Machtswisseling in China Een strijd tussen plutocraten

Wachten op de nieuwe Deng

In China roepen zelfs officiële media om hervormingen. Die zijn dringend nodig. De nieuwe leiders van het land krijgen reusachtige problemen op hun bord, die voortkomen uit een combinatie van razendsnelle modernisering en politieke verstarring. Maar is de macht van de partij te beteugelen?

Na tien jaar zwaaien de topleiders van het op één na machtigste land van de wereld af. Bij het grote publiek buiten China zijn hun namen meestal onbekend. Veel westerlingen weten na tien jaar zelfs niet hoe de nu vertrekkende hoogste leider heet. Dat komt vooral doordat Hu Jintao, sinds 2002 secretaris-generaal van de Chinese Communistische Partij, een grijze muis is met minder charisma dan een paling. Het komt ook doordat de Chinese Volksrepubliek sinds de giganten Mao Zedong en Deng Xiaoping niet meer wordt geleid door een boven alles uittorende machthebber maar door een collectief van relatief anonieme figuren die met hun grijze pakken en zwart geverfde haren onderling inwisselbaar lijken. De macht is niet meer in handen van een reus die alleen aan zichzelf verantwoording schuldig is, maar van het Vaste Comité van het Polit­bureau, dat unaniem beslist of anders bij meerderheid van stemmen (daarom is het aantal leden altijd oneven). Dankzij dit democratische systeem in microformaat is het land een nieuwe Mao bespaard gebleven. De macht is in handen gekomen van dynastieën die in de politiek, de economie en het leger aan de touwtjes trekken. De daaruit voortgekomen politieke fossilisering kan China lelijk opbreken.

De wereld weet duizend keer meer over de presidentsverkiezingen in de eerste economie van de wereld dan over de bijna gelijktijdige machtswisseling in de tweede. Dat geldt voor de Chinezen zelf ook. Ze hebben volop de ins en outs van de Amerikaanse verkiezingen gevolgd, het China_-bashing_ door de beide kandidaten inbegrepen, maar over de wisseling aan de top in eigen land weten ze niets, en van enig debat hebben ze niets gemerkt. Het enige wat ze van het achttiende partijcongres merken, zijn de paranoïde veiligheidsmaatregelen. Messen mogen niet worden verkocht, op internet is alles wat zweemt naar politiek geblokkeerd, tot de zoekterm ‘partijcongres’ toe, taxichauffeurs hebben de raampjes moeten vergrendelen en zelfs de duiven hebben bevel gekregen in hun tillen te blijven. De media hebben de Chinezen niet mogen vertellen dat hun nieuwe leider Xi Jinping heet, laat staan dat ze weten wat voor ideeën die heeft. Dat weet trouwens niemand, want als Xi zijn denkbeelden – gesteld dat hij ze heeft – had geventileerd, dan had hij zich vrijwel automatisch gediskwalificeerd. Door kleur te bekennen zou hij ongetwijfeld vijanden hebben gemaakt, en dan zou het met de vereiste consensus zijn gedaan.

63 jaar na de stichting van de Volksrepubliek is de opvolging nog altijd niet grondwettelijk geregeld. Ze hangt af van duistere machtsspelletjes tussen politieke clans. De enige regels zijn tijdslimieten: tegenwoordig mag niemand langer dan tien jaar op een hoge post blijven zitten en wie de 68 is gepasseerd moet met politiek pensioen. Dat is ongetwijfeld een vooruitgang vergeleken bij Mao Zedong en Deng Xiaoping, die aanbleven tot ze erbij neervielen, net als vroeger de keizers en na hen Chiang Kai-shek. Toch houden de ex-leiders grote invloed. Om te laten blijken dat ze in de strijd om de macht nog altijd een duchtig woordje meespreken hebben ze zich de laatste weken in het publiek vertoond.

Hoe de selectie van kandidaten gaat en hoe de machtsstrijd verloopt, daarvan weten we alleen flarden. Mao Zedong joeg twee gedoodverfde opvolgers de dood in, Deng Xiaoping liet er twee in ongenade vallen alvorens in de Tiananmen-crisis van 1989 de tamelijk onbekende Jiang Zemin tot partijleider te bombarderen. Tien jaar geleden maakte Jiang Zemin als secretaris-generaal van de partij plaats voor Hu Jintao. Het jaar daarop droeg hij hem het presidentschap over, en weer een jaar later ook het opperbevel van de strijdkrachten. Het was de eerste machtsoverdracht zonder bloedvergieten en zuiveringen. Hu Jintao was al jaren tevoren uitverkoren door de patriarch Deng zelf. Onder Hu heeft de partij zichzelf en de Chinezen willen laten geloven dat de opvolging ook in het vervolg kalm zou verlopen. De affaire-Bo Xilai heeft aangetoond dat er nog altijd niets is geregeld. En dat de enige regel die bepaalt wie de leiders worden van het land dat wellicht de wereld gaat domineren nog altijd de wet van de jungle is.

