Nobelprijswinnaar (1999) Tini Veltman over het waarom van alles

‘Waarvoor is dit allemaal, die flauwekul?’

Hij kreeg de Nobelprijs als redder van de kwantumfysica. Aan z’n temperament kan het niet liggen, maar zijn werk heeft de natuurkunde behoorlijk saai gemaakt, vindt Tini Veltman. Maar: ‘We weten nu vrij zeker dat er niets meer is dan dit.’

‘U mag ’m best zien’, zegt Tini Veltman, wijzend naar een vitrinetafeltje in de voorkamer. ‘Als je naar Stockholm gaat en je krijgt die medaille geven ze je daarnaast ook de mogelijkheid een paar replica’s te kopen, voor een tientje, heel goedkoop. Want die zijn dan niet echt goud – en een van die replica’s ligt daar. Of wou u het ding zelf zien?’

Na wat gerommel en gestommel komt de grote natuurkundige aan met een verfomfaaid vloeipapiertje met daarin de Nobelprijs. Hij ligt verrassend zwaar in de hand. Twee ons achttien karaats goud. Inventas vitam iuvat excoluisse per artes, ‘voor hen die door hun ontdekkingen het leven op aarde verrijkten’, en daaronder zijn naam. Dan wikkelt Martinus Justinus Godefridus Veltman, ‘Tini’ voor vrienden (Waalwijk 1931), het ding weer in het vloeipapier en stopt het in z’n broekzak.

Hij kreeg de Nobelprijs in 1999, samen met zijn leerling Gerard ’t Hooft, ‘voor het ophelderen van de kwantumstructuur van de elektrozwakke interacties in de natuurkunde’. ‘Daar begrijpt natuurlijk geen hond iets van’, lacht Veltman. Hij neemt een sigaar in z’n hand – die hij de eerste uren niet zal opsteken – en begint een enthousiast verhaal over neutrino’s, muons en topquarks. ‘Der Retter’ kopte destijds de Frankfurter Allgemeine. ‘Het is aan Martinus Veltman te danken’, schrijft de Duitse kwaliteitskrant, ‘dat het zogenaamde standaardmodel van de deeltjesfysica hét wereldmodel van de natuurkunde werd. Daarin toont zich al hetgene dat vandaag de dag als zeker geldt.’

De jaren zestig. Opwindende dagen, waarin het wezen van de materie en van energie, in de jaren 1920-1930 door Pauli, Heisenberg, Schrödinger en Dirac zo veelbelovend voorspeld en beschreven, voor het eerst fysiek bewezen ging worden. De pioniersdagen van cern, de experimentele deeltjesversneller in Genève, die dit jaar zestig jaar bestaat. Nachtenlang zit de toekomstige redder van de subatomaire fysica in het lab op cern. ‘Tot vier uur in de ochtend zaten we te kijken. Er zijn van die kleine dingetjes, neutrino’s, die al rond 1930 door Pauli gepostuleerd waren, maar niemand had ze ooit gezien. Mijn geluk is dat ik precies ben geboren in het tijdperk waarin de dingen gebeurden die ik precies goed vond.

Vrijwel dagelijks zat ik daar. Dan had je een stel parallel staande platen en daartussen staat een grote spanning. Dan komt er een deeltje doorheen en wordt de lucht geïoniseerd en gaat er een vonk springen tussen de platen. En dan zie je, in een reeks vonken, zo’n deeltje gaan. Nachtenlang keek ik en wat ik zag waren sporen. En een botsing. En dan probeerde je te begrijpen: wat gebeurt daar? O, dat moet een muon zijn! En dat een pion! Hier is een deeltje, dat is ongrijpbaar, en zie: hier heb je reacties van dat deeltje! Je zit naar iets te kijken wat geen hond ooit gezien heeft. Je gaat de rimboe binnen, op onontdekt terrein.’

