilde reikt je wel een helpend handje, bij die brug die loopt van straatjongen naar tragedie.
Zelfs de homo met een haringkar of de kantoorklerk in een Peek & Cloppenburgje kon je vervolgens met een beetje goeie wil voor straatjongen aanzien.
De volkse onderwereld die zelf geen deel had aan het mysterie was voortaan een essentieel deel van het mysterie.
Toen de taboes in pers en politiek nog volop heersten bestond er al een ondergrondse wereld waarin de homoseksualiteit als iets schilderachtigs werd omhelsd. Elk Jordaancafé kende zijn huisnicht op pantoffels, volop meebedisselend bij de roddel en het spoelen van de glazen. Er werd door gewone mensen niet neerbuigend over zo’n type gedaan. Hij was de knuffel en niet de zondebok van het café.
Oudere vrouwen die zich graag lieten omringen door geblondeerde bootwerkers vormden een vertrouwd beeld. Je was eigenlijk geen echte homo als je niet beschikte over zo’n nichtenmoedertje.
De ondergrondse was op een spectaculaire wijze ordinair. Die wereld was lekker, zoals eten uit de muur lekker was.
Je stak er veel van op ook, vooral van de schuine moppen en de vuilbekkerij. Je taal werd rijker en je vertrouwdheid met dubbelzinnigheden ook.
Dit Was De Harde Kern. Er was maar een kleine stap voor nodig om tot die conclusie te komen. Maar je moest zelf homoseksueel zijn om er iets van te begrijpen en om deze rauwe en assertieve wereld, met haar suggestie van een diepe innerlijke tragiek en een nog dieper sentimentaliteit, te ervaren als voedingsbodem en achilleshiel van het homo-heelal. Ik zat erbij met mijn virtuele brilletje en mijn wijsneus, een ondergeschoven homo-nerd, en was er trots op dat ik de signalen kon opvangen en deel had aan hun geheim.

ZO BLEEF DE MYTHE dat homoseksualiteit iets meer – veel meer – betekende dan seksualiteit in stand.
Achteraf betwijfel ik ernstig of ik destijds wel zo slim was als ik me zelf vond. Dat een ordinair volkstype homo kon zijn, alla, maar ik was waarschijnlijk veel meer onder de indruk van het feit dat zo iemand geen kwaad woord over homo’s wilde horen. Dat zo’n ongeletterd iemand tolerant kon zijn en mijn homoseksualiteit accepteerde.
Ik verkeerde in de illusie dat twee homowerelden elkaar hadden gevonden. Ik begreep nog niet dat ze gedoemd waren gescheiden te blijven.
Intussen was er in de Nederlanden nog geen cabaretier gesignaleerd die erover peinsde om in het openbaar voor zijn homoseksualiteit uit te komen. Laat staan een volkszanger.

TWEEDE HELFT VORIGE EEUW. De homo’s vroegen om rechten. De bovenwereld hielp daarbij de onderwereld. De bovenwereld van kunst en literatuur, de advocaten, de hoogleraren, de politiek. De doem van de solidariteit.
Waar is het op uitgedraaid? De onderwereld is bovenwereld geworden. De rollen werden omgekeerd. De caféhomo werd via wijkhomo en streekhomo de landelijke homo. Niet langer door een nichtenmoedertje vertroeteld, maar door de Nederlandse Bond van Huisvrouwen.
Ik huiver als ik eraan denk hoe je zo’n bond moet omschrijven.
Alle Gooische Vrouwen bij elkaar.
Help, ik word bemind! realiseerde iedere homoseksueel zich plotseling.
Dat was ook weer niet de bedoeling.
Maar ik loop vooruit.
Eén ding was zeker: van het geheim was niets meer over.

