Wachten op de nieuwe tijd

LISSABON - Een bezoek aan de Expo ‘98 is vooral een oefening in geduld. De wachttijden voor de diverse attracties uit het tijdperk van de virtual reality en postmoderne architectuur kunnen oplopen tot de draconische hoogten van drie tot vier uur. Pal aan de rivier waar Amalia Rodrigues al zingend de was deed, Fernando Pessoa al daverend van de Port-wijn de glorie der oceanen bezong, en J.C. Bloem zijn collega-dichter Slauerhoff tokkelend op de luit voor zich zag, is een vijftien kilometer lange high tech-stad verrezen, compleet met futuristische kabelbaan en kleine autootjes die zo uit de Thunderbird 4 lijken te komen. Maar tussen al die mobiliteit van het volgende millennium komt het uiteindelijk toch aan op wachten, zoekend naar een stukje schaduw, te veroveren op een moordende zon.

Voorheen was dit gebied aan de Taag, pal naast de spiksplinternieuwe, achttien kilometer lange Vasco da Gama-brug, domicilie van de allerarmsten in de stad. Maar sinds de bulldozers van burgemeester Joao Soares (zoon van de Portugese oud-president Mario Soares) er overheen zijn gegaan - en vijf arbeiders onderwijl hun leven gaven voor het onder hoge druk gebouwde werelddorp - is deze voor de burger voorheen verboden zone voorgoed ontsloten en strijden de yuppies van Portugal verwoed om een woning met parkeerplaats in het Nieuwe Lissabon.
De Expo ‘98 is uitgegroeid tot een nieuw bedevaartsoord, een soort futuristisch Fatima zo men wil. Terwijl in het echte Fatima - het dorp waar in 1917 een kerkelijk goedgekeurde Mariaverschijning plaatsvond bij drie herderskinderen - verwoed wordt gebeden om het zieleheil van het zich langzaam maar zeker uit de greep van de Heilige Moederkerk ontworstelende Portugal, wordt hier aan de boorden van de langoureuze Taag de aanstaande intocht van de Nieuwe Tijd gevierd. Ondanks de niet malse entreeprijs van 5000 escudo’s per dag (zeg maar vijftig gulden, een bedrag waar de gemiddelde landarbeider in de Alentejo een halve week voor moet ploeteren) zit de Expo op zo'n 70.000 bezoekers per dag. Die laten de exhibitieruimten van landen als Nederland (dat op de proppen is gekomen met enkele dia’s van de waddeneilanden en een paar opgezette zeemeeuwen) met vereende krachten ongemoeid en rennen bij de opening van het Expoterrein om half tien ’s ochtends lemmingsgewijs naar de grote attracties, zoals daar zijn het virtual reality-paleis Paviljoen van de Utopie, een groot zogeheten 'oceanarium’, en vooral het Paviljoen van Portugal, het pièce de résistance van het terrein. Dan begint het Grote Wachten.
EEN HALVE DAG verder, nadat men eenmaal met uitdrogingsverschijnselen, opgezette voeten en hysterisch huilende kinderen bij laatstgenoemde attractie is binnengestrompeld, wordt het geduld toch nog rijkelijk beloond. De multidimensionale filmvoorstelling die de Portugezen in drie etappes in verschillende zalen over het bezoek laten denderen, is niet minder dan een soort geopolitiek beginselprogramma. Het begint vijfhonderd jaar geleden, wanneer Portugese zeehelden als Vasco da Gama en MagelhaŸes met hun spectaculaire verkenningstochten over de oceanen de wereld openen voor de Occident. Ze trotseren huizenhoge golven en de draken van de zee, ontdekken Afrika, India en Japan. Niks geen demonische Cortez the Killer-toestanden: overal waar de Portugese gelukszoekers aan wal stappen, bloeit de handel en de interculturele uitwisseling, zo demonstreert de film. We zien de eenogige dichter Luis de CamoŸes in zijn grot in Macau schrijven aan zijn Lusíadas. We zien zwart en wit broederlijk bijeen aan het werk. Als onze jongens in Japan aan land komen, gaat het weer even harmonisch. Pas als er een gezelschap jezuïeten in hun spoor komt, gaat het mis: een der geestelijke zuurpruimen overhandigt zijn Japanse gastheer een grote schaal, en wanneer deze in duizend scherven op de grond klettert blijkt het geschonkene een soort doos van Pandora, gevuld met louter apocalyptische ramspoed. De boodschap is duidelijk: het grote Portugese rijk, dat ooit de helft van de wereld besloeg, viel in duigen toen de kerk met haar bekeringsijver kwam.
IN WERKELIJKHEID was Portugal de laatste Europese macht die zijn aanspraken op de koloniën liet varen (Macau moet nog altijd worden teruggegeven aan China), maar er kan niet ontkend worden dat het land er sinds die eerste reis van Vasco da Gama langs de kusten van Afrika naar India, vijf eeuwen terug, beduidend op achteruit is gegaan. Uitgeperst door het langst zittende fascistische bewind van de Europese geschiedenis (1933-1974), dat het in grote armoede en uitgeput van jaren van oorlog in Afrika achterliet, is Portugal nu het ondergeschoven kindje van de Europese Unie.
