Wachten op de eindtijd

Joden, christenen en moslims geloven dat in Jeruzalem het Laatste Oordeel zal plaatsvinden. Waar komt die ‘Jerusalem Sadness’ toch vandaan?
JERUZALEM - ‘Jeruzalem is vooral uniek omdat alles en iedereen in de stad ernstig, plechtig en streng is. Er zijn geen clubs, geen cafes, geen biertuinen, geen concertzalen, geen leeszalen, geen straatmuzikanten, geen minstrelen, geen aristocratie of betere kringen, geen burgemeester, geen wethouders, geen verkiezingen, geen kranten, geen drukpersen, geen boekhandels (op een buiten de stadsmuren na, maar die verkoopt alleen bijbels). Er is geen vreugde of leven in de stad, niemand zingt of danst, niemand lacht in Jeruzalem. Zelfs de kinderen spelen er niet.’
Aldus de schrijver Laurence Hutton die de stad in 1893 bezocht.

De stad is er op vooruit gegaan. Enkele weken geleden werd de Q- bar geopend, de eerste officiele nichtentent van Jeruzalem. Het is vrijdagavond en barkeepers Danny en Israel geven een showtje op de muziek van Abba. Danny danst in een leren pak, Israel draagt een hansopje. Aan de muren hangen posters van naakte jongetjes. Het publiek is nog niet helemaal gewend aan Danny en Israel. Soldaten kijken vol afschuw naar het kronkelende duo, opgedirkte meisjes slaken nerveuze gilletjes. In de garderobe is het een drukte van belang, de toiletten lijken eeuwig bezet.
Tegen middernacht is de bar veranderd in een kolkende massa van zwetende lichamen. Op alle tafels dansen mensen, de nieuwste rage in Israel. Op het balkon van de Q-bar, dat uitkijkt op het Zionplein, wordt driftig gevreeen, tieners slapen hun roes uit tegen het hekwerk. De house-muziek verstomt pas tegen het ochtendgloren. Orthodoxe joden in gebedskleden, op weg naar de Klaagmuur, passeren met haastige pas en een vies gezicht de uitgang van de Q-bar.
Hutton zou zijn ogen niet geloven. Hij had pullen bier naar binnen kunnen klokken in de pubs rond de Russian Compound en kunnen dansen in de discotheken van de chique wijk Talpiyot. Honderd jaar later wordt er gezongen en gelachen in de door hem vermaledijde stad.
Maar schijn bedriegt. Jeruzalem is nog steeds ernstig, plechtig en streng. Dansen in Jeruzalem is dansen op een vulkaan. De zeloten rukken op, of ze nu christelijk, joods of islamitisch zijn. Het verlangen naar het Eindgericht groeit met de dag. Helaas zal de komst van de Messias niet samenvallen met de viering van ‘Jeruzalem 3000’. Tenzij de Messias op tijd ingrijpt. Het potsierlijke en pompeuze feest geeft er alle aanleiding toe.
In de schreeuwende folders van het VVV wordt Jeruzalem de stad van de vrede genoemd, de stad van de verbroedering. Dat zal de Grote Vredestichter met stijgende verbazing hebben gelezen. Jeruzalem is namelijk verworden tot een stad vol haat, onbegrip, afgunst, broedermoord, hebzucht en zelfzuchtigheid. Iedereen leeft voor zich in Jeruzalem: joden maken joden het leven zuur, de christenen met hun honderden kerkjes bakkeleien over wat nu het echte graf van Jezus is, en Hamas-fanaten gooien zuur in het gezicht van Palestijnse vrouwen die geen sluier wensen te dragen.
OP 9 JUNI 1920 schreef Jacob Israel de Haan, correspondent te Jeruzalem voor het Algemeen Handelsblad: 'Ene wonderlijke bekoring, te Jeruzalem lezen over Jeruzalem. Ach: ik zal nooit leeren geloven, dat ik waarlijk te Jeruzalem woon. Het geluk is te groot en ik heb het niet verdiend. Wat is Jeruzalem gewoon. Een station. Scholen en buren. En wat zal Palestina een luid land worden, wanneer de emigratie begint. Hoe meer, hoe beter. Maar wij zullen haast geen hoekje meer vinden, waar het stil zal zijn. Wij zullen onzen droom als een mantel om ons heen slaan en er diep in weg duiken.’