Terwijl in de experimenten op cern het ene deeltje na het andere te voorschijn springt, keert Veltman, inmiddels hoogleraar, terug naar zijn alma mater, de universiteit van Utrecht. Er knaagt iets. Door de uitkomsten van de nieuwe experimenten in de deeljesversnellers klopt de wiskundige theorie van de kwantummechanica niet meer, constateert Veltman, als eerste. ‘Ik was de enige op de hele wereld die aan dit onderwerp werkte.’ De formules kloppen niet: deeltjes botsen op andere deeltjes, die daardoor van massa veranderen, waardoor de massa van de deeltjes die je uiteindelijk waarneemt alarmerend verschilt van de massa waar je in je oorspronkelijke berekeningen van uitgegaan was. De metingen op cern genereren absurde uitkomsten. De eigenschappen van de gemeten deeltjes krijgen de waarde oneindig – en dat is onzinnig en ongerijmd. ‘Wat we hadden was een manke theorie en daarnaast een experiment waar niemand een bal van begreep.’

Het standaardmodel dreigt te verzuipen. Met een stroom van data van de nieuwe experimenten maakt Veltman de ingewikkelde berekeningen waarvoor hij, omdat er nog geen computerprogramma voor bestaat, zelf een programma schrijft dat hij plagerig ‘Schoonschip’ doopt – omdat de buitenlandse collega’s dat woord niet kunnen uitspreken. Samen met zijn briljante jonge promovendus Gerard ’t Hooft slaat hij aan het rekenen. Eén voor één lossen ze de oneindigheden op. ‘Renormaliseren’ de Yang-Mills-theorie. Lossen langzaam maar zeker de paradoxen op, waarbij de rationele rekenaar ’t Hooft op een bepaald moment een doorslaggevende berekening uitvoert. Een berekening, overigens, die inzet zou worden van een jarenlange vete tussen meester en leerling.

Maar in 1971 zijn ze klaar – en geeft ’t Hooft, nog niet eens gepromoveerd, voor een groep verbijsterde natuurkundigen een lezing over hun ontdekkingen. Tini Veltman glimlachend in de coulissen. Hij heeft zijn jonge leerling het podium gegeven en daarmee de glorie. Het zal ze beiden nog opbreken. ‘Je kunt niet begrijpen hoe groot de revolutie was als je niet weet hoe de deeltjesfysica was tot die tijd. Vastgelopen. In elkaar gezakt. Een dooie business. En opeens was er een theorie die overal goed werkte. Er was, in 1969, net een standaardwerk uitgekomen over de deeltjesfysica, en dat verouderde van de ene op de andere dag. Nog nooit heb ik zoiets gezien: binnen een jaar was het boek volkomen obsoleet.’

Maar de Nobelprijs blijft uit. Over de reden waarom bestaan tot vandaag de dag verschillende lezingen. Gerard ’t Hooft is naar eigen zeggen vergeten bepaalde essentiële formules te publiceren. In 1979 wordt de Nobelprijs voor de natuurkunde toegekend aan Weinberg, Glashow en Salam. ‘Eén terecht, één een beetje terecht, en de ander helemaal niet’, zegt Veltman. ‘Maar er is nog iets anders. Op een gegeven ogenblik is er een moment dat je ziet dat het werk dat je gedaan hebt van het kaliber is waarvoor ze een Nobelprijs geven. Dat moment was voor mij in 1971, 1972. En toen is er een fantastisch gerotzooi geweest van mensen die opeens in de gaten kregen dat ze er ook bij hoorden.’

Succes heeft vele vaders.

