Essay - Ideeën zijn belangrijker dan kapitaal of instituties

Waarom zijn wij zo rijk?

In de afgelopen anderhalve eeuw heeft de bourgeoisie ons veel goeds gebracht, simpelweg door handel en door zakendoen, en doordat ze daarvoor de ruimte kreeg. De wereld is niet verdoemd, ook niet in de toekomst.

Medium sk a 365

Waarom zijn wij zo rijk? Wie zijn ‘wij’? Heeft onze rijkdom ons gecorrumpeerd? The Bourgeois Era, een serie van drie lange boeken die – godzijdank – zojuist is voltooid, geeft antwoord. Uit The Bourgeois Virtues: Ethics for an Age of Commerce (2006) blijkt dat de handelsbourgeoisie – de middenklasse van handelaren, winkeliers, uitvinders en managers – over het geheel genomen, in tegenspraak met de overtuiging van de intellectuele voorhoede van kunstenaars en intellectuelen na 1848, redelijk goed is. Niet slecht.

In Bourgeois Dignity: Why Economics Can’t Explain the Modern World (2010) toon ik aan dat de moderne wereld niet tot stand is gekomen door de gebruikelijke materiële oorzaken, zoals steenkool of spaarzaamheid of kapitaal of export of imperialisme of goede eigendomsrechten of zelfs goede wetenschap, want die zijn ook allemaal wijdverbreid geweest in andere culturen en andere tijden. Ze is tot stand gekomen dankzij zeer veel technische en een paar institutionele ideeën onder een op unieke wijze hergewaardeerde bourgeoisie – op grote schaal aanvankelijk vooral in Noordwest-Europa, en vanaf de zestiende eeuw vooral in de Lage Landen.

In Bourgeois Equality: How Ideas, Not Capital or Institutions, Enriched the World, dat in 2016 zal verschijnen, laat ik zien dat een nieuwe manier van kijken naar de deugden en naar ideeën voor verbetering is ontstaan in Noordwest-Europa, uit een nieuwe vrijheid en waardigheid die door alle burgers – waaronder de bourgeoisie – werden gedeeld, en uit een verbazingwekkende herwaardering, die in Holland is begonnen, van de handel en verbeteringen waarin de bourgeoisie gespecialiseerd was. Deze herwaardering, genaamd ‘liberalisme’, is op haar beurt niet voortgevloeid uit een of andere oude superioriteit van de Europeanen, maar uit egalitaire toevalligheden in hun politiek tussen 1517 en 1789. Dat wil zeggen: wat ertoe deed waren twee ‘lagen’ van ideeën – de ideeën in de hoofden van de ondernemers voor de verbeteringen zelf (de elektrische motor, het vliegtuig, de aandelenmarkt), en de ideeën in de samenleving in haar geheel over de zakenmensen en hun verbeteringen (in één woord: dat liberalisme). Wat er niet echt toe deed, waren de conventionele factoren van geaccumuleerd kapitaal en institutionele verandering. Die speelden wel een rol, maar waren grotendeels afhankelijk van die verbeteringen en het liberalisme.

Het gevolg was sinds 1800 een enorme verbetering van de levensomstandigheden voor de armen: gelijkheid op het gebied van gezondheid en behuizing en de belofte – die nu wordt vervuld – dat dit resultaat zich wereldwijd zou verspreiden: een Grote Verrijking voor zelfs de armsten onder ons.

Dit zijn controversiële beweringen, want ze zijn optimistisch. Velen ter linkerzijde, zoals mijn vriend de econoom Yanis Varoufakis (de vroegere minister van Financiën van Griekenland), of de Franse econoom Thomas Piketty, en sommigen ter rechterzijde, zoals de Amerikaanse econoom Tyler Cowan, geloven dat we verdoemd zijn. Yanis denkt dat welvaart het gevolg is van enorme bedragen aan kapitaal die in de wereldeconomie circuleren, en meent op marxistische en keynesiaanse wijze dat de economie als een ballon is die is opgeblazen door de consumptie en op het punt staat te knappen. Ik denk dat de economie lijkt op een worstenmachine, en dat – als Griekenland of Europa meer welvaart wil – we die machine beter moeten laten werken, door bijvoorbeeld de ondernemingszin te belonen en mensen te laten werken wanneer zij dat willen.