DE ILLUSIE VAN EEN gedeelde mythe was verbroken. De heersende homoseksualiteit heeft het geheim niet langer nodig, ze is zo uit de kast de straat op gerold. Uit de kast is mooi, regelrecht de straat op is een tweede. Ik wist niet of ik daar nog bij wilde horen.
Ik had geen keus. Ik moest wel. Weliswaar was al vaag het besef tot me doorgedrongen dat ik weinig ophad met andere homoseksuelen, niets met homoseksuelen als groep of beweging en al helemaal niets met hun platitudes, maar voor de verstandigste gevolgtrekking uit dat besef – stap eruit! – was het definitief te laat.
Zo verleidelijk als het was geweest een flikker te worden, zo moeilijk was de weg terug. Ik kon van mijn homoseksualiteit niet meer af, gepokt en gemazeld als ik was door ‘het verhaal eromheen’.
Maar gelukkig was ik bevrijd van die vermeende, valse plicht tot solidariteit.
’t Had me op dat moment niet kunnen schelen de enige homoseksueel ter wereld te zijn. Nu ja, zowat de enige. Een eenmanshomo, uit naam van niemand, in dienst van niemand.

ER ZIJN VEEL THEORIEËN en ideologieën over homoseksualiteit ontwikkeld. Ze snijden inmiddels geen hout meer. Als jongen had ik wat anderen homoseksualiteit bleken te noemen op een praktische en natuurlijke wijze omhelsd. Ik ontdekte uiteraard snel dat homoseksualiteit meer dan zweven op een roze wolk betekende. Er kwamen problemen bij kijken, obsessies, tekortkomingen, verlangens en verantwoordelijkheden die niet opzij vielen te schuiven. De aanwezigheid van mythe en mysterie, niet in religieuze maar in artistieke zin, redde me.
Daarna probeerden ze me nog van alles wijs te maken over homoseksualiteit – biologisch, historisch, maatschappelijk, filosofisch. Ik ben ik weet niet hoeveel homoseksualiteiten tegengekomen. Een slachtofferhomoseksualiteit en een triomfantelijke homoseksualiteit. Wat resteert is (aan de ene kant) mijn natuurlijke eenmansbeleving van het onnatuurlijke, de homoseksualiteit met haar ‘verhaal’ en haar geheimen, en (aan de andere kant) de volkshomoseksualiteit, de homoseksualiteit van het Joling- en Gordon-tijdperk.
Dat de laatste homocultuur de dominante is geworden heeft alles te maken met de ontwikkeling van de amusementscultuur en van het populisme. In nog geen twee decennia werd op alle fronten de hogere cultuur vervangen door de lagere. De toon van het debat, de opinievorming en de agendapunten worden bepaald door populaire tronies, die inderdaad af en toe deksels goed kunnen zingen of scheelkijken. Entertainers zijn het nieuwe volksgeweten. Entertainers zijn de nieuwe ceremoniemeesters.
Ze hebben ook mijn homoseksualiteit gekidnapt. En naar hun beeld herschapen.
Verdwenen zijn bedding, voorlopers, het besef van een gedeelde mythologie, diepgang en alles wat langer duurt dan een dag en een nacht.
Het gaat niet aan dit te betreuren. Het proces heeft zich voltrokken. Het proces is compleet. Laten we ophouden met zeuren over ooit.

IN HET PUBLIEKE DOMEIN vindt de publieke beleving plaats. Verborgen homo’s tellen niet mee. De zichtbare homo’s van nu en de rolmodellen voor argeloze jongeren, ze komen uit de wereld van Albert Verlinde en Paul de Leeuw en Jos Brink en Gordon en Gerard Joling e tutti quanti. Ik noem hun namen maar één keer, de sukkels kunnen er zelf niets aan doen. Hun namen zijn inwisselbaar en hun talenten vaak ook.
Eén ding hebben ze, vrees ik, gemeen: dat ze zich in stilte, op een onbewaakt ogenblik, zelf af en toe verbeelden dat ze taboedoorbrekend zijn en de homorevolutie vertegenwoordigen. Arme revolutie.
Dat ze boegbeelden zijn is zeker.
Geen boegbeelden van emancipatie, maar boegbeelden van gezelligheid. Er zijn gradaties qua beeldvullende mieën, ik geef het toe. Maar het merendeel van het nationale nichtendom maakt van alles draaiorgelmuziek en presenteert ook de homoseksualiteit in z’n draaiorgelvariant.