‘Ha! Toen het succes daar was, heeft het een aantal vaders opgeleverd die ik niet van tevoren had kunnen bedenken. Opeens doken er allerlei figuren op uit het moeras. Die helemaal niet aan het onderwerp meegewerkt hadden en er alleen maar door onvoorstelbaar manipuleren van wat er maar te manipuleren viel in slaagden vooruit te komen. Ik heb dat met ontzetting aangezien. Ik heb er nooit een antwoord op geweten. Wij zijn daardoor op een gegeven moment op een soort tweede plan geraakt. Ik heb nooit geweten, en ook nu nog niet, hoe je publiek manipuleert. Een politicus kan dat, maar ik niet. Je hebt het gevoel dat je voor pietje puk zit te werken; áls je een keer wat doet, dan gaat een ander ermee vandoor. Het is niet makkelijk om dat verder van je af te zetten – en het maakt het in eerste instantie vrijwel onmogelijk om te werken. Je hebt iets gedaan wat een omwenteling heeft veroorzaakt en het wordt je ontfutseld: dat is wat er toen gebeurde. Maar ik heb er als het ware een streep onder gezet. En ben naar Amerika vertrokken.’

Klaroenstoten. Meester en leerling staan in rok, om de hals de versierselen van het Commandeurschap van de Nederlandse Leeuw dat hare majesteit ze kort van tevoren verleend heeft. Stockholm 1999. De Zweedse koning treedt naar voren en overhandigt Veltman en ’t Hooft alsnog de Nobelprijs. 25 jaar na dato. Veltman staat er ongelukkig bij, al zou hij later die dag, op het banket, ten overstaan van het Zweedse koningspaar een hilarische rede houden over dubieuze drinkgelagen van feestende Vikingen en op het katheder een dansje maken, zijn jasje half uittrekkend, zich verontschuldigend dat hij niet kan zingen.

Maar op het moment zelf staat hij er verloren bij, terug van twintig jaar van zelfverkozen ballingschap op de universiteit van Michigan. ‘Ach, de Nobelprijs… Natuurlijk was ik er wel blij mee. Maar op het moment dat ik ’m kreeg, was ik zo kapot dat ik ook niet blij was. Ik weet niet of je dat kunt begrijpen…’ Lange stilte. Klein lachje. ‘Het zit natuurlijk diep.’

Ook diep zit de ruzie tussen hem en Gerard ’t Hooft. Ze kijken elkaar sinds de jaren tachtig niet meer aan. Geen lachje, geen ferme handdruk, wanneer ze naast elkaar staan om de Nobelprijs te ontvangen. ’t Hooft zegt de ontbrekende schakel geleverd te hebben in de berekeningen van Veltman. Zegt het ontbrekende deeltje – het latere Higgsdeeltje – te hebben gevonden dat Veltman in zijn berekeningen over het hoofd heeft gezien. ‘Doordat ik me in het verleden hierover misschien wel eens wat ongenuanceerd heb uitgelaten, is de verhouding tamelijk verstoord geraakt’, zegt ’t Hooft in een interview in De Groene Amsterdammer van 22 augustus 2013. Collega’s van de twee houden het op een onverenigbaarheid van karakter: de flegmatische koele rekenaar ’t Hooft versus de warmbloedige ‘temperamentvolle sigarenroker’ (Frankfurter Allgemeine) Tini Veltman.

Vanwaar nou die idiote ruzie met ’t Hooft?

‘Ik heb niet het gevoel dat ik daar per se over wil uitweiden, maar Gerard ’t Hooft heeft een karakter dat eh… Nee: ik wil daar geen kwaad over gaan zeggen.’

‘Je zit naar iets te kijken wat geen hond ooit gezien heeft. Je gaat de rimboe binnen, op onontdekt terrein’

Hij heeft een onbuigzaam karakter, dat heeft u ook.

‘Ja, sommigen noemen dat onbuigzaam.’

Is het niet bezopen dat twee mensen van uw niveau een inmiddels jarenlange vete koesteren?

‘Ik wil het er niet over hebben.’

Prima.