De Haan was eerder een geniaal warhoofd dan een profeet. Maar zijn voorspelling dat Palestina een luidruchtig land zou worden, kwam uit. Het ooit zo stille Jeruzalem is in een pandemonium veranderd. De stad wordt geteisterd door draagbare telefoons. Iedereen draagt er een bij zich, of het nu orthodoxe joden bij de Klaagmuur zijn, Palestijnse zakenmannen in Oost-Jeruzalem of de groenteboeren van de Mechane Yehudamarkt.
Zelfs het laatste eerbetoon aan Yitzhak Rabin werd erdoor gesteisterd. Tienduizenden mensen passeerden zijn kist voor de Knesset, na uren geduldig in de rij te hebben gestaan. Maar geen enkel televisiestation wist te melden dat de rouwceremonie ruw werd verstoord door honderden rinkelende draagbare telefoons. Huisvrouwen stonden vlakbij de kist van Rabin aan hun kinderen door te geven wat voor levensmiddelen er die dag nog moesten worden gekocht.
Het Jeruzalem van De Haan is verdwenen. Het hoefgetrappel van de paarden van de postkoetsjes heeft plaatsgemaakt voor denderende stadsbussen. De lucht van Jeruzalem maakt wijs, zeiden ooit de talmoedgeleerden. Het centrum van de stad is een grote file geworden. Zinloos claxonneren is al sinds jaar en dag de nationale volkssport. Behaarde taxichauffeurs prijzen de geslachtsdelen van de moeders van hun collega’s, daarbij druk gebarend met hun vlezige vingers.
De Haan is dit alles bespaard gebleven. Vier jaar na zijn liefdesverklaring aan Jeruzalem werd hij doodgeschoten. Het grote geluk waarover hij eerder schreef, was toen geheel verdwenen, politieke tegenstanders hadden zijn leven kapotgemaakt. Hij was totaal vereenzaamd, leed aan zware depressies en verlangde naar de dood.
DE SCHRIJVER Arthur Koestler schreef over de 'Jerusalem sadness’: 'een treurigheid die voortkomt uit de tragische, haast eenzame schoonheid van de stad in combinatie met de onmenselijke sfeer die er heerst. Tragedie zonder catharsis, het kwade gezicht van Jahweh broedt op de hete rotsen die meer heilige doodslag, verkrachting en plundering hebben gezien dan welke plaats op aarde dan ook. Haar bewoners zijn vergiftigd met religie.’
Koestler heeft in de stad gewoond en kon het weten. Uiteindelijk pleegde hij zelfmoord.
Niet voor niets is Jeruzalem een macabere stad. In bijbelse tijden stonden in de vallei van Ben Hinnom, die zich tussen de westelijke muur van de oude stad en de Cinematheek bevindt, altaren en afgodsbeelden. De heidenen offerden hier hun kinderen aan de bloeddorstige Moloch. Moloch had het gezicht van een kalf en in zijn binnenste brandde een allesverterend vuur. Zeven omheiningen scheidden Moloch van het volk. Zij die enkel een kipje konden offeren, mochten tot de eerste omheining lopen. Een bokje bracht ze tot de tweede omheining, een kalf tot de derde. Met een kind mocht men het beeld van Moloch tot op enkele meters naderen. De zoon of dochter moest in de uitgestrekte, roodgloeiende armen van Moloch worden gelegd en werd onmiddellijk verteerd.
Het offeren van een kind ging gepaard met muziek. Het publiek sloeg op trommels, zodat het gekrijs van het geroosterde kind niet hoorbaar was. De vallei van Ben Hinnom, gai Ben Hinnom in het Hebreeuws, werd later verbasterd tot Gehenna. Gehenna dook op in de Nederlandse Statenvertaling van de bijbel en zou later plaats maken voor 'de hel’.
IEDEREEN DIE voor langere tijd in Jeruzalem heeft gewoond, weet wat voor merkwaardige gevoelswisselingen kunnen optreden. In 1988 betrok ik een piepkleine kamer op de campus van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Ik had een studiebeurs gekregen en niets leek een zorgeloos en onbezonnen jaar in de weg te staan. Vanuit mijn kamer keek ik uit op de oude stad en de eerste weken van mijn verblijf was ik lyrisch.
