Essay: Moslimterrorisme en apocalyptisch geweld

Wachten op de Mahdi

Apocalyptisch denken staat mijlenver van het standaarddiscours in het Westen. Maar mensen als Bin Laden, Breivik en Ahmadinejad worden bij hun daden geleid door de verwachting dat de eindtijd nabij is en dat zij de geschiedenis kunnen versnellen.

Medium 12 07 02 groene apocalyps

Toen topdiplomaten zich onlangs in Bagdad rond de tafel schaarden om te praten over Irans vermeende kernwapenprogramma trok de hemel boven hen dicht. Hevige zandstormen kwamen opzetten uit de woestijn en joegen over de stad. Waar het plan was om voor één dag in te vliegen voor topoverleg waren de onderhandelaars opgesloten en werden de gesprekken noodgedwongen verlengd. Was het toeval of een heilig teken? Waar de westerse onderhandelaars ongetwijfeld de eerste optie zouden kiezen, mag veilig worden verondersteld dat de Iraanse president Ahmadinejad Gods hand in het natuurgeweld zou zien. Ahmadinejad is er namelijk diep van overtuigd dat de eindtijd nabij is en dat hij de opdracht heeft om mee te strijden aan de zijde van de Mahdi, de messiaanse figuur die met zijn legers aan het einde der tijden de islam over de hele wereld zal verspreiden en daarmee een islamitisch heilsrijk zal vestigen.

Ahmadinejads apocalyptische visie op de wereld is geen onbelangrijk detail als de wereld zich buigt over de vraag hoe gevaarlijk het Iraanse nucleaire programma is. In analyses over het probleem duikt het zelden op. Toch is het geloof in een naderende Apocalyps bij Ahmadinejad tegelijkertijd een diep verlangen en een concrete toekomstverwachting. Zozeer zelfs dat toen Ahmadinejad in 2005 werd ingezworen als nieuwe burgemeester van Teheran hij verklaarde dat hij niet verwachtte dat hij zijn ambtstermijn zou uitdienen. Tussentijds zou volgens hem de Mahdi arriveren. Apocalyptisch denken staat mijlenver van het rationele analytische denken dat de standaard is in het hedendaagse westerse publieke discours. Daar hoeven we bepaald niet rouwig om te zijn, maar we moeten ook niet onze ogen sluiten voor het feit dat apocalyptisch denken voor velen met wie we de wereld delen een centraal onderdeel van hun wereldvisie is. En belangrijker: dat dit gevolgen heeft voor hun daden.

Neem Osama bin Laden, om nog even bij islamitische radicalen te blijven. De leider van al-Qaeda beloofde zijn volgelingen realisering van het wereldkalifaat en leek daarmee aan te sluiten op de massale speculaties die in de islamitische wereld leven over de komst van de Mahdi en de zorg van vele moslims of ze wel tijdig de goede kant kiezen als het zo ver is. Die zorg had Bin Laden al van jongs af aan meegekregen: zijn steenrijke vader had een bedrag van twaalf miljoen dollar opzij gezet om de Mahdi na zijn komst te kunnen bijstaan.

Het zou echter een grote misvatting zijn om apocalyptisch denken te zien als een achterhaald idee dat enkel nog in de islamitische wereld weerklank vindt. Want hoe Europees is Anders Breivik wel niet, wiens 1500 pagina’s tellende strijdverklaring druipt van de apocalyptiek over ons continent dat overstroomd zal worden door vijandige horden? De openbaring daarvan op internet vond hij niet genoeg. Hij gordde zich als kruisridder-tempelier aan voor de strijd tegen de verenigde satanische krachten van de islam en het socialisme en hoopte met zijn massamoord op het eiland Utøya het startschot te geven voor een apocalyptische strijd in Europa.

Kortom, apocalyptisch denken is onder ons en heeft gevolgen voor ons. En dus is het belangrijk om ons erin te verdiepen en de achtergronden ervan te begrijpen.