Piketty denkt dat de rijken altijd maar rijker worden en dat de rest van ons op hetzelfde peil blijft. Ik denk dat dat niet klopt, zelfs niet als je naar zijn eigen statistieken kijkt, en zeker niet op de lange termijn, en dat de worstenmachine de afgelopen twee eeuwen vooral veel productiever is geworden, waarvan met name de armen hebben geprofiteerd. Tyler denkt dat de worstenmachine niet meer verbeterd kan worden. Ik denk dat er weinig bewijsmateriaal is voor technologische stagnatie, en dat de armen van de niet-westerse wereld in ieder geval de komende eeuw nog een inhaalslag zullen maken, waardoor ze ons allen zullen verrijken met hun eigen verbeteringen van de worstenmachine.

Met andere woorden: ik denk niet dat we verdoemd zijn. Ik voorzie voor de komende eeuw een verrijking van de wereld, zowel in materiële als in geestelijke zin, die de vertrapten van de aarde een leven zal opleveren als dat van een hedendaagse Nederlander.

***

Om redenen die ik niet helemaal begrijp heeft de intellectuele voorhoede zich na 1848 tot het nationalisme en socialisme bekeerd en zich afgewend van het liberalisme. Ze heeft zich ook verheugd in een steeds verder uitdijende lijst van pessimismen over de manier waarop we nu leven in onze min of meer liberale samenlevingen – van het gebrek aan zelfbeheersing onder de armen tot een overvloed aan kooldioxide in de atmosfeer. Antiliberale utopia’s, bedoeld ter compensatie van dit pessimisme, zijn populair geweest onder de intellectuele voorhoede. Van de pessimistische en utopische boeken zijn er miljoenen verkocht.

Maar de twintigste-eeuwse experimenten met nationalisme en socialisme, met syndicalisme in de fabrieken en de centrale planning van investeringen, met steeds verder om zich heen grijpende regelgeving ter bestrijding van de denkbeeldige maar nooit feitelijk gedocumenteerde tekortkomingen van de markt, hebben niet gewerkt. En de meeste pessimismen over hoe we vandaag de dag leven zijn een vergissing gebleken. Het is een raadsel.

De moderne wereld is tot stand gekomen dankzij een trage revolutie van de ethische overtuigingen over deugden en ondeugden

Mijn trilogie boekstaaft, verklaart en verdedigt wat ons rijk heeft gemaakt – het systeem dat we sinds 1800 of 1848 hebben gehad en dat doorgaans, op misleidende wijze, het moderne ‘kapitalisme’ wordt genoemd. Het kan beter als volgt worden omschreven: ‘technologische en institutionele verbetering in een razend tempo, beproefd door de ongedwongen uitwisseling van alle betrokken partijen’. Of als: ‘enorm succesvol liberalisme, in de oude Europese zin, toegepast op handel en politiek, zoals het ook werd toegepast op wetenschap, muziek, schilderkunst en literatuur’. De eenvoudigste versie is ‘door de handel beproefde vooruitgang’. Veel mensen zijn nu kort gezegd verbazingwekkend veel beter af dan hun voorouders in 1800. En de rest van de mensheid laat zien op het punt te staan in deze verrijking te zullen gaan delen.

Een cruciaal punt is dat de veel rijker geworden wereld op geen enkele diepzinnige wijze kan worden verklaard door de accumulatie van kapitaal, zoals economen – van Adam Smith en Karl Marx tot en met Varoufakis, Piketty en Cowan – hebben geloofd, en zoals het woord ‘kapitalisme’ op zichzelf lijkt te impliceren. Het woord belichaamt een wetenschappelijke vergissing. Onze rijkdom is niet voortgekomen uit het op elkaar stapelen van baksteen op baksteen, of van universitaire graad op universitaire graad, of van bankbalans op bankbalans, maar uit het op elkaar stapelen van idee op idee. De bakstenen, diploma’s en bankbalansen – de kapitalistische accumulaties – waren uiteraard noodzakelijk. Maar dat geldt ook voor de beroepsbevolking, vloeibaar water en de pijl van de tijd. Je hebt zuurstof nodig voor een brand.