DE NICHT EN DE TRAVESTIET en de hermafrodiet zijn meubelstukken geworden, overgeplant van buurtcafé naar huiskamer. Ook in die Hollandse huiskamer mogen ze blijven omdat ze zo zacht zijn, zo ad rem, en zo vals zonder dat je je beledigd hoeft te voelen. En, vooral, omdat ze zo gezellig zijn. ’t Hielp daarbij dat alle tv-homo’s, hun diepere homo-aard indachtig, ook zelf verzot waren op aandacht, dat je ze met niets zo gelukkig kon maken als met applaus en een schouderklopje, met als hun hoogste ideaal samen op de foto met de koningin.
Eigenlijk is homoseksualiteit, of althans het narcistische ruggenmerg ervan, bij uitstek geknipt voor tv. Geen wonder dat het scherm zwart ging zien van de nichten.
Het begint ermee dat het publiek tv-homo’s ‘wel geschikt’ vindt, het eindigt ermee dat tv-homo’s gingen denken dat ze een deksels baanbrekend werk verrichten. Intussen is de homoseksualiteit zelf, met haar verontrustende en sinistere kanten, uit het zicht verdwenen.
Vermalen tussen het publiek en de sterren.

BIJ DE DOOD VAN JOS BRINK schreef de Gay Krant dat niemand zo veel voor de acceptatie van homoseksualiteit had betekend als hij. Volgens de heren van de Gay Krant had hij niets minder dan een pioniersrol vervuld. De realiteit is dat hij op een gespreid bedje was gaan zitten. In de periode dat hij op het scherm voor zijn relatievorm uitkwam (keurig stelletje, op tijd naar de kerk) hadden anderen, uit de wereld van de cultuur en de literatuur, de weg bereid, de nek uitgestoken, de klappen opgevangen en de zielen rijp gemaakt.
Josje hoefde alleen zijn hand op te houden en te oogsten. Zijn publieke coming out gebeurde, zoals de coming out van zoveel andere cabareteske huppelkonten, op een moment dat het al volstrekt risicoloos was geworden.
Toen de kijkers Jos Brink accepteerden had ook bij de heren van de Gay Krant al het gevoel moeten knagen of er misschien iets mis was met de acceptatie van de homoseksualiteit.

DE HOMO’S ZELF zaten intussen niet stil om de homoseksualiteit van haar ongemakkelijke en gevaarlijke kantjes te ontdoen.
Het zou weinig overtuigend zijn de verbluffende doodgewoonheid van de homoseksualiteit nu alleen toe te schrijven aan de domheid van een handjevol enkelingen. De ontwikkeling ligt dieper ingebed.
De hele homowereld kreeg een klap van de jaren zeventig en tachtig, toen alles om moest en alles anders. Wat betekende, in het oog van de homoseksueel, ‘alles anders’ anders dan heteroseksualiteit?
De homo moest en zou meedoen, acceptabeler worden dan acceptabel, in niets meer te onderscheiden van de niet-homo. Hij ging trouwen en kindertjes adopteren.
Een homohuwelijk is een huwelijk in een gruwelijke lachspiegel. Dat een homoseksueel paar dezelfde rechten zou hebben als een heteroseksueel paar is vanzelfsprekend. Dat kan bij een wet blijven en een vel papier.
Bij de aanblik van al die koetsjes, trouwjurken, zalvende ambtenaren, ja dat hele heterootje-nabootsen, zonk het homoseksuele lood me definitief in de homoseksuele schoenen.
Wie de afwas zal doen en wie de vuilnisemmer buiten gaat zetten, dat is nog eens een onderwerp.
In elke langdurige relatie tussen twee mannen, of twee vrouwen, zal men in het reine moeten komen met de rolverdeling. Hoe men binnen zo’n verhouding tegen het vraagstuk van het vadertje en moedertje spelen aankijkt, en de manier waarop men dat oplost, is van essentieel belang.
Maar trouwen en kindertjes opvoeden, het onderscheid met de ‘normale’ wereld steeds kleiner maken en maatschappelijke braafheid en populariteit nastreven – dit alles maakt de reden waarom iemand zichzelf homo zou noemen steeds onbenulliger.