Eindtijdverwachtingen zijn in de geschiedenis over de hele wereld voorgekomen, bij allerlei culturen en in allerlei wereldbeschouwingen. In de tweede eeuw voor Christus leefden ze sterk in Palestina, toen de joden vreesden dat hun cultuur en godsdienst zouden worden weggevaagd door het hellenisme. Die vrees riep een sterk verlangen op naar een Mensenzoon die een eind zou maken aan de benauwenissen van het joodse volk. Volgens christenen is dat Jezus van Nazareth, die zich liet dopen door de apocalypticus Johannes de Doper en die aan zijn discipelen beloofde dat nog tijdens hun leven het rijk van God zou aanbreken. Dat rijk kwam niet en sommige christengemeenten, onder meer in Klein-Azië, konden de Romeinse overheersing maar moeilijk accepteren. De predikant Johannes van Patmos schreef hen een brief, die in het heilige boek terechtkwam als het bijbelboek Openbaring – ook wel bekend als Apocalyps. Het is, zoals elke apocalyptische voorstelling, een Droh- und Frohbotschaft tegelijk, zowel een vermaning als een blijde boodschap. Johannes schrijft hoe hij als een soort tijdreiziger een blik vooruit heeft mogen werpen op het einde der tijden en vooral op de strijd en plagen die daaraan voorafgaan.

Die tijd was nabij en dus was het van het hoogste belang dat de vol­gelingen van Jezus recht in de leer bleven en zich verre hielden van Romeinse verleidingen van een luxe leven. Wie arm was en onderdrukt werd, zou weldra door God worden beloond. De eersten zouden dan de laatsten zijn en de laatsten de eersten. Het bijbelboek Openbaring werd daarmee het oerverhaal van de apocalyptici, dat sindsdien in diverse varianten mensen tot geweld heeft aangezet. De in Openbaring aangekondigde omkering der verhoudingen appelleerde door de eeuwen heen aan een gevoel van gerechtigheid. ‘Hoe lang nog, Heer?’ was eeuwenlang de standaardverzuchting wanneer onderdrukking ondraaglijk leek te worden – hoe lang nog tot de verlossende Apocalyps. En vaak wisten de gelovigen hun ongeduld niet te beteugelen. Naarmate de eeuwen verstreken en het eindrijk zich niet manifesteerde en zeker toen het christendom de geaccepteerde staatsgodsdienst was geworden, verklaarde het religieuze establishment dat het bijbelboek Openbaring in overdrachtelijke zin moest worden beschouwd. Maar daar legde niet iedereen zich bij neer.

Toen in de late Middeleeuwen de kerkelijke leiders zichzelf grote luxe permitteerden en lagere geestelijken zich in de landstaal tot het volk richtten, bewees Openbaring zijn subversieve functie. In tal van plaatsen in Zuid-, Midden- en West-Europa probeerden apocalyptici met geweld God een handje te helpen om de komst van zijn rijk op aarde te bespoedigen, zoals de zogeheten pseudo-Frederik in de buurt van Düsseldorf, Fra Dolcino met zijn Apostolische Broeders in Piemonte, de Boheemse Taborieten, de dominicaner monnik Savonarola, die kort een theocratische republiek leidde in Florence, en Thomas Müntzer, die met zijn Liga van Uitverkorenen een theocratie vestigde in Mühlhausen.

In de zestiende eeuw hielden wederdopers in afwachting van de eindtijd anderhalf jaar lang Münster in hun gewelddadige greep, terwijl tegelijkertijd geloofsgenoten diverse Nederlandse steden, waaronder Amsterdam, probeerden te overmeesteren. In Engeland deden de Fifth Monarchists in de zeventiende eeuw een greep naar de macht en rond 1700 brachten in de Franse Cevennen hugenoten in hoopvolle verwachting van Gods komst tal van katholieken om.

