Waas

Het regende zo hard dat het water door de kieren van mijn raamkozijnen binnen sijpelde. Het druppelde langs de vensterbank over het complete werk van Frans Kellendonk en een paar oude nummers van De Revisor, liep in een stroompje over mijn scheve vloer en verzamelde zich rond mijn bedpoot. In het donker bekeek ik het toekomstige verloop van de bui op het scherm van mijn telefoon. Heel het land met uitzondering van Oost-Groningen was bedekt onder een blauw-rode waas. Het had iets verstikkends; een blusdeken die de brand doofde maar je ook de adem benam. De dood was niet ver weg, misschien is ze dat nooit als je om kwart over vier ’s ochtends klaarwakker in bed ligt.

Ik evacueerde mijn boeken, depte de vloer droog en dacht erover mijn moeder te appen, die ongetwijfeld ook wakker in haar bed lag. In plaats daarvan bekeek ik de foto’s die mijn vriendin me die middag had gestuurd vanaf het eiland. Het was er zonnig en groen, kleine zandpaadjes over de helling van een vulkaan, een zee die wild tegen de rotsige kust beukte. Ik had daar moeten zijn met haar, maar het liep anders en nu lag ik onder deze deken van regen te wachten tot het zeven uur zou zijn, mijn wekker ging en ik me in de jurk zou hijsen die ik klaar had gehangen.

‘I was incredibly tired, but not even slightly sleepy’, zegt de verteller van Deborah Eisenbergs Your Duck Is My Duck, een hallucinant verhaal dat, sinds ik het een paar maanden geleden voor het eerst las, als een nevel in mijn hoofd blijft hangen. Waar gaat het over? Geen idee, ook niet na vier keer lezen. Het gaat over van alles: slapeloosheid, liefdesverdriet, stagnatie in het algemeen, de uitwassen van het kapitalisme, kunst, klimaatverandering… maar het gaat om iets anders, zoals goede verhalen altijd eerder om iets gaan dan over iets.

Als het klaar is kijk je naar de tekst en vraag je je af wat het is, waarom dát de dingen waren waarover je iets wilde zeggen

Eisenberg staat bekend om de traagte waarmee ze schrijft: één kort verhaal per jaar. Je schrijft en schrijft, zei ze in een interview met The New York Times, en als het klaar is kijk je naar de tekst en vraag je je af wat het is, waarom dát de dingen waren waarover je iets wilde zeggen.

De slapeloze verteller uit Your Duck Is My Duck is, als gevolg van het niet-slapen, ook nooit helemaal wakker. Ze dwaalt in een schemergebied dat de vorm aanneemt van een luxevilla in een ongedefinieerd exotisch land, waar ze een paar maanden verblijft op uitnodiging van een steenrijk stel dat ze nauwelijks kent. Wekenlang blijft het regenen en onweren. Wat ze de hele dag doet – ze is schilder maar zit in een creatieve impasse – blijft volstrekt onduidelijk. Ondertussen verlaat de lokale bevolking massaal het land na een paar jaar van mislukte oogsten; rijen dik schuiven de mensen aan voor boten die ze naar een beter oord moeten brengen.

Ja, het gaat natuurlijk om vervreemding. Om hoe te leven in een wereld waarin alles hopeloos onverenigbaar blijft, waarin je zelfs jezelf niet kunt kennen. Op een avond neemt de verteller een slaappil die ze heeft gekregen van haar gastvrouw. De volgende ochtend ontwaakt ze met de sensatie dat de nacht niet alleen droomloos is geweest, maar volledig is uitgewist. Ze opent haar mail en ziet een bericht van haar ex-geliefde, naar blijkt – the horror! – in antwoord op een bericht dat ze hem midden in de nacht in haar slaap stuurde. Haar eigen bericht is een even raadselachtige als dramatische brij van woorden (‘When you sold me to them, did you envision the consequences for me, the wandering in the tunnels, the sunless life underground, lit only by baskets of cold, glittering gems?’) Geen wonder dat ze niet kon slapen; het wonder is eerder dat de rest van de wereld het wél kan – ‘Who would allow themselves to go to sleep, with all the stupid, rotting brain trash that would be waiting for you when you got there!’

Wanneer ik om zeven uur wakker word van de wekker blijk ik alsnog in slaap te zijn gevallen. Het is niet gestopt met regenen, er ligt een nieuw plasje op de vloer, ik ben nog altijd thuis en niet op een zonnig eiland. Ik heb gedroomd, merk ik aan het stroeve laagje tussen mij en de wereld, dan herinner ik het me, een klassieke mise en abyme: ik moest ergens naartoe, een begrafenis deze keer, maar steeds wanneer ik opstond bleek ik alleen in mijn droom te zijn opgestaan. In mijn droom bleef ik tegen mijn droom vechten, tot ik eindelijk ontwaakte, opstond, mijn jurk aantrok en naar een begrafenis ging.