‘Ik bedoel: ik kan hier van alles over zeggen – en mensen die ons redelijk kennen hebben er ook verder geen probleem mee, die begrijpen dat echt wel. Probeer een man te vinden die ons kent! U moet het alleen mij niet vragen, dat kan ik toch niet beantwoorden? Wilt u nu dat ik hier een analyse van ’t Hooft op tafel leg? U kunt gaan kijken in de publieke uitingen van zowel hem als mij, maar u hebt daar natuurlijk nooit in gekeken. Maar de kwestie is: ik heb al die jaren, vooral in het begin, nooit anders dan met groot enthousiasme over hem gesproken.’ Met zachte stem: ‘Wat kan ik zeggen…’

Nee, rancuneus is-ie niet, naar eigen zeggen. ‘Ik heb het vanmorgen uw fotograaf Joost van den Broek ook uitgelegd: ik heb empathie. Ik kan me inleven in wat de ander denkt. Dus als ik iets vertel, denk ik er altijd bij hoe dat overkomt. U hoort toch ook: ik praat toch in volledige volzinnen tegen u, nietwaar?’

Zijn vrouw Anneke komt binnen en schikt de bloemen. ‘Weet u, we zijn al 54 jaar getrouwd’, zal hij later bij het weggaan zeggen terwijl hij verliefd naar haar opkijkt. ‘Ik werkte toen bij de Spoorwegen’, zegt zij, ‘en jij was aan het promoveren.’ ‘We ontmoetten elkaar op een Utrechts terras’, zegt hij.

Dat hij niet veel later in datzelfde Utrecht hoogleraar theoretische natuurkunde zou worden lag niet voor de hand. Zijn vader was hoofdonderwijzer, zijn moeder ‘min of meer in het café geboren’. Het Brabantse Waalwijk was arm en achtergebleven, al stond er, toen hij opgroeide, wel een middelbare school. Hij was negen toen de oorlog uitbrak. ‘Ik herinner me de Duitse vliegtuigen, over Waalwijk heen, op weg naar Rotterdam.’ Toch vond hij de oorlog als kind (‘let wél: als kind’) ‘best wel aardig’. Het bevredigde zijn tomeloze nieuwsgierigheid. ‘Er gebeurde van alles. Waalwijk had het geluk om aan de meest gruwelijke dingen te ontsnappen, dus die kant van de oorlog, die zag je niet. We zaten aan de goede kant van de hongerwinter.’

Met kruit uit onontplofte granaten knutselde hij een soort V1. Maar het geallieerde offensief liep vast, net buiten Waalwijk. ‘In september ’44 hebben we een week lang in de kelder gelegen. Wij hadden in Waalwijk Engelse artillerie. En de Duitsers schoten terug, richtend op de kerktoren, en ons huis lag exact in de schaduw van de toren. Op honderd meter van ons huis is een V1 neergestort; dat lichtte me uit m’n bed. Daar ben ik dus gaan kijken, en ik zag dat er dooien vanonder het puin gehaald werden, en toen was de lol eraf. Het waren mensen die ik kende.’

Geld om te studeren was er niet. Een leraar van de hbs ging op de fiets naar Waalwijk om op zijn vader in te praten, en hij mocht naar de universiteit. ‘Ik ben de man nog steeds dankbaar.’

Geld was er ook niet in Utrecht. Soms had hij niet te eten. ‘Want ik had geen inkomen. Nooit gehoord van iemand zonder inkomen? Die lopen normaal langs de straten. Wat kan ik zeggen? Mijn vader was onderwijzer met zes kinderen, die kon niet een student in Utrecht betalen. Nou had ik een beurs, maar die werd me afgenomen, helaas. Mijn prestaties waren niet goed genoeg. Na drie jaar had ik niks over, dus daar zat ik, zonder inkomen.’

En zonder eten.