De Verlichtingsfilosofen keerden zich heftig tegen elke apocalyptische uiting van religieus fanatisme, maar desondanks droegen hun ideeën bij aan een nieuw, seculier fanatisme dat zich in de tijd van de Franse Revolutie begon te vormen. Een belangrijke rol speelde Rousseau. Met zijn ideeën over het ‘maatschappelijk verdrag’, waarbij de algemene wil samenviel met de wil van individuen, inspireerde hij ideeën over een totalitaire heilstaat. Rousseau en Robespierre geloofden nog in God, maar in de negentiende eeuw zouden apocalyptici opkomen die de religieuze heilsgeschiedenis geheel vervingen door andere absolute waarheden. In de nieuwe ideologieën bewoog de aardse geschiedenis zich evenzeer naar een heilsstadium als ze dat volgens Johannes van Patras had gedaan. Niet naar een religieuze Apocalyps, maar naar een eindstadium waarin de uitverkoren staat, klasse, het uitverkoren volk of ras zijn heerschappij had gevestigd. Het apocalyptisch denken zaaide zich uit naar het anarchisme, communisme en nationaal-socialisme. Omdat het geloof verdween dat God dit stadium zou bewerkstelligen, moesten de mensen het zelf doen, desnoods met geweld. En dat geweld werd gericht tegen ‘de anderen’, die in elk apocalyptisch denken de komst van de heilstaat proberen te verhinderen. Het is een wij-zij-tegenstelling tussen uitverkorenen en verdoemden die in de gehele geschiedenis van de Apocalyps zit ingebakken. Nooit had die verdergaande consequenties voor de ‘anderen’ dan toen Adolf Hitler aan de macht kwam met de verlokking dat het Arische ras zich na een apocalyptische strijd weer aan het hoofd van de wereld zou stellen.

Tegelijk geloofde Hitler veel minder dan de Russische leninisten dat hij de stichter van een eindrijk was. Hitler geloofde niet dat iets op aarde blijvend was en meende dat volkeren voortdurend met elkaar in strijd zouden zijn. Meer dan van een laatste strijd was er volgens hem sprake van een eeuwige strijd, die op zichzelf het heil vertegenwoordigde. Bij Hitler is dus sprake van een nieuwe variant in het apocalyptische denken: er is bij hem een verschuiving van het heil als ultieme toestand naar het heil als proces.

Ironisch genoeg was Hitlers intellectuele sprong – van het heil als toestand naar het heil als proces – voorbereid door aartsvijanden van het nationaal-socialistische ideeëngoed: anarchistische denkers als Proudhon en syndicalisten als Sorel, voor wie het einde niets was en de beweging alles. Strijd moest de eigen partij scherp houden, want in een paradijselijke eindtoestand konden slechts verval en decadentie intreden.

Het is opmerkelijk hoezeer de Egyptenaar Sayyid Qutb, de meest geciteerde denker van het islamisme, dit anarchistische standpunt naderde. De in 1966 terechtgestelde Qutb vond dat elke vorm van menselijke heerschappij moet worden afgewezen, omdat alleen Allah het recht heeft over mensen te heersen. Hij wees daarmee theocratie als staatsvorm nadrukkelijk af. Het is slechts een van de vele overeenkomsten en kruisbestuivingen tussen het ‘westerse’ apocalyptisch denken en het islamitische. Een verschil is wel dat in de islamitische wereld eindtijdvoorspellingen tegenwoordig geen obscuur fenomeen zijn, maar juist populair. Zowel sjiieten als veel soennieten geloven dat aan het einde der ­tijden de Mahdi, al dan niet in gezelschap van de profeet Jezus, strijdend de hele wereld zal islamiseren. Ook in die voorstelling – die vooral gebaseerd is op islamitische geschriften – zijn opmerkelijk veel westerse elementen opgenomen. Zo zou volgens sommige auteurs de islamitische antichrist, de dajjal, zich in de Bermudadriehoek ophouden en zich per ufo verplaatsen.

Wie de geschiedenis van de Apocalyps overziet, moet concluderen dat het apocalyptisch denken al millennia verweven is met de westerse en andere culturen. Sterker, het is zo’n steevast terugkerend fenomeen dat het wel een antropologisch gegeven lijkt, een verlangen dat in elke tijd en op elke plaats door een deel van de mensheid wordt gedeeld. En omdat apocalyptici in alle tijden geneigd zijn tot geweld – de verwachting van grootschalig geweld maakt de drempel laag om nu al geweld in te zetten – weten zij zich doorgaans een rol van betekenis te verwerven die hun aantal aanhangers ver overtreft.