HET IS DE ERKENNING door de homoseksuelen zelf van de homoseksualiteit als iets onvolkomens. Die erkenning kan men gerust aan de buitenwereld overlaten.
Misschien is er weinig zo dramatisch in een mensenleven als het gemis van kinderen. Op het moment dat ik wist dat ik me homoseksueel wilde noemen besefte ik ook dat ik in een onvruchtbare windstreek was beland. Ik had de plicht het bewustzijn van dat gemis op een of andere manier om te buigen of weg te masseren.
Er valt in de lege en onbestemde plekken van het homoseksuele bewustzijn veel in te vullen, maar wanneer die invulling geschiedt door imitatie van en concurrentie met de hetero, houdt dat bewustzijn op homoseksueel te zijn.
Homoseksualiteit is, naast het geheimzinnige en verrukkelijke, ook een zaak van gemis, lasten en onmogelijkheden. Wie die niet op zijn schouders wil nemen is een overloper en een lafaard.
De nu in zwang zijnde variant van homoseksualiteit is een verradersvariant.
Er ontbreekt moed aan, en glorie, en onwil om te staan voor je eigen lot. Onwil om, naast het zoet, het zuur te accepteren.

MAAR WAAR BLIJFT WAAR: die hele homovertrutting is als een bom ingeslagen in de Nederlandse publieke opinie. Op niets zijn Nederlanders zo dol als op mensen die net zo willen zijn als zij. En op mensen die gelokaliseerd en gecontroleerd kunnen worden.