In het tweede deel – Bourgeois Dignity – toon ik aan dat de moderne wereld niet kan worden verklaard uit het routineus op elkaar stapelen van ‘bakstenen’, zoals de handel op de Indische Oceaan, het Engelse banksysteem, kanalen, de Engelse spaarquote, de Atlantische slavenhandel, natuurlijke hulpbronnen, de uitbuiting van werknemers in satanische fabrieken, of de accumulatie van kapitaal – fysiek of menselijk – in Europese steden. Dergelijke routines hebben zich te vaak voorgedaan in de wereldgeschiedenis en stellen kwantitatief te weinig voor om de dertig- tot honderdvoudige verrijking per persoon in de afgelopen twee eeuwen te kunnen verklaren.

Laat opnieuw dat cruciale, verbijsterende feit tot je doordringen dat economische historici de afgelopen paar decennia hebben ontdekt: dat in de twee eeuwen sinds 1800 de hoeveelheid goederen en diensten, beschikbaar per gemiddeld individu in Zweden of Taiwan, is gestegen met een factor 30 of 100. Niet met 100 procent – wat slechts een verdubbeling inhoudt – maar in de hoogste schatting met een factor 100, oftewel bijna 10.000 procent, en op z’n minst met een factor 30, oftewel 3000 procent. De Grote Verrijking van de afgelopen twee eeuwen heeft alle eerdere en tijdelijke verrijkingen in de schaduw gesteld. Het verklaren hiervan is de belangrijkste wetenschappelijke taak van de economie en de economische geschiedenis, en is van belang voor iedere andere soort sociale wetenschap of recente geschiedenis.

Wat houdt deze verklaring dan in? De oorzaken waren niet (om maar een willekeurige greep te doen uit de schijnbaar onuitputtelijke lijst van materialistische factoren, door de ene of de andere econoom of economische historicus naar voren gebracht) steenkool, spaarzaamheid, transport, hoge lonen voor mannen, lage lonen voor vrouwen en kinderen, surpluswaarde, menselijk kapitaal, geografie, spoorwegen, instituties, infrastructuur, nationalisme, de versnelling van de handel, de vooruitgang in de Late Middeleeuwen, het individualisme van de Renaissance, de ‘First Divergence’ (het uit elkaar groeien van de economieën van industrialiserende en niet-industrialiserende samenlevingen in de negentiende eeuw), de Zwarte Dood, Amerikaans zilver, de oorspronkelijke accumulatie van kapitaal, piraterij, ‘empire’ (een ruim begrip dat meer omvat dan louter imperialisme), eugenetische verbeteringen, de mathematisering van het mechaniek van de hemel, technische educatie of een perfectionering van de eigendomsrechten.

Dergelijke omstandigheden hadden zich eveneens voorgedaan in een stuk of tien toonaangevende, georganiseerde samenlevingen in Eurazië, van het oude Egypte en China tot aan het Japan van de Tokugawa en het Ottomaanse Rijk, en waren niet onbekend in Midden-Amerika en de Andes. Ze vormen geen verklaring voor de merkwaardigste seculiere gebeurtenis in de menselijke geschiedenis, die is begonnen met de ontdekking van de burgerlijke waardigheid in Holland na 1600, in het Engeland van na 1700 zijn instrumenten voor verbetering bij elkaar heeft geraapt, en zich na 1800 over Noordwest-Europa en de rest van de wereld heeft uitgestort.

***

De moderne wereld is tot stand gekomen dankzij een trage revolutie van de ethische overtuigingen over deugden en ondeugden, en in het bijzonder dankzij een veel hogere tolerantie dan in vroegere tijden voor door de handel beproefde vooruitgang – het sluiten van wederzijds voordelige deals door mensen, en het bewonderen van deze mensen voor het sluiten daarvan, en vooral het bewonderen van mensen die à la Steve Jobs verbeteringen bedenken.