Het geluk duurde niet lang, want al spoedig deed Brian zijn intrede, mijn room-mate. Brian kwam uit San Francisco en was verknocht aan zijn moeder. Binnen de kortste keren was zijn helft van de kamer volgeplakt met foto’s van een dik vrouwtje met een vlinderbril. Op zijn bed lagen allerhande beertjes en andere pluchen beestjes. Brian veranderde drie keer per dag van kleding, lispelde en sliep ’s nachts met rubberen handschoenen aan. Hij had een bijbaantje als afwasser, en omdat hij bang was voor kloofjes en andere ongemakken aan zijn handen, smeerde hij ze voor het slapen in met vaseline. Om vlekken in het beddegoed te voorkomen trok hij vervolgens de rubberen handschoenen aan. Hij sliep met zijn handen boven de dekens, waardoor het leek alsof hij lag opgebaard. Doordat hij snurkte wist ik dat hij niet dood was.
Net als veel andere Amerikanen in Israel ging hij plotseling een keppel dragen. Ongehinderd door enige kennis verspreidde hij stuitende onzin over Palestijnen. Hij vond dat ze niet thuis hoorden in een Palestijnse staat.
Als ik terugkwam van college zat hij altijd op zijn bed te keuvelen met twee moddervette vriendinnen, eveneens uit Amerika. Beiden droegen het haar in een paardestaart, zaten onder de pukkels en gingen gekleed in sneakers en sweatshirts, de weerzinwekkende bilpartijen in bermuda’s gewurgd. Ze hadden door merg en been snijdende Micky Mouse-stemmen en aten onafgebroken M&M’s. Als ik binnenkwam zwegen de drie zielige hamsters angstvallig.
Naarmate het trio mij meer op de zenuwen begon te werken, groeide de Jerusalem sadness. Mijn leven had iedere zin verloren. ’s Morgens werd ik depressief wakker en wilde ik niet meer opstaan. Ik trok de dekens over mijn hoofd en bleef tot ver in de middag in bed liggen. Een dergelijk gevoel had ik sinds de lagere school niet meer gehad. En als ik dan uiteindelijk opstond en me met tegenzin naar de kiosk begaf om brood, kranten, wijn en bier te kopen, vloekte ik inwendig. Dan vroeg ik me af wat ik hier in godsnaam deed. Ik wist geen raad met de stad en met mijzelf.
Achteraf denk ik dat Brian slechts de katalysator was van mijn depressie, en dat de kiem ervan reeds eerder aanwezig was. Nog steeds echter begrijp ik niet hoe zo'n minkukel enige maanden van mijn leven heeft weten te ruineren. Daarom leg ik de schuld bij de aardstralen van Jeruzalem.
Maar natuurlijk heeft Jeruzalem ook charme en betovering. Bij tijd en wijle is de stad zeer romantisch. Het cafe van Emil, een vochtige grot in de christelijke wijk van de oude stad, is een van de plekken waar je buiten jezelf raakt. De arak kost er amper een gulden per glas en je mag bovendien zelf schenken. Na afloop moet je de stokoude Emil in zijn oor schreeuwen hoeveel glazen je hebt genuttigd. Het cafe is eerder een groot uitgevallen pissoir, met zes tafeltjes ter decoratie. Moslims, Armeniers, christenen en Irakese joden bevolken het cafe. De gemiddelde leeftijd van de bezoekers ligt ver boven de zestig. In het weekeinde nemen de mannen hun eigen nootjes, vleeswaren en schalen met kebab mee. De verbroedering is ongekend. Eens ging de verbroedering iets te ver. De inmiddels door de reuma kromgetrokken Armenier Sarkis heeft ooit Milad verkracht.
Milad, een verre nakomeling van een zwarte moslimslaaf, is inmiddels veertig, bijzonder sterk gebouwd en zwaargeschapen. Iedere avond leggen de twee een kaartje en iedere avond begint Milad opnieuw over het voorval dat dertig jaar geleden plaatsvond. 'Sarkis’, waarschuwt Milad, 'ga maar vast naar het badhuis, was je kontje en wacht op mij.’ Daarbij legt Milad zijn wijsvinger op het midden van zijn arm om aan te geven hoe groot zijn piemel inmiddels is. Iedere avond weer lacht Sarkis schaapachtig en beschuldigt hij Milad er vervolgens van dat hij een bedrieger is. Tegen sluitingstijd, een uur of acht ’s avonds, maakt eigenaar Emil alle stamgasten uit voor ezelneukers en moet iedereen naar huis. Sarkis stamelt nog even dat hij graag naar de hoeren in Til Abib (Tel Aviv) wil, en dat hij daarna graag wil flaneren in Danazagovstraat (Dizengoffstraat). Met zachte hand wordt hij vervolgens door een kleinkind naar zijn huis gebracht.