HET ECHTE BEWIJS dat er al door-emanciperend iets grondig was misgegaan werd geleverd door de ontwikkeling in de politiek. In het eerste stadium was er alleen het standpunt van de VVD. Heren met een sigaar en een vestzakhorloge en vrouwen in mantelpakjes verklaarden desgevraagd dat discriminatie van homoseksuelen uit den boze was. Dat was netjes, dat was liberaal, daar konden we mee uit de voeten.
Helaas voelden de politici zich daarna geroepen de homo’s in versnelde vaart steeds heviger te omhelzen. Knuffelen is het woord. Er werd een wedstrijd gehouden in het op de foto komen met een landelijk bekende nicht.
Ik volsta met een paar momentopnamen.
De eerste opname is Molly Geertsema. Die hadden we al. Merci en arrivederci.
De tweede opname is de curieuze Pim Fortuyn. Hij kreeg het voor elkaar de rol van valse tv-nicht en politicus in zich te verenigen en toch een volksheld te blijven. Op zijn publieke bekentenissen dat hij zich graag door jonge Marokkaantjes liet pijpen (of omgekeerd, ik ben de precieze toedracht vergeten) volgde geen zucht van verontwaardiging. Om welke reden hij ook werd vermoord, niet om zijn homoseksualiteit.
Eén ding heeft Fortuyn duidelijk bewezen: dat de homo-emancipatie haar eindstadium had bereikt en dat verdere assistentie van politici overbodig was.
Derde opname. Rita Verdonk. Ze liet Gordon en Joling in haar verkiezingscampagne prominent opdraven. Ze riep Gordon en Joling uit tot haar favoriete kunstenaars. Ze lonkte naar elke stereotiepe nicht à la Gordon en Joling die haar pad kruiste.
Omdat haar naam nu weldra vergeten zal zijn, ondanks haar robuuste aanwezigheid de laatste jaren en ondanks de amechtige kalverliefde waarmee de journalisten haar op een voetstuk plaatsten, wil ik even vastleggen wie Rita Verdonk is. Rita Verdonk is een in haar motoriek ietwat boerse vrouw met beperkte verstandelijke vermogens, afkomstig uit het gevangeniswezen waar men, boef of cipier, alles weet van onderdrukte seksuele verlangens.
Ik denk niet dat haar rol van nichtenmoedertje iets met die verlangens te maken heeft.
Ik vrees dat het meer te maken heeft met het willen overtroeven van Fortuyn en met het willen mee-eten uit de ruif van de tv-populariteit dan met een plotselinge bekommernis om mensenrechten of verdraagzaamheid.
En dat die kneedbare en politiek ondervoede homo’s met hun oogschaduw en polsgebaartjes zouden kunnen bijdragen om de allochtonen de gordijnen in te jagen is mooi meegenomen.
Plasterk. Vierde opname. Eindelijk iemand die zich links noemt. Ronald Plasterk. Zijne excellentie Plasterk die, gebukt onder een elegante hoed, meevaart met de Gay Parade. Over hem dadelijk.
Ik vertrouwde het voor geen cent.
We doen er goed aan de grootste argwaan te blijven koesteren jegens heteropolitici die homo’s knuffelen. Knuffelen is nog geen acceptatie. Knuffelen ligt vlak naast Doodknuffelen.
Politici zijn instinctmatig op zoek naar iets om er hun goeie kant mee te laten zien. Ze weten dat ze toch aan iets steun moeten betuigen. Dat iets moet zonder gevaar zijn.
Het populisme heeft een verontrustende kleinering met zich meegebracht voor alles wat uitzonderlijk is. Voor de kunst, de literatuur, de poëzie, de filosofie, en daarmee voor de niet-seksuele kant van de homoseksualiteit. Het knuffelen van de eendimensionale nicht komt neer op de censuur van de veelzijdigheid en de veelvormigheid.
De homoseksuelen raakten, terwijl ze bezig waren de lont uit zichzelf te trekken, ook nog eens verzeild in de klauwen van de ethici en de wereldverbeteraars.
De politici hebben intussen de homoseksualiteit geregeld zoals ze de cannabis hebben geregeld: met officiële uitlaatkleppen en georganiseerde overtredingen, met gedoogzones en de nodige opbrengsten voor de staat. Dat deden ze hand in hand met de homoseksuelen zelf, de gezworen aartsvijanden van hun normen en waarden.
De strijdbijl begraven. Poldermodel.