Doorslaggevend was niet de psychologie – Max Weber had in 1905 nog beweerd dat dit wél zo was – maar de sociologie. De tolerantie voor vrijhandel en de waardering voor verbeteringen werden eerst bepleit door de bourgeoisie zelf, en daarna – met verstrekkender gevolgen – door de intellectuele voorhoede, die in de eeuw vóór 1848 de economische vrijheid en de burgerlijke waardigheid bewonderde, en ter ondersteuning van het project bereid was haar leven, fortuin en heilige eer op te offeren. Na 1848 ging in landen als de Verenigde Staten, Holland en Japan ook het merendeel van de gewone mensen langzaam overstag. Maar tegen die tijd had een groot deel van de wereldwijde intellectuele voorhoede zich al beslissend van de bourgeoisie afgekeerd en zich op weg naar het twintigste-eeuwse fascisme en communisme begeven.

Maar in gelukkiger landen, zoals Noorwegen of Australië, werd de bourgeoisie door veel mensen voor het eerst als acceptabel eerlijk beoordeeld, en was ze dat ook, onder omstandigheden van nieuwe sociale en familiale druk. In 1900 en nog meer in 2000 had de Bourgeois Revaluation (de Herwaardering van de Bourgeoisie) de meeste mensen op een behoorlijk aantal plekken, van Syracuse tot Singapore, heel rijk en redelijk gelukkig gemaakt.

Een uniek liberalisme was wat de vrije teugel heeft gegeven aan de verbetering van het leven van gelijke burgers, beginnend in Holland in 1585

Ik moet toegeven dat ‘mijn’ verklaring beschamend en pathetisch onorigineel is. Het is louter de economische en historische verwezenlijking in feitelijke economieën en de feitelijke economische geschiedenis van het achttiende-eeuws liberaal gedachtegoed. Maar dat is wél wat de intellectuele voorhoede na 1847 zo tragisch is kwijtgeraakt, en wat door de daaropvolgende geschiedenis zo diepgaand als juist is bewezen. De vrijheid en waardigheid voor gewone mensen hebben ons rijk gemaakt, in iedere betekenis van het woord.

De verandering, de Bourgeois Revaluation, werd belichaamd door de opkomst van een beschaving die het zakendoen respecteert – een aanvaarding van de Bourgeois Deal: ‘Laat me in het eerste bedrijf geld verdienen, en tegen het derde bedrijf zal ik jullie allemaal rijk maken.’ Een groot deel van de elite en daarna ook een groot deel van de non-elite van Noordwest-Europa ging de waarden van handel en verbetering aanvaarden of zelfs bewonderen. De samenleving deed althans niet langer haar best zulke waarden te dwarsbomen, zoals ze dat in vroegere tijden op energieke wijze had gedaan. En vooral de samenleving van de nieuwe Verenigde Staten deed dat niet. Daarna volgden de elites en het gewone volk in een groter deel van de wereld, waaronder verbazingwekkend genoeg ook China en India. Zij gingen eveneens de bourgeoisie respecteren – of althans niet totaal afwijzen, overbelasten en op stompzinnige wijze reguleren.

Medium sk a 146
***

Hoe kan het dat de Bourgeois Revaluation is uitgemond in de Grote Verrijking? Het antwoord is de verrassende, uitzonderlijk gelukkige manier waarop Noordwest-Europa heeft gereageerd op het tumult van de vroeg-moderne tijd: het samengaan van de ‘Vier R’s’: Raadpleging, Reformatie, Revolte en Revolutie. De dobbelstenen werden geworpen door Gutenberg, Luther, Willem van Oranje en Oliver Cromwell. Door een gelukkig toeval voor Engeland kwam de opbrengst hiervan aan het eind van de zeventiende eeuw in dat voorheen onbelangrijke landje terecht. Geen van de Vier R’s had diepgaande Britse of Europese wortels. Alle dobbelstenen hadden evengoed een andere kant op kunnen rollen. Ze waren bizar en onvoorspelbaar. In 1400 of zelfs in 1600 zou een slimme waarnemer haar geld hebben gezet op een industriële revolutie en een grote verrijking – als ze zich zulke vreemde gebeurtenissen überhaupt had kunnen voorstellen – in het technologisch geavanceerde China, of het vitale Ottomaanse Rijk. Maar niet in het achterlijke, twistzieke Europa.