‘Dat is de consequentie daarvan. Er zijn inderdaad tijden geweest dat ik godverdomme echt honger had. Nou is dat in deze maatschappij niet een toestand die lang duurt, want je vindt altijd wel iets op de een of andere manier, hè? Maar ik herinner me dat ik eens een keer… Nee, laat ik daar niet over beginnen…’

Het leven werd iets makkelijker toen hij ‘de positie van afruimer’ kreeg in de mensa. ‘De beloning daarvoor was dat je voor niks mocht eten.’ En hij werd kaartjescontroleur bij de Jaarbeurs. En ontmoette daar de Zwitserse uitvinder van de Hobelfix.

‘Ik had een beurs, maar die werd me afgenomen, helaas. Mijn prestaties waren niet goed genoeg’

De wat?

‘De Hobelfix. Stel u voor: in Zwitserland, in een dal, wonen een paar mensen en de helft van het jaar zijn ze dichtgesneeuwd en een van die mensen, in z’n oneindige verveling, vindt iets uit. En hij vond uit: de Hobelfix. De Hobelfix was een bankschroef, maar die had-ie wat langer gemaakt en dat ding waar je normaal aan draait, had een boorkop. Je had dus een ding dat tegelijkertijd bankschroef was en boormachine.’

Wat kon je ermee?

‘Nou, bankschroeven en boren.’

Hij ging het onmisbare apparaat aan het publiek demonstreren. ‘In de hoop dat ik er veertien of zo per dag zou verkopen, maar na een week had ik er exact nul verkocht.’ Hij typte scripties uit van rijke studenten ‘om nog wat voer te krijgen’. De studie wilde niet vlotten. ‘In de wetenschap gaat het dikwijls maar om individuen – en in Utrecht waren die paar goeie mensen verdwenen en er was niks over. Ik liep college bij domme, oninspirerende mensen. Het was prut. Daarom heb ik ook twee keer zo lang over mijn studie gedaan als ieder ander. Hoe het ook zij: ik ben er min of meer vrolijk doorheen gehuppeld. Ik zat met de Hobelfix, ik zat te typen, ik zat af te ruimen bij de mensa – en ’s avonds had ik mijn vriendjes, enzovoort, en we raakten op gezette tijden bezopen. Ik heb zelfs les gegeven op een meisjesschool. Maar dit terzijde. U kunt uit die verhalen één ding begrijpen: ik heb grote stukken van m’n leven in wezen verknoeid aan iets anders dan de fysica.’

Uiteindelijk kom je dan niet verder dan de Nobelprijs.

‘Nou, dat is een godswonder – en ik wou dat u dat begreep.’

4 juli 2012. Groot nieuws van cern in Genève: de sluitsteen van de kwantumfysica, het Higgsdeeltje, is ontdekt! Veltman zit dan op een zomerschool ‘met als docenten exclusief Nobelprijswinnaars’ in Lindau, ‘als u weet waar dat is’. Het windt hem niet op. Hij en ’t Hooft hadden per slot van rekening al voorspeld dat het Higgsdeeltje er moest zijn – het hoefde eigenlijk alleen nog maar gevonden te worden.

‘Eigenlijk hoopte ik stiekem dat het niet gevonden zou worden. Je zat als natuurkundige in een kamer die mooi was uitgebouwd, met steeds maar weer een deur. Nu hebben we geen deur meer. Is men een beetje doelloos. In mijn tijd zag je reeksen van experimenten en bij ieder experiment vroeg je je in verbazing af wat er in godsnaam gebeurde. In een volgend experiment zou er A te voorschijn kunnen komen of B – en je kon de hoop hebben dat je weer iets nieuws zou zien, en misschien zou gaan begrijpen. Nu is er in de deeltjesfysica een volstrekt andere situatie. De theorie is op dit moment verrekte goed – en is in feite het experiment mijlenver voor. Dat wil zeggen: alles wat we zien, begrijpen we, in detail.’

Dat is saai?

‘Dat is saai.’