Dat de huidige vice-president Xi Jinping de nieuwe opperste leider zou worden, was al jaren geleden uitgelekt. Hij werd klaargestoomd voor zijn nieuwe baan als rechterhand van Hu Jintao in de partij, de staat en het leger, en hij heeft al een officieus kennismakingsbezoek aan Amerika gebracht. Deze apparatsjik heeft het grootste deel van zijn carrière gemaakt in de provincie. Bij het vorige partijcongres vijf jaar geleden werd hij een van de negen leden van het Vaste Comité van het Politbureau. Hij werd belast met de voorbereiding van de Olympische Spelen van 2008 in Beijing, dus iets heeft hij gemeen met Mitt Romney, organisator van de Winterspelen van 2002 in Salt Lake City.

We weten vrijwel niets van de scheikundig ingenieur Xi. In het openbaar heeft hij niet meer dan een paar zinnetjes gesproken. Vorige maand dook een weinigzeggend interview met hem uit 2000 op. China’s nieuwe leider is vooral bekend om zijn familie. Zijn vrouw is generaal-majoor Peng Liyuan, een volksliedjeszangeres in een legerband die in diverse tv-oudejaarsavondshows iedere keer zo’n zevenhonderd miljoen Chinezen heeft vermaakt. Zijn dochter studeert onder een schuilnaam in Harvard. En zijn vader was de revolutionaire held Xi Zhongxun, een oude krijgsmakker van Mao die tijdens de Culturele Revolutie in ongenade viel en later een van de drijvende krachten werd achter de economische revolutie van Deng Xiaoping.

Xi Jinping behoort tot de ‘rode aristocraten’, een gilde dat dankzij het revolutionaire brevet van hun vader een natuurrecht op de macht meent te hebben. Het is net als in de keizertijd: de zoon van de keizer ging er voetstoots vanuit dat hij de opvolger zou worden. En zoals er aan het keizerlijk hof volop gecomplotteerd werd en de facties elkaar het licht in de ogen niet gunden, zo gebeurt dat ook in de hoogste Volksrepublikeinse kringen. Naast de groep van de ‘prinsjes’, zoons van de hoogste leiders in heden en verleden, zijn er de Bende van Shanghai rond de nu 86-jarige Jiang Zemin, en de Tuanpai, een groep van leiders en ex-leiders van de Communistische Jeugdliga rond Hu Jintao. Iedere patroon probeert voor zijn eigen factie een zo groot mogelijk deel van de buit binnen te halen. Ideologie speelt daarbij geen rol. Het gaat alleen om macht, en voor de patroon ook om de verdediging van zijn reputatie en zijn plaats in de geschiedenis.

Xi Jinping was niet de keus van Hu ­Jintao. Die had liever zijn protégé Li Keqiang, nu nog de eerste vice-premier, als opvolger gehad, maar daarvoor kreeg hij niet genoeg handen op elkaar. Hu heeft voor zijn discipel, een gepromoveerd jurist en econoom, genoegen moeten nemen met het premierschap. Xi werd al in 1997 naar voren geschoven door Jiang Zemin, in ruil waarvoor Jiang topposities opeiste voor zijn eigen acolieten. Alles zou rustig achter de schermen zijn uitbekonkeld als niet vóór de schermen de orkaan Bo Xilai zou zijn opgestoken.

Deze zoon van de legendarische partijheld Bo Yibo wilde koste wat het kost de top bereiken. Daarvoor schond hij de vuistregel dat een Chinese politicus nooit voor zijn ambities uitkomt. Als partijleider in de stadsprovincie Chongqing begon Bo een campagne van Amerikaanse allure zoals China nog nooit had gezien. Hij vermomde zich als kampioen van de armen, voor wie hij een paar miljoen betaalbare huizen liet bouwen. In de operatie Dahei (‘Tref de duistere krachten’) zuiverde hij het maffiose politie­apparaat en maakte hij korte metten met corrupte ondernemers. Stadionmassa’s liet hij ‘rode liederen’ zingen uit de tijd van de Culturele Revolutie, de tv moest helden-epen over Mao uitzenden, Mao kreeg nieuwe standbeelden, massaal werden sms’jes met Mao-leuzen rondgestuurd, ambtenaren moesten in het weekend boerenwerk doen. Mao leek herleefd in Bo Xilai. Voor het eerst sinds lang leek in de uitgeholde partij het idealisme terug.

Bo kreeg bijval uit de hoogste regionen van partij en leger. Veertig jaar na zijn ontmoeting met Voorzitter Mao maakte zelfs China-watcher Kissinger zijn opwachting bij Bo, terwijl in het stadion maoïstische liederen schalden. Dat Bo een dubbele agenda had wist iedereen, maar dat hij een volmaakt rücksichtslose schurk was, kwam na zijn spectaculaire val toch als een verrassing. Behalve dan bij zijn politieke vijanden, die bang waren dat ze hun macht en hun rijkdom zouden kwijtraken als Bo’s weg naar de top niet zou worden geblokkeerd. Er zijn aanwijzingen dat Bo, eenmaal doorgedrongen tot de Vaste Commissie van het Politbureau, met de hulp van de hoogste veiligheidschef en een paar bevriende generaals een staatsgreep wilde plegen tegen de nieuwe leider Xi Jinping.