In onze tijd zijn islamistische terreurgroepen de voornaamste apocalyptici die onze fysieke omgeving en belevingswereld binnen weten te dringen. Bij deze islamistische groepen zien we de nadruk op de voortdurende strijd. Groepen als al-Qaeda grijpen vrijwel altijd terug op de ideeën van al de eerder genoemde Qutb. Omdat hij iedere vorm van autoriteit afwees, inclusief de islamitische theocratie, bleken zijn volgelingen nooit in staat om een min of meer concreet plan voor het heilsrijk te formuleren – een einddoel voor hun strijd. Zij bleven steken in het idee van een eeuwige strijd, de jihad, die pas zou eindigen in een wereldkalifaat op een moment dat uitsluitend Allah kent. Bin Laden, een van Qutbs volgelingen, ging een stap verder. Voor hem betekende jihad niet noodzakelijk oorlog maar veeleer een reeks terroristische aanslagen. Die aanslagen moesten het liefst een apocalyptische scène en visioenen van de Apocalyps veroorzaken. Ze moesten de gelovers én de niet-gelovers tonen wat hun te wachten staat. Bin Laden en andere islamisten hebben de oorspronkelijke heilstoestand daarmee nog verder verkort, van een heilsproces naar een heilsmoment.

De populariteit van eindtijdvoorspellingen in de islamitische wereld heeft gevolgen voor ons, alleen al omdat het deels de populariteit van al-Qaeda verklaart. Het zal geen verwondering wekken dat Osama bin Laden zelf vaak een rol speelt in apocalyptische voorspellingen: op internet wordt hij geregeld de Mahdi of de broer van de Mahdi genoemd. Op zich past de rol van Mahdi naadloos in Bin Ladens denken. Hij was zich van jongs af aan sterk bewust van de verwachtingen rond de komst van de Mahdi. Bij zijn vader, zoals al beschreven, en in zijn omgeving. Het had op Bin Laden een onuitwisbare indruk gemaakt toen in 1979 een zelfverklaarde Mahdi en honderden aanhangers bezit hadden genomen van de grote moskee in Mekka, maar daar met geweld uit waren verdreven.

Bin Laden heeft de suggestie om zichzelf te presenteren als de Mahdi echter nooit opgenomen. De belangrijkste reden schijnt de angst van de al-Qaeda-top te zijn geweest dat mensen eerder berustend zouden worden dan strijdbaar als de Mahdi reeds gekomen was. Bovendien leerde het verleden dat eindtijdbewegingen die door een Mahdi werden geleid ineenstortten zodra deze messias overleed. Bin Laden heeft altijd gewild dat zijn beweging hem zou overleven.

Hij keerde zich expliciet tegen westerse invloeden, in lijn met Qutbs ergernis over de ‘verwarring’ die westerse verleidingen en vluchtigheid in de moslimwereld veroorzaakten. Maar Bin Laden en zijn geestverwanten hebben niet alleen ideeën en methodieken van het Westen overgenomen. Het streven naar ‘apocalyptisch aandoende’ aanslagen lijkt vrij veel op het amechtig najagen van kortstondig publicitair succes – een van de ‘vluchtigheden’ waar Qutb zo voor waarschuwde. Wie het denken van Bin Laden en de verwoording van zijn boodschap secuur ontleedt, ziet dat van een terugkeer naar een zuiver religieuze variant van apocalyptisch denken geen sprake is. In zijn opvattingen zijn elementen van anarchisme, nationaal-socialistisch en communistisch apocalyptisch denken geïncorporeerd.

Datzelfde geldt voor het apocalyptisch denken in Iran. In 1979 werd daar een heerschappij van geestelijken gevestigd. De basisideeën daarvoor waren deels afkomstig van ayatollah Khomeini, die meende dat hij de plaatsvervanger van de Mahdi was. Een belangrijke bijdrage kwam verder van de leek Ali Shariati, die marxistische elementen in het sjiitische gedachtegoed bracht. Shariati was het prototype van de apocalyptische auteur, die een volksdeel in vuur en vlam zet door de kloof tussen de bestaande onrechtvaardige wereld en de gewenste ideale wereld van gerechtigheid zodanig uit te vergroten dat het ondenkbaar en moreel onaanvaardbaar wordt om geen geweld te gebruiken teneinde deze kloof te dichten.

De recente geschiedenis van Iran laat zien dat zo’n apocalyptisch verlangen kan opleven, ook als het enige tijd op de achtergrond is geraakt. Dat gebeurde in Iran in 2005, toen Ahmadinejad de presidentsverkiezingen won. Ahmadinejad bedient zich vaak van apocalyptische retoriek en wakkerde ook met zijn optreden het heilsverlangen aan.