DE GAY PARADE is de voorlopige apotheose. Alle homo’s op een bootje over het water, in een nadrukkelijke manifestatie van blije grijns en gymnastiekoefeningen. De sportschool danst de polonaise. Een schriele geest in een gezond lichaam. Het volk genietend aan de wallenkant.
Eensdeels komt de parade neer op een imitatie van een typisch heterofeest – recht op genot, voor je zelf uitkomen, Nederland Pretpark. Anderzijds beweert men aandacht en begrip te willen genereren – de lieve gays doen dus extra stoer om vooral voor volwaardig te worden aangezien. Ze ontkennen het feit dat ze ‘anders’ zijn zo hevig mogelijk door het zo hevig mogelijk te benadrukken.
Een soort Paralympics.
Politici en gezagsdragers op de eerste rij.
In de Gay Parade voeren ditmaal nóg meer boten mee van het gemeentebestuur, van de politie, van de politieke partijen. De burgemeester, wethouders, Kamerleden, potentiële ministers, commissarissen, militairen en agenten vochten om vooraan te staan bij het masseren en opvrijen van de dansende nichten, ingeklemd tussen het bootje van Gordon en Joling en het bootje met het gipsen afgietsel van Johnny Jordaan. Alles onder het mom van solidariteit.
De solidariteit van niks met niks.
De ministerraad was vertegenwoordigd.
Ik zou zeggen, als iemand naar je toekomt, met een feestelijke hoed op die een en al voorpret uitstraalt, als iemand naar je toekomt om zijn solidariteit met je te verklaren, om te zeggen hoe blij hij is met de blijen, en die iemand is een afgezant van een kabinet met fundamentalistische christenen, machtsgeile nep-socialisten en een premier zonder enige morele moed, een kabinet om wille van de positieve discriminatie aangevuld met een naaikransje van pedante tantes, ik zou zeggen, als zo iemand naar je toekomt heb je je doodvonnis getekend.
Zo’n ondraaglijk leven van achtervolging en derdegraads verhoren leiden de homoseksuelen ook weer niet dat er dit machtsvertoon van solidariteit aan te pas moet komen.
Maar de heren van de Gay Krant schreven dat Plasterk met zijn komst naar de Gay Parade in één dag meer had bereikt voor het aanzien van ‘de’ homoseksualiteit dan zij met hun jarenlange geijver en gezwoeg.
Opnieuw dat likken van wat hoog aan de hemel staat. Sterren en autoriteiten.
Plasterk deed niet meer dan een dagje overeind blijven onder zijn enorme hoed. In de geschiedenis van de homo-emancipatie was een lichtgewicht op een donzen kussen gevallen.

DE GAY PARADE heeft alleen nog zijdelings iets te maken met homoseksualiteit. ’t Wordt de gezagsdragers en commandanten met zo’n feest wel erg gemakkelijk gemaakt.
Ik ervaar op de Gay Parade alleen de verontrustende afwezigheid van elk breekbaar element, van elk element van tegendraadsheid. De zelfverklaarde homoseksuelen zullen en moeten worden bewonderd. Val me vooral niet lastig met de problemen van wereldbeeld, mythe, geheimen, scheefgroei, kinderen, vruchtbaarheid en trouw.
Voor mij vormen die problemen een bron van energie en ellende. Ze zorgen ervoor dat ik nog steeds geen definitie van homoseksualiteit heb gevonden.
De politici vinden feestvieren met invaliden mooi genoeg. Die homoseksuelen zijn toch ook opgehouden met problematisch te zijn voor zichzelf?
‘Ze zijn zo gezellig’, zei Rita Verdonk al.
We leven onder de dictatuur van de vrijheid, onder de conventie van het onconventionele, onder de verburgerlijking van het antiburgerlijke, onder de normaliteit van de uitzondering.

JA, DAT BEWEERT HIJ DUS, hoor ik ze zeggen, maar het is voor ons leuk en best gezellig en allemaal zelfs heel gezellig.
Dat het in homoland gezellig is is al erg, maar erger is het dat het er officieel gezellig is, goedgekeurd gezellig, verplicht gezellig.
Ja, dat beweert hij dus, hoor ik ze ook zeggen, omdat hij oud is geworden en het allemaal zwart begint in te zien.
Ik ben geen pessimist. Een pessimist is iemand die het donkerder inziet dan het in werkelijkheid is. Ik zie het ook donker in, maar het is de werkelijkheid.
Oud ben ik wel geworden. Maar of het daarmee iets te maken heeft? De tempel stort in, maar de droom van de tempel blijft. Je zou dan net zo goed kunnen stellen dat ik het beeld dat van de homoseksualiteit is ontstaan verafschuw omdat ik geen succesvolle tv-zanger of spelletjesleider ben geworden.
Ik zit elke dag zeker een kwartier voor het portret van William Shakespeare om hem te danken dat ik dat niet ben geworden.