Bo’s grootste fout in de ogen van zijn vijanden was niet zijn Mao-dweperij of de vervolging en marteling van zijn zakelijke vijanden onder het mom van maffiabestrijding. Het was evenmin zijn manie voor maîtresses of de uitspattingen van zijn playboy-zoon in Amerika, en zelfs niet het toedekken van de moord door zijn vrouw op Neil Heywood, de Brit die het bijeengestolen kapitaal van de Bo’s moest onderbrengen in het buitenland. Nee, zijn grootste fout was dat hij de mythe had doorgeprikt dat de corruptie in China beperkt bleef tot de lagere echelons. De rot blijkt volop te zijn doorgedrongen tot de top. Dezelfde top die zo vaak de corruptie tot de grootste bedreiging van de partij heeft uitgeroepen.

De zaak-Bo Xilai liet de machtsstrijd opnieuw opvlammen, en dat was nog niet alles. Een zus en twee zwagers van Xi Jinping bleken voor bijna vierhonderd miljoen dollar belangen te hebben in grote Chinese bedrijven. De familie van premier Wen Jiabao, die altijd prat ging op zijn nederige afkomst, bleek een fortuin te hebben vergaard van minstens 2,7 miljard dollar. De zeventig rijkste leden van het Nationaal Volkscongres zijn samen goed voor 85 miljard. Veel leden van het Centrale Comité hebben hun eigen vlucht en die van hun kapitaal al voorbereid: negentig procent van hun familieleden is geëmigreerd. President Hu Jintao moest een vertrouweling die hij in het Vaste Comité had gewild laten vallen nadat was uitgelekt dat diens zoon in een nachtelijke crash van zijn Ferrari was omgekomen, evenals een van de twee blote meisjes die hij bij zich had. Terwijl dit onthutsende demasqué aan de gang was, was Xi Jinping in september twee weken spoorloos. Er zijn berichten doorgesijpeld dat hij in het Vaste Comité heeft gezegd dat de legitimiteit van de partij om te regeren alarmerend afbrokkelt.

De nieuwe leiders van China krijgen reusachtige problemen op hun bord. De economie moet drastisch worden omgebogen, het verloren vertrouwen van de bevolking herwonnen, de schreeuwende maatschappelijke ongelijkheid bestreden. De onvrijheid van meningsuiting, de afwezigheid van de rechtsstaat, de willekeur van de macht, de milieucatastrofe, de snelle vergrijzing, de rechteloosheid van de 250 miljoen binnenlandse migranten, de keten van zelfverbrandingen door Tibetanen: het is maar een greep uit de immense problemen die voortkomen uit een combinatie van razensnelle modernisering en politieke verstarring. Zelfs officiële media roepen om hervormingen. Dat die er moeten komen is duidelijk, want het alternatief is precies datgene wat de partij het meest vreest: minder stabiliteit en meer crisis.

Maar zijn diepgaande hervormingen, te beginnen met inperking van en controle op de macht van de partij, mogelijk als het land geleid wordt door een club plutocraten die alles zal doen om van de macht te blijven profiteren? De clubleden beheersen de sleutelposities in de landelijke politiek, de provinciale besturen, het leger en de staatsbedrijven. Met hervormingen zouden ze in eigen vlees snijden. De tijd is gekomen dat er een nieuwe Deng Xiaoping opstaat, die met een politieke modernisering een eind maakt aan ’s werelds meest kolossale anachronisme.

De Partij

Op 8 november begint in de Grote Hal van het Volk in Beijing het achttiende congres van de Chinese Communistische Partij. De 2270 gedelegeerden vertegenwoordigen de provincies (Taiwan inbegrepen), het leger en enkele overkoepelende partij- en overheidsinstanties. Tijdens het congres, dat geen reële macht heeft, worden China’s belangrijkste machtsorganen gedeeltelijk vernieuwd: de Centrale Militaire Commissie, de Staatsraad (het hoogste bestuurlijke gezagsorgaan) en de hoogste partijorganen. Dat zijn het Centrale Comité (370 mensen uit de top van partij, regering en leger), het Politbureau (25 leden) en vooral het almachtige Vaste Comité van het Politbureau, dat naar alle waarschijnlijkheid wordt teruggebracht van negen naar zeven leden. Van slechts twee van hen is de benoeming zeker: Xi Jinping wordt secretaris-generaal van de partij en Li Keqiang eerste secretaris. Op de volgende zitting van het Nationaal Volkscongres (in naam de hoogste wetgevende instantie) in maart 2013 wordt Li premier en Xi president.