Als Emil sluit, valt er nog maar weinig te beleven in Oost-Jeruzalem. Je kan nog naar het cafe van de Muhtar, een gewezen dorpshoofd uit de Jordaanse periode. Maar zijn cafe wordt hoofdzakelijk bevolkt door laveloze Roemeense bouwvakkers. Het enige alternatief dat dan nog rest is de bar van het American Colony Hotel. Weliswaar in orientaalse stijl, maar volgepakt met Finse journalisten, Spaanse zakenlieden en de onvermijdelijke internationale hulpverleners. Dus wordt het toch weer de Q-bar in West.
NA EEN AVOND BIJ Emil en de Q-bar krijg je het idee dat het allemaal wel meevalt in Jeruzalem. Het tegendeel is waar. Jeruzalem wordt steeds vromer. De tolerantie is ver te zoeken. De seculiere bewoners raken steeds meer in de verdrukking en verlaten de stad vroeg of laat. Orthodoxe joden willen niets weten van seculiere joden, laat staan van christenen en moslims. De joodse wijk in de oude stad is een zwart bolwerk geworden. Hamas is bijzonder populair bij de moslims in de oude stad. De christenen in Jeruzalem zijn niet veel beter.
De messiaanse boekhandel Immanuel, vlak bij de Jaffa-poort, verkoopt apologetische brieven met titels als: Waarom verwerpt God andere religies?, Gaan mensen die nooit van Jezus hebben gehoord naar de hel?, Zijn christenen huichelaars omdat zij zondigen? en Hoe kan ik weten dat de wederopstanding werkelijk heeft plaatsgevonden?
De Internationale Christelijke Ambassade in West-Jeruzalem wil een centrum zijn waar christenen leren op de juiste manier om te gaan met het joodse volk. De ambassade wil christenen een correct beeld geven van de gebeurtenissen in het Heilige Land om uiteindelijk de terugkeer van de joden naar hun historische vaderland aan te moedigen. Dat past allemaal in het idee van het eindgericht: de terugkeer van de Messias.
De ontvangsthal van de Internationale Christelijke Ambassade in West-Jeruzalem doet tevens dienst als gebedsruimte. De secretaresse draagt een vrolijke bloemenbloes, het bovenste knoopje gesloten. Ze is blij van gemoed en neuriet een psalm. Op haar bureau ligt een folder, getiteld On Your Way in Israel, uitgegeven door boekhandel T. Wever te Stellenbosch, Zuid-Afrika. De schrijver waarschuwt voor het Jeruzalem-syndroom, zonder het zo te noemen. Christelijke toeristen moeten oppassen! De eerste symptomen zijn stress, heimwee, verwerping van het nieuwe land en zijn bewoners, een overdreven aandrang tot eten, afzondering, onzekerheid, woede en ziekte. De fascinatie verandert langzaam in een shock. Veel bidden helpt, troost de folder. Thuisblijven lijkt een beter advies.
De folder waarschuwt christelijke dames voor direct oogcontact met Arabieren. Tevens worden Arabische bussen en Arabische wijken in Jeruzalem afgeraden. Hoewel de ambassade het Israelische volk een warm hart toedraagt, wordt christinnen geadviseerd niet al te gretig in te gaan op de avances van Israelische heren. Voor christelijke heren wordt in het geheel niet gewaarschuwd, kennelijk hebben deze minder libido.
De schappen in de ontvangsthal zijn volgepropt met folders, leerzame boeken en cassettes met stichtelijke liederen. De folders gaan over judeofobie en christofobie in de Arabische wereld. De Amerikaanse Pro Life-beweging is nadrukkelijk aanwezig. Deze militante anti-abortusgroepering probeert vaste voet aan de grond te krijgen in het Heilige Land. Iedere vrijdag worden er in heel Israel folders uitgedeeld, regelmatig worden petities tegen de bestaande abortuswetten naar de Knesset gezonden. De voorzitter van de Pro Life-beweging vergelijkt in de folder abortus met het offeren van kinderen aan de Moloch. Een folder draagt de kop: 'De baarmoeder is tegenwoordig de gevaarlijkste plek ter wereld om te leven.’ Met grote blijdschap wordt kennis gegeven van de oprichting van een Post Abortion Syndrome Workshop.
DE HEILIGE GRAFKERK, het belangrijkste symbool van het christendom in Jeruzalem, is verworden tot een kermis. In het midden van de kerk, het Catholicon, bevindt zich een zuil die het centrum van de wereld aangeeft. Jezus zelf zou deze plek hebben aangewezen. Het middelpunt van de wereld bevond zich ook al in de tempel van Apollo te Delphi - een kniesoor die daar op let.