Een gevolg van deze Raadpleging, Reformatie, Revolte en Revolutie was een vijfde R, een cruciale Revaluatie (herwaardering) van de bourgeoisie, eerst in Holland en daarna in Groot-Brittannië. Deze Revaluatie maakte deel uit van een door de Vier R’s veroorzaakte, egalitaire herwaardering van doodgewone mensen. Hiërarchische structuren – zoals bijvoorbeeld weerspiegeld in de overtuiging van St. Paulus en Martin Luther dat het bestaande politieke gezag door God is ingesteld – begonnen langzaam en gedeeltelijk af te brokkelen.

De Industriële Revolutie en vooral de Grote Verrijking kwamen voort uit de vrijstelling van gewone burgers van herendiensten voor een erfelijke elite, zoals de edelman in zijn kasteel, of van verplichte gehoorzaamheid aan een staatsfunctionaris, zoals de economische planner in het stadhuis. Zij waren het gevolg van het verlenen van eer aan de voormalige vertrapten van Bolton – of van Osaka, of van Lake Wobegon: gewone burgers die hun vrijheid uitoefenden om een fabriek te verplaatsen of luchtdrukremmen uit te vinden.

Niet iedereen aanvaardde de Bourgeois Deal, zelfs niet in de Verenigde Staten. Dat is ook de grote zorg: deze deal is onvolledig, en kan nog steeds worden ondermijnd door vijandige houdingen en onhandige regels. In Chicago heb je een licentie van driehonderd dollar nodig om een kleine reparatiedienst voor naaimachines te mogen beginnen, maar je kunt het niet thuis doen als gevolg van reglementen die politiek zijn gearrangeerd door grote winkelketens. Antiburgerlijke sentimenten overleven zelfs in bourgeois-steden als Londen, New York en Milaan, waar ze worden geventileerd aan neo-aristocratische eettafels en tijdens neo-klerikale redactievergaderingen.

Een journalist in Zweden merkte onlangs op dat toen de Zweedse regering aanraadde twee centimeter tandpasta op je tandenborstel te doen geen enkele journalist protesteerde: ‘[De] journalisten (…) putten professionele trots uit het met de uiterste scepsis behandelen van een persbericht of een nieuw rapport van een commercieel bedrijf. En terecht. Maar het grote raadsel is waarom een soortgelijke communicatie anders wordt behandeld als die afkomstig is van een overheidsorganisatie. Het is niet moeilijk om je de reactie van de media voor te stellen als Colgate een persbericht zou doen uitgaan waarin het publiek op het hart wordt gebonden iedere dag minstens tweemaal twee centimeter tandpasta te gebruiken.’

***

De bourgeoisie is moreel zeker niet zonder blaam. De nog maar net getolereerde bourgeoisie heeft zichzelf met enige regelmaat geprobeerd op te werpen als een nieuwe aristocratie die door de staat zou moeten worden beschermd, zoals Adam Smith en Karl Marx al hadden voorspeld. En hoe dan ook, zelfs in de verburgerlijkte landen aan de kusten van de Noordzee verdwenen de oude hiërarchieën, gebaseerd op geboorte of kerkelijke rang, niet eenvoudigweg op 1 januari 1700. Verhalen over pre- of antiburgerlijk leven domineerden op merkwaardige wijze de hoge en lage kunst van het Bourgeois Tijdperk. In de romans van Flaubert en Hemingway, de poëzie van D’Annunzio en Eliot, de films van Eisenstein en Pasolini – om maar te zwijgen van cowboyfilms en spionageromans – werden de waarden gevierd van de boerenstand of het proletariaat, of die van de aristocratie. Die van de bourgeoisie kwamen er nauwelijks aan te pas.

