Waarvoor hebben we God nodig?

Hoe is het zo gekomen? Wie om zich heen kijkt zou de indruk kunnen krijgen dat we het hier goed voor elkaar hebben, maar dan is het wel zaak de oogkleppen stevig op hun plaats te houden.

Dubieuze afvalstromen, aantasting van het milieu, export van wapens, uitbuiting van de Derde Wereld, we willen het allemaal liever niet weten, maar het is duidelijk dat het steeds moeilijker zal worden er blind voor te blijven. Beleefdheid maakt langzamerhand weer plaats voor haat en geweld, politiek gekonkel wordt niet meer gepikt, oorlogsgebieden spuien vluchtelingen en de biosfeer raakt vergiftigd. En tot overmaat van ramp is er geen gemeenschappelijke taal, geen Groot Verhaal, om met Lyotard te spreken, dat ons helpt elkaar te begrijpen. De samenhang is zoek en alles gaat naar de knoppen.

Hoe is het zo gekomen? In Nu is al te laat geeft Erik Spinoy (1960), hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde te Luik, een analyse waarvan je niet vrolijk wordt. De vorm die hij daarvoor gekozen heeft, is veelzeggend. De bundel heeft geen inhoudsopgave en is niet in reeksen ingedeeld. De 55 gedichten bestaan uit flarden en worden steeds geïntroduceerd door een titel die niets te maken lijkt te hebben met wat er verder op de pagina gebeurt. Spinoy citeert uit de wereldliteratuur (Hölderlin, Apollinaire), verwijst naar muziek (Gesualdo, Kavinsky) en beeldende kunst (Matisse, Gerhard Richter), ontleent readymades aan het Vlaamse parochieleven en refereert vaak aan de wereldoorlogen die België zo zwaar getekend hebben. Maar samenhang? Nee, die is er niet. De lezer wordt het bos in gestuurd en verdwaalt, in regen en mist, hier en daar struikelend over een lijk of de verroeste overblijfselen van een industriële prehistorie.

Toch zul je, omdat je nu eenmaal enig houvast behoeft, omdat je iets zinnigs wilt terugzeggen op wat al die stemmen je toefluisteren, omdat je hun betovering niet kunt verdragen, omdat je dat bos uiteindelijk ook weer uit wilt – toch zul je naar orde gaan zoeken, je ontkomt er niet aan verbanden te construeren tussen verschijnselen die elkaar zowel conceptueel als historisch en geografisch niet lijken te raken. Het is niet zo dat dan alles op zijn plaats valt, maar het boek vertoont in zijn desperate onttakeling wel degelijk consistentie, nog afgezien van het feit dat de afzonderlijke fragmenten uiterst indringend, beeldend en welluidend zijn. De gebrokenheid is, helaas, van grote schoonheid.

De meeste gedichten bestaan, als betrof het klassieke sonates, uit drie delen; pas aan het einde van de bundel desintegreert ook die structuur. Het gedicht begint bijvoorbeeld met een paar regels waarin Emily Dickinson in verband wordt gebracht met een aanranding, vervolgens horen we dat Tessa gespecialiseerd is in het omgaan met hoogbegaafden, waarna het slotdeel een macaber tafereel schetst:

En of er te verwijderen viel: wijd open stijfselwitte ogen ongezien

veel juliregen kil op slapen schraal blauw zwaailichtlicht.

Eén ochtend lang: ovaal van lang bedauwd wild platgeslagen gras

en speelgoedkleurig plastic dat nooit snel

genoeg verwijderd was.

Dat het gedicht Plattenbauten heet, versterkt de desolate atmosfeer van verzwegen gruwel, sociale uitsluiting en betonrot, waartegen ‘sterflijk op hun hoge stengels’ wiegende rozen en fleurige knuffels niet opwegen.

Hoe is het zo gekomen? Het verontrustende van Spinoy’s project schuilt hierin dat hij laat zien hoezeer het verschrikkelijke al eeuwen deel uitmaakt van onze cultuur. Het ‘betoverend hymnisch puin’ van Hölderlin, de fascistische sculpturen van Arno Breker, de napalmbombardementen in Vietnam en de films van Catherine Breillat zijn allemaal woekerende zwammen op het stervende woud van de Europese beschaving. Pascal of Leopold citeren helpt niet, maar maakt het erger.

Het leven van Carlo Gesualdo (1560-1613), de verbluffend originele componist uit Venosa, is tekenend voor de wijze waarop macht en schoonheid, geweld en religiositeit met elkaar verweven zijn. De bovenaardse vervoering van de zesstemmige Responsoria, ‘kathedraalspelonk en vleermuisduisternis’, zoals Spinoy het onvolledig overgeleverde stuk noemt, komt in een wrang daglicht te staan wanneer we weten dat de prins in 1590 zijn overspelige echtgenote doodde:

sexy vrouw op het bed gekeeld, de minnaar op

de vloer doorschoten, keer op keer doorboord.

Beiden daarna voor het gemeen te kijk gezet.

‘Zeker is dat men bij het bestuderen van zijn oeuvre een ontaarding

waarneemt, een opschuiven richting waanzin.’

Misschien is de combinatie van moordlust en spiritualiteit minder raadselachtig dan men op het eerste gezicht zou veronderstellen. Waarvoor hebben we God anders nodig dan om richting te geven aan het vergeefse verlangen naar zin, troost en rechtvaardigheid? In een volmaakte wereld is God overbodig.

Als geen ander slaagt Spinoy erin onherbergzame versplintering te verwoorden in verzen die van een verfijnd gevoel voor vorm getuigen. Gedragen ritmes, donkere assonanties, overrijpe herhalingsfiguren en pregnante neologismen zetten een tekst neer die klinkt als een klok. Lees het trage openingsdeel van Schwarzwaldklinik hardop en je betreedt onmiddellijk een beklemmende ruimte:

Hoe de groep verslagen murw geslagen zweeg

en de afgeknepen smalste stem weerklonk:

nooit uit een vlezige keel, nooit metalig uit

een apparaat. Geen wist van zo een

onaardse catacombe.

Spinoy’s werk is geregeld bekroond. Dat zal ook gebeuren met Nu is al te laat.


offer van het offer

Het moet bijna onzichtbaar zijn:

broodmagere student die onder schot gehouden

en ontkleed bij cameralicht wordt weggeleid.

Soms blijft het helemaal buiten beeld:

door wilde donkere haren overgroeid

geen veertig kilo voor één meter drieëntachtig

na geen drieëndertig jaren achteloos neergelegd.

Blogt u over beauty?

Lang slapen, altijd zonder make-up. Wat

concealer anders tegen donkere kringen.

Chance ook van Chanel en Bioderma H2O,

het geheim van elk model.

En liters liters liters witte thee.