Er is altijd wel iets loos in de kerk. Bij de ingang staat een bos kruisen. Toeristen zeulen ermee, worden lachend op de foto gezet. Van alle bezoekers zijn de Griekse pelgrims het vervelendst. Wie niet van Grieken houdt, moet niet naar Griekenland gaan en ook niet naar Jeruzalem tijdens de paasdagen. Groezelige wijfjes, amper een paar turven hoog en immer in het zwart gekleed, overspoelen de stad. Ze dragen snorren en hebben een huid van leer. Alsof er een zwerm papegaaien is losgelaten in de kerk, zoveel lawaai en kabaal maken ze.
De Griekse vrouwtjes zoenen alles wat los en vast zit. Ze doen dat onder het toezicht van een Griekse priester. Hij blijft immer op een metertje afstand, alsof hij er niet bij wil horen. Liever verbleef de eerwaarde in zijn cel, omringd door jonge volgelingen, dorstend naar het Woord. Hij houdt zich staande temidden van het gekwetter en gefladder door te denken aan de drachmes die hem straks in de hand worden gedrukt. Naast het graf staat een schaal tot de rand gevuld met bankbiljetten - Jezus zou zich in zijn graf hebben omgedraaid, ware het niet dat hij ter hemel is gestegen. Eerst moest hij de geldwisselaren van het tempelplein wegjagen, nu wordt zijn graf gebruikt als een wisselloket en lijkt het een roulettetafel.
Volgens een verdrag is de ruimte in de kerk keurig verdeeld tussen de diverse aanhangers van Jezus, al zijn de Grieken sterk oververtegenwoordigd. De Griekse priesters zijn uiterst irritant, altijd maar prevelend, zwaaiend met wierookvaten en hun keurig verzorgde paardestaartjes, onderwijl drachmes wegproppend in hun zwarte gewaden. Het is moeilijk voor te stellen dat zij een beschaving vormden die diepe sporen heeft achtergelaten op de westerse wereld.
De Griekse pelgrims zorgen ervoor dat de kas van de Arabische verkopers in de bazar voortdurend wordt gespekt. De arme stakkers, die thuis waarschijnlijk net rond kunnen komen van hun schamele weduwenpensioentje, kopen alles wat te krijgen valt. Kruisen, rozenkransen, iconen, foto’s, flessen met Jordaanwater, ze kunnen er geen genoeg van krijgen.
De mormoonse Brigham Young University bevindt zich boven op de Olijfberg, ongeveer op de plek waar de Messias zal landen. Orthodoxe joden willen de universiteit om die reden zo snel mogelijk weg hebben. In het auditorium speelt Ethelyn Peterson onversaagd op het pijporgel, compleet met Spaanse trompetten. Vanuit het auditorium kijken we uit over de oude stad, waar eens de tempel heeft gestaan. Als Ethelyn Bachs Toccata in D-mineur inzet, snotteren alle aanwezigen. Ingeklemd tussen een Japanner en een Belg voel ik ook de tranen wellen. Alsof ik de ezel van de Messias al hoor stampen.
Na afloop van het concert blijkt Ethelyn alles en iedereen 'wonderful’ te vinden, of we nu uit Amsterdam, Brussel of Tokio komen. In cafetaria Oasis, de mensa van de mormoonse universiteit, komt ik weer bij zinnen. De kantine zit vol blozende jongeren die niet roken, niet drinken en geen vlees eten.
Kaye T. Hanson is de directrice van de universiteit. Ze is niet zo blijmoedig als Ethelyn. Niets maar dan ook niets wil ze kwijt over het mormoonse geloof. 'Kunt u dan tenminste wat namen geven van bekende mormonen.’ Nee, nee, dat kan ook niet. De Osmonds, nee, daar is mij niets van bekend.’ Achteraf blijkt dat de mormonen een geheime afspraak hebben met de gemeente van Jeruzalem. Ze mogen hun geloof uitoefenen op de Olijfberg maar nooit en te nimmer iemand bekeren. En dat valt ze niet makkelijk.
De mormonen zitten hoe dan ook op de eerste rij als de Messias komt. Hopelijk organiseert de VVV de Dag des Oordeels wat beter dan het drieduizendjarig bestaan van Jeruzalem. Het zal namelijk een drukke dag worden. Niet alleen de levenden zullen die dag naar de heilige stad komen, ook de doden zullen uit hun graven opstaan en zich opmaken voor het eindgericht.