Bread-and-butter physics noemen ze het zelf soms op cern: het standaardmodel is gered en met de ontdekking van het Higgsdeeltje nu ook experimenteel afgesloten, en daarmee is het bouwsel eigenlijk af. En het verklaart zowel veel als weinig. Het grote geheim van het bestaan is allerminst doorgrond. Zullen we alles ooit weten? Hij steekt z’n sigaar op. ‘Er is een eindpunt. Maar dat eindpunt is er altijd, snap je, dat was er ook in het jaar 1960. Ik heb in mijn hele carrière in de deeltjesfysica altijd gedacht: je weet niet wat er komt. Per definitie, zou ik haast zeggen. En ieder moment, en ook nu weer, denk ik dat dit zowat het einde is. Maar dat is het dan toch dikwijls weer niet. En waar nu iets gaat gebeuren of niet, dat weet ik niet.

Laten we mekaar goed begrijpen: er zijn vragen. Ook in het standaardmodel kom je dingen tegen waarvan je je afvraagt: waarom in godsnaam? Laat ik m’n ouwe botten in beweging zetten…’ Hij komt terug met zijn boek Feiten en mysteries in de deeltjesfysica. Op het kaft het beroemde schema van de elementaire deeltjes die we kennen: up quark, down quark; charm en strange; top en bottom, twee aan twee gegroepeerd in keurige rijtjes van drie. ‘Is dan niet de eerste vraag van: hé, waarom zijn het er drie en precies gelijk? Nou, daar weet niemand het antwoord op. Je ziet een structuur en je weet niet waar die vandaan komt. Het aardige is dat we min of meer redelijk zeker weten dat er niets meer is dan dit.’

En dus?

‘Je moet erkennen dat je helemaal nooit zeker bent of er weer een nieuwe weg zal zijn. Van de toekomst weet ik niks. Je bent pas zeker van theorieën als er experimenten zijn gedaan. Bijvoorbeeld: in de astrofysica is het mogelijk, tot op de dag van vandaag, te twijfelen aan de Big Bang. Ik heb allerlei discussies in m’n leven en één discussie is er een die ik voer met de astrofysici. Ik kan die lui niet uitstaan. En de reden is: ze hebben een vak dat niet voldoet aan dé grote eis die ik stel. Namelijk: dat je iets bedenkt en dat je het daarna gaat testen. In mijn vak konden we op een gegeven moment van alles uitrekenen – en toen heb ik de massa berekend van de topquark. Althans er een formule voor gemaakt: later werd dat preciezer en preciezer. Dus van de topquark kon je de massa voorspellen lang voordat hij gezien werd. En dan ga je in de deeltjesversneller kijken en verdomd: hij was precies daar! Dat is wat de astronomen niet hebben!’

‘Je zat als natuurkundige in een kamer die mooi was uitgebouwd, met steeds maar weer een deur. Nu hebben we geen deur meer’

Want?

‘Laat ik het maar eens heel boud stellen: denk je dat er ooit iemand zal zijn die de Big Bang gaat testen? Die kan je toch niet opnieuw doen? In de astrofysica kun je niet je bedenksels testen, omdat je geen experiment kunt maken. Ze zien iets, ze maken een verklaring en daarna geloven ze erin als in de Heer God.’

Donkere materie?

‘Daar geloof ik totaal niet in. De argumenten, die hoor ik wel, maar er zijn verschillende verklaringen mogelijk.’

Is op deeltjesversnellerniveau dan niet uit te maken of zoiets al dan niet bestaat? Kan het allergrootste niet bewezen of weerlegd worden juist op het niveau van het allerkleinste?

‘Dat zou kunnen, het is alleen nog nooit gebeurd. Laten we elkaar goed begrijpen: al toen ik naar Amerika ging, werd ik gevraagd om een experiment te beoordelen dat donkere materie zou kunnen waarnemen, maar ik zag toen al dat het allemaal een flutzooi was. Ik heb daar nooit in geloofd. Tot op heden heeft niemand voor donkere materie op deeltjesniveau zelfs ook maar een kandidaat kunnen vinden.’

