Wachten in afrika

Abdulrazak Gurnah, Paradijs. Vertaald door Tinke Davids. Van Gennep, 255 blz., f39,50. Chenjerai Hove, Schaduwen. Vertaald door Peter Abspoel. In de Knipscheer, 160 blz., f32,50
Als twaalfjarige wordt Yusuf zonder dat hem iets wordt gevraagd aan zijn oom meegegeven en hij werkt voortaan voor hem in een stad aan de oostkust van het toenmalige Zanzibar, het huidige Tanzania. De oom is geen echte oom, zo blijkt, maar een rijke koopman die de jongen in dienst neemt om de schulden van zijn vader af te lossen. Enkele jaren werkt hij in de winkel, waar hij wegwijs wordt gemaakt in de wereld door een lotgenoot. Daarna wordt hij door de koopman meegenomen op een handelsreis diep het binnenland in. De tocht vol hindernissen eindigt catastrofaal wanneer al hun goederen door een inlandse sultan in beslag worden genomen. Het is begin deze eeuw en in de strijd tussen inheemsen en immigranten mengen zich de Europeanen.

Voor het grootste deel bestaat de roman Paradijs van Abdulrazak Gurnah, die in 1948 in Zanzibar geboren is en in Kenty literatuur doceert, uit een beschrijving van Yusufs onzachte inwijding in deze wereld van met elkaar concurrerende (etnische) groepen. De slavernij is afgeschaft, maar daarom is iemand als hij nog niet minder afhankelijk. Om die vernedering van een opgedrongen levenswijze gaat het. De titel van de roman is ironisch: het paradijs is de siertuin van de oom, het domein bij uitstek van zijn rijke vrouw die de mooie Yusuf voor zich probeert te winnen. Hier is het paradijs, elders de verbanning, maar wat is erger dan dit? Zo luidt de paradox, want wie blijft kiest, uit angst of gemakzucht, voor onderworpenheid.
Dit zegt Gurnah ook allemaal met even zoveel woorden in zijn roman. Niet dat het verhaal als aankleding dient voor een aantal politieke stellingen, zo simpel is het niet. De roman heeft, ook stilistisch, eerder iets van een verslag van een expeditie, en wat er dan op de laatste bladzijden aan koloniale psychologie wordt gepresenteerd, met begrippen als eer, schuld, lafheid en doodsangst, komt als een volslagen verrassing. Zo'n boek noem je dan bij gebrek aan beter ‘interessant’, het behandelt immers allerlei zaken van belang en slecht is het zeker niet. Maar ik mis iets, en dat is niet alleen uitleg bij allerlei lokale begrippen, het gaat om iets dat moeilijk te benoemen valt, iets dat het verhaal in beweging brengt en maakt dat het in je hoofd verder gaat.
Ter vergelijking ben ik een andere recent vertaalde Afrikaanse roman gaan lezen - Schaduwen van Chenjerai Hove (Zimbabwe, 1954) - en ik bleef lezen. Het begint allemaal met een ongewone liefdesgeschiedenis. Een jongen en een meisje plegen zelfmoord wanneer het meisje, een veehoedster, zwanger is. Beiden wachtten al tijden op iets: Johana op een oudere jongen die haar in de steek gelaten heeft, de jongere Marko keek ondertussen verlangend naar haar. Johana’s vader denkt dat hij de moordenaar is, wordt gek, ziet zijn oudste zonen door opstandelingen gedood worden en wordt uiteindelijk zelf als vermeende verrader vermoord. Zijn huis is een huis van de dood en daartoe misschien al gedoemd omdat de man onder dwang van de blanken het land van zijn voorouders heeft moeten verlaten. De zelfmoord speelde zich af in de tijd toen de strijd tegen de blanken nog enkel uit geruchten bestond. Daarna veranderde er niets, behalve de huidkleur van de vijand. Hove heeft het over dezelfde conflicten als Gurnah, zij het met een verschil van een halve eeuw, maar groter is het literaire verschil: Hove ontwikkelt iets, van zin tot zin, van passage tot passage, hij roept beelden op, schuwt de dubbelzinnigheid niet, en hij maakt de vreemdheid van die Afrikaanse wereld met zijn bloedige tegenstrijdigheden niet herkenbaar, laat staan vertrouwd, maar wel voelbaar. Een psychologische ontknoping heeft Hove niet nodig, hij wilde alleen maar vertellen hoe mensen 'een dood stierven die geen mond ooit kan beschrijven’. Meer dan Gurnah schrijft Hove in een Afrikaanse verteltraditie, niet lineair maar associatief. In elk geval heeft hij meer gevoel voor het dubbelzinnige van taal, dat kun je poetisch noemen.