Alex d'Electrique

Wachten op De Hoofdpersoon

Hufterig theater, schokkende beelden, schofterige poëzie: ziehier de kortste omschrijving van het werk van Alex d'Electrique. In hun nieuwste voorstelling
«Blok hut» ontbreekt niet alleen de hoofd persoon, maar was ook de auteur enige tijd zoek.

De blokhut van Blokhut was er in elk geval wel, in Frascati (waar ik de nieuwste theatrale eruptie van Alex d'Electrique zag) stond-ie op de gang, een minimodel van keurig gezaag de schrootjes. Op het toneel heb ik hem niet teruggezien, maar dat kan komen omdat de mistmachine al snel op standje tien stond te hoesten. En misschien hoorde die blokhut wel helemaal niet bij Blokhut, want het was toch al allerwegen «comedy of errors» geblazen, die avond. De grap van de voorstelling was immers dat de auteur ook al zoek was. Hij werd geacht Henrik Stohl te heten, Noor van geboorte en als schrijver een fusion jazzende en veejay-ende «coming man van de snel opkomende Scandinavische golf». Vertelde dezelfde folder die op de «aftiteling» Alex’ artistiek leider Ko van den Bosch niet alleen voor de regie maar ook voor de tekst verantwoordelijk maakte. Rara, hoe kon dat?
Vijf dagen na de première leverde een en ander een nogal flauwe, zelfgebakken grap op: «Hippe Noorse schrijver fopt critici», kopte de Volkskrant op 23 januari — sliep-uit, Henrik Stohl bestaat helemaal niet! Wie afgelopen zondag voor de buis ging zitten om te horen hoe een van de «Alexjes» deze studentikoze mop aan Hanneke Groenteman zou uitleggen, kwam ook al niet verder: de VPRO vertoonde opeens een oude aflevering van De Plantage. Overigens, die «Noorse golf» bestaat wel degelijk, zij het dat ze tot nu toe vertegenwoordigd wordt door één schrijver, Jon Fosse, wiens debuut De naam al maanden met succes in Berlijn loopt. Misschien dat Alex d'Electrique zich volgend seizoen aan die tekst kan wagen. Maar wellicht is dat ze weer iets te high brow — Der Name had afgelopen zomer immers zijn wereldpremière tijdens de prestigieuze Salzburger Festspiele.


De hele aankondiging van Blokhut had al iets van een irritante instinker: «Blokhut toont de morele verwarring van een moderne familie na de dood van de moeder. De verloedering van de familie geeft ook een ontluisterend doorkijkje naar de deplorabele staat van de hedendaagse westerse maatschappij en de problematische rol van de kunst daarin. Stohl (sic) heeft met deze thema’s een stuwende comedy geschreven, waarin de personages zich vaster en vaster draaien. De combinatie van slapstick, Tarantiniaans geweld en maatschappelijk engagement maakt Blokhut tot een belangwekkend transmodern stuk.» Alex d'Electrique praat niet zo, dacht ik, en zelfs hun impresariaat, sinds jaar en dag de firma Hummelinck Stuurman, zou zoiets nooit de wereld in sturen zonder het persoonlijk nihil obstat van Ko van den Bosch. Dus kon je er donder op zeggen dat Blokhut over van alles zou gaan maar zeer zeker niet over deze kullekoek van een randdebiele pr-oen.
En inderdaad, Blokhut toont de «morele verwarring van een moderne familie na de dood van de moeder», en wel gedurende precies één snotterende huilbui en enkele loze podiumminuten van de openingsscène. Daarna dient De Hoofdpersoon op te komen; in een orkaan van geluid en een vloedgolf van licht gaat een nutteloze deur wijd voor hem open. Maar De Hoofdpersoon komt niet op. Tachtig minuten achtereen zal hij node worden gemist. En precies dat is de reden waarom de personages die het ongeluk hebben getroffen wél te zijn opgekomen «zich vaster en vaster draaien» in een «stuwende comedy» die maar over één ding gaat: wat te doen als De Hoofdpersoon het verdomt om op te komen?
Laat dat rustig over aan Alex d'Electrique. Wat te doen? Elkaar om de oren slaan met toneelspelersclichés en rechtstreeks uit een hoofdstedelijk filiaal van de Actors Studio geleende actreutelaarskrompraat. De complete drankvoorraad in een wc-pot flikkeren en die vervolgens met elkaar verlekkerd leeg le pelen. De loze voordeur met de achtergelaten bijl van De Hoofdpersoon (een agressief persoontje uit een vorige show van Alex d'Electrique?) flink bewerken en in het vrijgemaakte gat toch nog flink je harses stoten. Je met z'n allen verzaligd klemzuipen en het meubilair van de blokhut volledig verbouwen en verspijkeren. Een van zichzelf al verzenuwde figurant (die zijn cue — natuurlijk: kut! — steeds vergeet) van alle kanten bespringen en op zijn nummer zetten. En een altijd gekoesterd maar door De Hoofdpersoon steeds geweigerd nummer tussen Adolf Hitler en Yoko Ono dan toch maar een keer opvoeren. En natuurlijk die vermaledijde Noorse auteur in zijn eigen blokhut (gekleed in een «geile trui») opbellen, om te vragen wat-ie met die-en-die scène in vredesnaam had bedoeld. (Deze grap, die ondertussen door de tand des tijds razendsnel was ingehaald, werd de avond dat ik er was moeiteloos aangepast: de Noor aan de andere kant van de lijn zorgde voor e-nor-me consternatie, door te beweren dat hij het stuk helemaal niet geschreven had!)