Het elegante idee dat wat je in het allergrootste vindt in het allerkleinste bewezen kan worden. Dat is er niet?

‘Nee. Dat is er niet.’

In de kamer Russische iconen, door hem en zijn vrouw ooit uit de Sovjet-Unie meegenomen. ‘Dat kon toen niet, maar dat deden we. Die lagen dan onder in de koffer, waarvan we maar hoopten dat ze ’m niet leeghaalden.

We zijn niet religieus bezig, natuurlijk, dus je begint niet naar dingen te vragen van waarom? Je vraagt alleen maar hoe het vak in elkaar zit, en je gaat niet verder dan het beantwoorden van die vraag. Ons hoogste ideaal is om ieder verschijnsel in de natuur te kunnen verklaren met een zekere hoeveelheid theorie. En toch: als je een tijdje op deze wereld leeft, dan zie je, als je een beetje opmerkzaam bent, zoveel dingen waarbij je geen flauw benul hebt van het waarom. Het is toch bespottelijk dat wij hier zitten op zo’n ding, de aarde, met de zon ernaast en dan is er dat hele heelal: waarvoor is dat allemaal, die flauwekul, al die sterrennevels?’

Dat is een vraag die je van natuurkundigen nooit mag stellen.

‘Dat kan wel zijn, maar er zijn ook gebieden waarover ik nadenk zonder dat ik aan natuurkunde doe. Als ik een wereld zou moeten maken, dan zou ik geen Adolf Hitler kunnen bedenken, geen Stalin, geen Jezus Christus en geen ’t Hooft.’

Vermoedt u dat die éne grote wet bestaat: de Theorie van Alles?

‘Dat weet ik niet. Dat hoeft niet eens; het mogen er ook vijf zijn. Ik heb nooit de ambitie gehad om daar achterheen te zitten, het kan mij helemaal niks schelen of er één vergelijking is of een paar, als we het maar begrijpen. Begrijpen kun je op allerlei niveaus. De vraag is of mijn beschrijving van de natuur, zoals ik die heb, compleet is of niet. We weten alles van deeltjes. En als het waar is wat wij momenteel denken, dan volgt iedere macroscopische situatie op een of andere manier uit de eigenschappen van de deeltjes. Maar dan krijg ik toch een griezelig gevoel, ergens. Er is toch iets in het hele bouwwerk dat ik om mij heen zie waarbij ik me ongemakkelijk voel. Er is zoiets als leven. Zit er in die natuurwetten die ik heb, tussen de quarks en de neutrino’s en weet-ik-veel-wat, zit daar al in opgesloten: leven? Dat weet ik niet. Want ik weet op geen enkele manier in detail wat leven is, ja?’

Opeens staat hij op, loopt naar de erker en klapt in z’n handen: ‘Kssst, kssst, weg, weg!’ Twee zwarte kraaien stuiven op van het vogelhuisje waarin een bontgekleurd vogeltje zit – een sijsje of een vink. ‘Ik kan nog geen vlieg kwaad doen’, zegt hij bij het weggaan. Hij zwijgt een tijdje. ‘Weet u, hier is mijn leven, de volle tachtig jaar. En hier is het leven van de heer Dulmers, dit stukje, een jaar of vijftig of zoiets. En ergens hebben we nu een kort raakpunt. En de indruk die hij van mij krijgt, en waar hij een artikel over schrijft, is natuurlijk niet te vergelijken met hoe iemand mij kent met wie ik bijvoorbeeld dagelijks omging in Utrecht of op cern. Er zit een oppervlakkigheid in. Ships that pass in the night.’

Dan overhandigt hij zijn boek, loopt mee naar de auto en blijft nog lange tijd zwaaien.


Zie ook het dossier [In gesprek met de top van de wetenschap](Links: boekendepot van Amazon.com in Phoenix; rechts: uitgaande bestellingen in Tracy, Californië).