JODEN, CHRISTENEN en moslims geloven dat in Jeruzalem het Laatste Oordeel zal plaatsvinden. De precieze datum is niet bekend maar alles wijst erop dat het einde der tijden nadert. Volgens de joodse traditie zal het opperwezen vanaf de Olijfberg op een gigantische sjofar (ramshoorn) blazen. De wereld zal schudden en beven en de aarde zal openscheuren. De botten en beenderen van de op de Olijfberg begraven joden, waaronder die van Robert Maxwell, zullen als puzzels in elkaar vallen en een nieuwe huid zal de geraamten omspannen. De dolende zielen zullen terugkeren naar de lichamen, die vervolgens worden aangekleed. De joden die buiten Israel begraven zijn, zullen naar Jeruzalem rollen door ondergrondse tunnels, daarbij geholpen door engelen.
Volgens de islamitische traditie zal Israfil, de Engel des Doods, drie maal op een ramshoorn blazen, ten teken dat het moment is aangebroken. Dit zal gebeuren nadat de Ka'ba, de zwarte steen uit Mekka, een bezoek heeft afgelegd aan de Tempelberg. Het Boek van de Fasen der Wederopstanding bevat een uitgebreide beschrijving van de gebeurtenissen op de Dag des Oordeels. Alle doden zullen zich verzamelen op de Olijfberg en de engel Gabriel zal het paradijs aan de rechterkant van Allahs troon plaatsen en de hel aan de linkerkant. De doden moeten vervolgens een lange brug, smaller dan een haar, scherper dan een zwaard en zwarter dan de nacht, oversteken. Die brug verbindt de Olijfberg met de Tempelberg en heeft zeven bogen. Bij iedere boog moet de passant rekenschap afleggen van zijn daden. De zondaren zullen te pletter vallen in de vallei onder de brug, de vallei van Jehoshafat, en gaan meteen naar de hel.
DE KORAN waarschuwt in niet mis te verstane dreigingen voor de hel: 'Voor de overmoedigen is de slechtste bestemming het Djahannam, waarin zij zullen braden. Hellekooksel en stinkend vocht zullen zij smaken. En nog andere soorten van dezelfde aard. Dit is een met ulieden neergeslingerde bende. Geen welkom is er voor hen. Zij zijn bestemd te braden in het vuur.’ Het eten is er ook niet best: 'De boom van de Zakkum is de voeding van de zondige; als gesmolten metaal kookt het in de buiken, zoals kookt het hellekooksel. Grijpt hem aan en sleurt hem middenin het Hellevuur. En stort daarna over zijn hoofd de pijniging van het hellekooksel.’
Nabij de oostelijke stadsmuur, ter hoogte van de islamitische begraafplaats, staat een pilaar. Volgens een traditie zal de profeet Mohammed hier zetelen op de Dag des Oordeels en de moslims aan hem voorbij zien trekken. Pal naast de pilaar van Mohammed bevindt zich de Gouden Poort, die uitkijkt over de Vallei van Jehoshafat. Deze poort zal een belangrijke rol spelen op de Dag des Oordeels.
Voor de joden was het de belangrijkste poort van de stad omdat hij direct naar de Tempel leidde, christenen hebben een speciale band met deze poort omdat Jezus er, begeleid door wuivende palmtakken en Hosanna-geroep, zijn intocht maakte als koning van Israel. De prachtige dubbele poort is echter dichtgemetseld door de moslims. F. R. Oliphant meldt in zijn boek Notes of a Pilgrimage to Jerusalem: 'Er gaat een gerucht onder de moslims dat, wanneer Jezus weer terug komt op aarde, hij geen respect voor hen zal hebben en ze de stad uit zal gooien. Daarmee zal de stad weer onder christelijke heerschappij komen te staan. Omdat hij Jeruzalem door de Gouden Poort zal binnentreden, hebben de islamitische autoriteiten voorzorgsmaatregelen genomen en de muur dichtgemetseld. Maar ach, een Messias die niet in staat is door deze poort te breken, zou ook niet in staat zijn de Jordaan in brand te zetten.’
De strijd tussen de uiteenlopende bevolkingsgroepen van Jeruzalem zal wel doorgaan tot op de Dag des Oordeels. Dan zal eindelijk blijken wie er nu eigenlijk gelijk had. Voor de niet-gelovige aardbewoners rest slechts een troost: op de dag van het Eindgericht worden er extra bussen ingezet naar Tel Aviv, het Sodom en Gomorra van Israel.