Het Bourgeois Tijdperk kende hoge sociale normen door de afschaffing van de slavernij en het stemrecht voor vrouwen en armen

Een uniek liberalisme was wat de vrije teugel heeft gegeven aan de verbetering van het leven van gelijke burgers, beginnend in Holland in 1585, en in Engeland en New England een eeuw later. Die verbetering was grotendeels het gevolg van een verandering in de ethische retoriek van de economie, vooral ten aanzien van de bourgeoisie en haar projecten. >

Het is duidelijk dat ‘burgerlijk’ niet hoeft te betekenen wat conservatieven en progressieven ermee bedoelen, namelijk ‘het hebben van een door en door gecorrumpeerde menselijke geest’. De typische bourgeois werd door de romantische Schotse conservatief Thomas Carlyle in 1843 neergezet als een atheïst met ‘een dode ziel, dichtgeschroeid door de meedogenloze verering van het gezond verstand, voor wie het naar de hel gaan gelijk staat aan het niet verdienen van geld’. En aan de andere kant beschouwde Charles Sellers, de invloedrijke linkse historicus uit de Verenigde Staten, het nieuwe respect voor de bourgeoisie in Amerika in 1996 als een plaag die tussen 1815 en 1846 ‘een gecommodificeerde mensheid tot meedogenloze competitieve inspanningen dwingt, en de affectievere en altruïstischer verhoudingen van de sociale reproductie, die voor de meeste mensen belangrijker is dan materiële accumulatie, vergiftigt’. In tegenspraak met Carlyle en Sellers is het burgerlijke leven feitelijk vooral coöperatief en altruïstisch; en als het competitief is, is dat goed voor de armsten onder ons. We zouden er meer van moeten hebben.

De Bourgeois Deal impliceert echter niet dat je dol moet zijn op de ondeugd van de hebzucht, of moet denken dat hebzucht volstaat als economische ethiek. Een dergelijke machiavelliaanse theorie, ‘hebzucht is goed’, heeft het ethisch denken over het Bourgeois Tijdperk ondermijnd, vooral tijdens de afgelopen drie decennia, op plekken als Wall Street of het ministerie van Economische Zaken. Behoedzaamheid is een van de belangrijkste van de zeven voornaamste deugden. Hebzucht kan louter tot een zonde uitgroeien als de deugd van de behoedzaamheid niet door de andere zes deugden wordt gecompenseerd. Dat is het centrale betoog van The Bourgeois Virtues uit 2006, en trouwens ook van The Theory of Moral Sentiments van Adam Smith uit 1759.

Evenmin heeft het Bourgeois Tijdperk tot een feitelijke vergiftiging van de deugden geleid. In een verzameling mini-essays waarin de vraag wordt gesteld ‘of de vrije markt het morele karakter corrumpeert’ antwoordt politiek theoreticus Michael Walzer: ‘Natuurlijk is dat zo.’ Maar hij voegt er wijselijk aan toe dat ieder sociaal systeem de ene of de andere deugd corrumpeert. Dat het Bourgeois Tijdperk mensen ertoe heeft verleid om te denken dat hebzucht goed is, aldus Walzer, ‘is op zichzelf geen argument tegen de vrije markt. Denk eens aan de manieren waarop democratische politiek het moreel karakter kan corrumperen. De concurrentie om politieke macht zet mensen onder grote druk (…) om tijdens publieke bijeenkomsten leugens te uiten, en om beloften te doen die ze niet kunnen nakomen.’ Of denk eens aan de manieren waarop zelfs een mild socialisme mensen onder druk kan zetten om de zonde van de afgunst te begaan, of die van een door de staat afgedwongen hebzucht, of die van geweld of ecologische onachtzaamheid. Of denk eens aan de manieren waarop de zogenaamde affectieve en altruïstische verhoudingen van de sociale reproductie in het Amerika van vóór de commerciële revolutie mensen onder grote druk zetten om hun echtgenoten in alles te gehoorzamen en lastige Quakers en Anabaptisten op te knopen.