Dit heeft ook voor de wereld gevolgen. Ahmadinejads idee dat hij de legers van de Mahdi zal bijstaan, heeft zich binnen én buiten Iran herhaaldelijk vermengd met zijn idee dat Israël moet worden weggevaagd. Het zou dit apocalyptische denken van Ahmadinejad moeten zijn dat mensen vooral schrik aanjaagt, niet zozeer zijn onbesuisde citaten over Israël.

Ahmadinejads tamelijk overspannen heilsverwachting heeft hem recentelijk in de problemen gebracht, toen hij de Arabische Lente opvatte als een teken dat de eindtijd begonnen was. De gevestigde clerus kreeg daardoor het idee dat de leek Ahmadinejad de apocalyptische verwachting gebruikte om zich meester te maken van religieuze autoriteit. Diverse medestanders van Ahmadinejad zijn om die reden in de gevangenis beland.

Wie het apocalyptische verlangen zoals zich dat nu manifesteert naast oudere versies legt, ziet hetzelfde sterke wij-zij-contrast, dat het moreel aanvaardbaar maakt om de verdoemden uit de weg te ruimen en het verloop van de geschiedenis te versnellen. De context is echter veranderd: het streven naar een heilstoestand is vervluchtigd.

In onze tijd concentreren apocalyptici zich steeds meer op de ene grote klap die de eindtoestand moet brengen. Zowel voor islamisten, van soennitische en sjiitische signatuur, als voor veel Amerikaanse christenen kan die klap geen andere dan een nucleaire zijn. Inzet van het kernwapen is nog steeds het ‘ondenkbare’. En juist daarom is het een gedachte waar veel apocalyptici van dromen.

Door de mondialisering hoeven allerlei apocalyptici de realisering van de eindtijd bovendien niet langer in hun directe omgeving te zoeken. Apocalyptici van christelijke, islamitische en joodse snit fixeren zich nu op het aardse Jeruzalem als stad waar de eindtijd gaat aanvangen. Ook beginnen zij aspecten van elkaars verhaallijnen over te nemen en als ‘bewijsmateriaal’ te gebruiken – enkele Amerikaanse televisiedominees beweerden dat de aanslagen van 11 september 2001 een teken waren van de naderende eindtijd.

Die aanslagen waren er bovendien het bewijs van dat het vermogen van individuen om op grote schaal te doden is toegenomen. Apocalyptici hebben er altijd van gedroomd grote groepen tegenstanders of lauwhartigen uit te schakelen, maar de technische mogelijkheden daartoe ontbraken. Door de technologische vooruitgang zijn er echter steeds minder mensen nodig om steeds ernstiger vormen van vernietiging teweeg te brengen. Christelijke milities in de Verenigde Staten en al-Qaeda hebben het gebruik van massavernietigingswapens al nagestreefd.

Het is geruststellend dat zij er tot nu toe niet in geslaagd zijn dat in praktijk te brengen, maar kernwapens bestaan pas een paar decennia en we moeten nog heel lang met deze wereld door. Het is onrealistisch om te verwachten dat zij tot in lengte van eeuwen zullen falen om kern­wapens te verwerven en in te zetten. Het is een angstaanjagende conclusie, maar gerechtvaardigd: vroeg of laat zullen we te maken krijgen met nucleair terrorisme door apocalyptici, die daarmee een eindtijd en eindstrijd naderbij proberen te brengen. De geschiedschrijving van het apocalyptisch verlangen heeft hierdoor een paradoxale rol: het nalopen van die geschiedenis en het trekken van de logische conclusie creëert zijn eigen apocalyptische angst. Het is de kunst daar op een verstandige manier mee om te gaan. In het bijzonder omdat de geschiedenis laat zien dat de repressie van het apocalyptisch verlangen herhaaldelijk nog gewelddadiger was dan het apocalyptisch geweld zelf.


Bob de Graaff is hoogleraar intelligence en security studies aan de Universiteit Utrecht. Onlangs verscheen van hem bij uitgeverij Boom Op weg naar Armageddon: De evolutie van fanatisme