IN DE HEILSTIJD die wij in ons platgeregelde en sufgeorganiseerde landje meemaken is de homoseksualiteit volstrekt smetvrij en taboeloos geworden. Ze krijgt geen wenkbrauw meer omhoog. Homoseksuelen en het volk delen dezelfde intense burgerlijkheid en tuttigheid. Homoseksuelen zijn overal welkom.
Homoseksuelen en autoriteiten zijn tuk op elkaar.
Marokkanen en Antillianen op straat, potenrammers en lokhomo’s zijn vanzelfsprekend een geheel ander probleem voor een geheel ander departement onder een geheel andere minister.
Hoe kon men zo diep zinken? In een maatschappij waar niemand meer een zinnig woord van een homoseksueel verwacht, omdat de favoriete homoseksuelen niets zinnigs te vertellen hebben, kan het woord homoseksualiteit net zo goed worden geschrapt.
Kijkende naar de televisie en het parlement krimp ik verder. Waar heb ik het aan te danken dat ik behalve mijn likdoorn en mijn groot talent ook nog mijn homoseksualiteit moet meezeulen? Ik wil niet vertegenwoordigd worden door een zingende zak met lachgas. Ik wil niet geknuffeld worden door een politicus met wie ik niets heb.
Homoseksualiteit, zoveel is duidelijk, leent zich niet voor solidariteit.
Dat komt goed uit, want ik wil er niet graag meer bij horen.
Stilletjes is een droom aan diggelen gegaan. Ik heb altijd met het idee geleefd dat homoseksualiteit ook te maken had met ironie, kritiek, satire, dubbele bodems en diepere zin. Gerard Reve schreef in zijn begintijd dat je maar naar de taartjes etende volksvrouwen op de gebakafdeling van de Hema op de Nieuwendijk hoefde te kijken om prompt homoseksueel te worden. Zoiets ongeveer. Iedereen kent dat verhaal. De omgekeerde toestand lijkt nu bereikt. Je hoeft maar naar de pijnlijke standaardnichten op het scherm te kijken of je weet dat je daar niet bij wilt horen. Je zou zo snel mogelijk heteroseksueel willen worden. Er valt geen eer meer te behalen door je homo te noemen.
Homoseksualiteit, vaarwel. Bedankt voor de kennismaking.
Mij bevangt een diepe deernis met iedereen die nu als homo moet opgroeien. Ik zou er zo snel mogelijk af willen raken – om alleen tussendoor en stiekem en af en toe ergens iets homoseksueels uit te spoken. Ik weet niet of ik er, als ik nu vier was, nog aan zou beginnen.

NEDERLAND KENT ZIJN eigen dynamiek. Het streven naar maatschappelijke erkenning van homo’s is uitgemond in een exclusieve erkenning van het platvloerse element in de homocultuur. Een prachtig en uniek element, daar niet van, maar niet het enige.
De ware aard van de homoseksualiteit is aan het zicht onttrokken. Maar ook hoe er onder de bevolking werkelijk over homoseksualiteit wordt gedacht valt moeilijk te achterhalen. De verkeerde mensen knuffelen de verkeerde mensen.
Of de gewenste tolerantie echt diep zit, ik ben er niet gerust op.
Gedenk China nog even. Daar werden de invaliden gedoogd op het officiële feest dat Paralympics heette, daar werden ze voor het oog van de buitenwereld zelfs gevierd en toegejuicht, terwijl na het feest achter elk venster en op elke straathoek weer het bordje kwam te hangen met: ‘Rolstoelen ongewenst’.
Politiek blijft politiek, dus hoerig en amoreel. Macht blijft macht. Ik kan, als homoseksueel uit een verloren tijd, nog signalen lezen. En al die signalen geven te kennen dat er iets zwaait voor de homoseksuelen als ze niet langer aan de eis van knuffelbaarheid voldoen.

Dit is de tekst van de Mosse Lezing 2008, die Gerrit Komrij vorige week uitsprak (de lezing is een initiatief van het George Mosse Fonds)