Dit wil zeggen dat ieder sociaal systeem, als het niet uiteen wil vallen in een oorlog van allen tegen allen, er behoefte aan heeft dat de ethiek door zijn deelnemers wordt geïnternaliseerd. Het moet over een bepaald instrument – preken, films, de pers, de opvoeding, de staat – beschikken om de corruptie van het morele karakter te vertragen, althans ten opzichte van de normen van dat specifieke systeem. Het Bourgeois Tijdperk kende hogere sociale normen dan andere tijdperken door de afschaffing van de slavernij en het stemrecht voor vrouwen en armen. Voor nóg meer vooruitgang stelt de communitarist Walzer zijn vertrouwen in een oud conservatief argument: een ethische opvoeding op basis van goed-bedoelde wetten. Je kunt er twijfels over hebben of een staat die sterk genoeg is om zulke wetten af te dwingen lang ongecorrumpeerd kan blijven, althans buiten Noord-Europa.

Hoe dan ook, anders dan de algemene opinie sinds 1848 wil doen geloven heeft de komst van een burgerlijke beschaving, met respect voor het zakendoen, de menselijke geest ondanks alle verleidingen niet gecorrumpeerd. In feite heeft ze de menselijke geest juist verheven. Walzer heeft gelijk als hij zich erover beklaagt dat ‘de arrogantie van de economische elite deze laatste paar decennia verbijsterend is geweest’. Dat klopt. Maar die arrogantie is voortgekomen uit de theorie dat hebzucht goed is, en niet uit de gemoraliseerde economie van handel en verbetering die Smith en Mill en latere economen om zich heen zagen ontstaan, en die zich zelfs nu nog blijft verspreiden.

***

Het Bourgeois Tijdperk heeft niet – zoals de historicus Sellers elders beweert, als hij het heeft over de wereld die we hebben verloren – de levens vertrapt ‘van duurzame menselijke waarden van gezin, vertrouwen, samenwerking, liefde en gelijkheid’. Goede levens als deze kunnen op grote schaal worden geleefd in de moderne burgerlijke stad. In Alan Patons roman Cry, the Beloved Country zegt John Kumalo, afkomstig uit een dorp in Natal en nu een grote man in Johannesburg: ‘Ik zeg niet dat we hier vrij zijn.’ Een zwarte man onder het apartheidsregime in Zuid-Afrika in 1948 kon dat ook moeilijk zeggen. ‘Maar in ieder geval ben ik vrij van het stamhoofd. In ieder geval ben ik vrij van die oude, onwetende man.’

De Revaluatie is kortom voortgekomen uit een retoriek – die door de Nederlandse econoom Arjo Klamer het ‘gesprek’ wordt genoemd – die de wereld heeft verrijkt en nog zal verrijken. We zijn niet verdoemd. Als we een verstandig en op feiten gebaseerd gesprek voeren over de economie, de economische geschiedenis en de politiek zullen we het redelijk goed doen, of we nu in Rio, Rotterdam of waar dan ook wonen.


De Amerikaanse econoom Deirdre N. McCloskey was tot voor kort hoogleraar aan de Universiteit van Chicago. Ze bezette gedurende vijf jaren de ‘Tinbergen-leerstoel’ voor economie, filosofie, geschiedenis, Engelse taal en kunsten aan de Erasmus Universiteit. Ze legt zich behalve op economie toe op geschiedenis en filosofie. Haar driedelige The Bourgeois Era is haar magnum opus. Ze legde onlangs de laatste hand aan het derde deel ervan en schreef speciaal voor De Groene Amsterdammer dit essay over het drieluik.

Vertaling: Menno Grootveld


Beeld: (1) Dirck Dircksz. van Santvoort, Het gezin van Dirck Bas Jacobsz, burgemeester van Amsterdam_, 1634-1635. Olieverf op doek, 136 x 251 cm. (2) Bartholomeus van der Helst,_ Portret van Andries Bicker_, 1642. Olieverf op paneel, 93,5 x 70,5 cm. Foto’s Rijksmuseum Amsterdam._