Ik zat ondertussen maar te wachten tot de op de «aftiteling» in de folder aangekondigde Vlaamse acteur/regisseur Sam Bogaerts zou opkomen, maar dat werd ook van hetzelfde als die grap van de twee mannen die naar Parijs zouden afreizen: Sam Bogaerts kwam niet. Af en toe daalde er waarachtig wat weldadige rust over de speelvloer neer. Zoals op het moment dat de figurant (een mooie simpelmans verdwaald in een gekkenhuis, gespeeld door René van ’t Hof) eindelijk even het toneel met spotlicht voor zichzelf alleen heeft, een aarzelende monoloog begint en vervolgens wordt gebeld door zijn bulderbaancollega (Aat Ceelen), die hem los uit de pols wat adviesjes geeft («Nooit met het publiek praten, jongen»). En het slot is ook mooi: alle toneelspullen vallen langzamerhand uit en de spelers hebben alleen nog maar de regieaanwijzingen tot hun beschikking, die ze droog oplepelen tot het imaginaire doek valt.
«It is me what», zou de 37sterangs grappenmaker zeggen die leuk uit de hoek wil komen. Theater dat zichzelf nadrukkelijk niet wil tonen, toneel dat zichzelf niet wenst te spelen — laat deze verslaggever het in ronde bewoordingen zeggen: ik hou er niet van en ik zit er ook geenszins op te wachten. Om me heen viel het publiek bijkans van de oververhitte Frascati-tribunes en uit de overvolle Frascati-balkonnetjes van het gretige lachen, dus ik ben overduidelijk van het verkeerde bouwjaar en niet berekend op deze lach-of-ik-knal-die-rotkop-van-je-aan-flenters-humor. (Helemaal in orde voelde ik me de afgelopen tijd sowieso al niet, iedere keer als ik de afgelopen zeven weken elke maandag weer iemand, bijkans stikkend van de lach, de meest recente Jiskefet-scènes hoorde of zag naspelen, ook al van die Alzheimer-jolijt uit het jaar kruk.)
Na afloop ben ik ten einde raad maar in het boek gedoken dat bij deze voorstelling is uitgebracht, ter gelegenheid van het feit dat Alex d'Electrique twintig jaar bestaat. De auteur en samensteller, Paul Kempers, kondigt zichzelf meteen aan als «theaterhater» (dat was ook niet echt thuiskomen) en begint vervolgens meteen in het voorwoord van Ik denk, dus ik verwar (zo heet het boekje) een kalasjnikov aan clichés over het theater (dat hij dus haat) leeg te schieten, zodanig flauw, futloos en voorspelbaar dat mij de moed onmiddellijk tot diep achter de hielen zakte. Toch maar door blijven lezen, en uiteindelijk wel zeer genoten van deze verzameling herinneringen aan (letterlijk) hersenknersende, maagprikkelende en rauwe theaterbelevenissen.
Een van de regisseurs die in het boek aan het woord komen, is Paul Vermolen. Hij heeft in zoverre recht van spreken dat hij vanaf het eind van de jaren tachtig tot diep in de jaren negentig vier keer met de groep — door hem «een hechte verzameling Einzelgänger» genoemd — samenwerkte. Vermolen: «Het dubbele aan de Alexen is dat ze iedere keer filosofisch-intellectualistische beschouwingen doorsnijden met vette grappen en flink veel trap-onder-de-kont-scènes. Ze hebben meer pretentie gekregen, maar die moet je wel waarmaken als je tegelijkertijd je verhaal blijft doorkruisen met cabaret- of vaudeville-acts. Je moet doordrongen zijn van de noodzaak van je verhaal.»
Het klinkt misschien een tikje laf, maar na het zien van Blokhut heb ik daar vooralsnog weinig aan toe te voegen.


Blokhut is nog tot medio mei in heel Nederland te zien. Inlichtingen en speellijsten: Hummelinck Stuurman Theaterbureau, tel. 020-6164004, info@hummelinckstuurman.nl. Het boek Ik denk, dus ik verwar: Twintig jaar Alex d'Electrique van Paul Kempers is in de betere boekhandel te koop of aan te vragen bij Hummelinck Stuurman.