Nog steeds zijn miljoenen Portugezen ver van huis. De mannen wier voorvaderen in wankele scheepjes naar het eind van de wereld voeren, bedienen nu in restaurants, staan op de bouwsteigers of poetsen de wc’s van kantoorgebouwen in Parijs, Luxemburg, Miami, Amsterdam, Vancouver en Genève, wachtend op de dag dat met het gespaarde geld een glorieuze terugkomst naar het innig geliefde geboorteland kan plaatsvinden, het liefst als uitbater van een eigen café. De Portugezen waren en zijn populaire gastarbeiders. Alleen al in de Franse hoofdstad zijn er naar schatting twee miljoen, terwijl er in de Verenigde Staten meer mensen van Portugese afkomst wonen dan in heel Lissabon. De miljoenen Portugezen die in de loop der eeuwen in Brazilië neerstreken, vallen niet eens meer te tellen, want die zijn gewoon Braziliaan geworden.
Diep van binnen dromen Portugezen van de hergeboorte van hun land als grootmacht op de aarde. De Expo '98 is de ultieme vertolking van die wens, zij het dat daar vanwege de grillen van de tijd een milieufilosofisch tintje aan wordt gegeven. Op het Paviljoen van Portugal staat overal in grote letters de volgende spreuk, als een soort heilige mantra: 'De Portugezen ontdekten de oceanen. De oceaan is in gevaar. De Portugezen hebben een verantwoordelijkheid voor de wereld.’
DEZE EXPO, gewijd aan de geheimen van de oceaan, moet alle vorige wereldtentoonstellingen - en zeker die van het Spaanse Sevilla, de voorgaande - doen vergeten. De Expo '98 moet Portugal weer op de wereldkaart zetten. Het land wil af van zijn imago als feeëriek doch licht-achterlijk reservaat in de kont van Spanje, waar het maar niet wil vlotten met de moderne tijd en alle ambitie wordt verdronken in fado en wijn. De Expo '98 is in de eerste plaats een grootscheepse oefening in hervonden nationale trots. En die kan nu al ronduit geslaagd worden genoemd. Bijvoorbeeld tijdens het openingsfeest van de Expo, toen de Spaanse heldentenor José Carreras bij wijze van pacificatie van de altijd broeierige trans-Iberische verhoudingen een door en door Portugese fado aanhief, begeleid door de leden van de Portugese supergroep Madredeus, een en ander bij wijze van aubade aan Amalia, de muze van Alfama.
Al even verkwikkend voor de lusofone eigenwaarde was het optreden van de legendarische Braziliaanse superster Maria Bethania op het zogeheten Sony-plein op de Expo. De diva uit Bahia, samen met haar broer Caetano Veloso in de jaren zestig de grote wegbereider van het zogeheten 'tropicalisme’ in de Braziliaanse muziek, kwam met een speciaal programma van gedichten van Fernando Pessoa op Braziliaanse muziek. (Ter gelegenheid van de Expo verscheen er trouwens ook een nooit eerder gepubliceerd boek van de hand van Pessoa, te weten een vertaling van The Voice of Silence, het occulte meesterwerk van Madame Blavatsky.)
Zo staat de Expo '98 in het kader van de toenadering en de expansie. Portugal wil niet langer de tweede trom slaan in het Europese orkest. Ook buiten de Expo zijn er tekenen dat die wens wordt vervuld. De speciale relaties die Portugal als ex-kolonisator onderhoudt, krijgen nu gestalte op het podium van de actuele wereldpolitiek. Zo is oud-president Mario Soares namens de Verenigde Naties op vredesmissie in Algerije. Koning Hassan II van Marokko heeft Portugal de status van meest bevoorrechte handelsnatie gegeven. De Indonesische minister van Buitenlandse Zaken Ali Atalas onderhandelt met zijn Portugese collega over de autonomie van Oost-Timor. De Contactgroep van Portugees-talige landen (onder wie Brazilië, Angola en Mozambique) begint onder leiding van Lissabon steeds meer gewicht te krijgen, zeker bij het zoeken naar een uitweg in de bloederige oorlog in Guinee-Bissau.
MAAR VOORDAT Portugal zich echt kan gaan zetten aan die adelaarsvlucht naar buiten, zullen er op binnenlands terrein nog de nodige zaken moeten worden rechtgezet. Zo is er een hoge prijs te betalen voor deelname aan de Europese Unie. De escudo zal straks ook moeten wijken voor de ecu, maar het is zeer de vraag of de Portugese economie dat wel kan dragen.
Het is te hopen dat de subsidies voor nieuwe wegen die Brussel rijkelijk over de Portugese bodem strooit, iets zullen veranderen aan de desastreuze verkeerssituatie van het land, dat uit zijn voegen barst van de nieuw-geïmporteerde auto’s. Verleden jaar stootte Portugal Griekenland van de nummer 1-positie als het gaat om de hoogste mortaliteitsgraad op de openbare weg. Maar ondertussen worden de Portugezen in naam van Duisenberg wel gedwongen tot een keiharde monetaire politiek van immer meer bezuinigen, hetgeen om de haverklap leidt tot stakingen op scholen en universiteiten (bij gebrek aan les) en SOS-signalen in de zwaar onderbezette ziekenhuizen. Veel Portugezen staan met één been in het financiële graf, en daar komen jaarlijks nog hele volksstammen vluchtelingen uit de voormalige koloniën bij.
Meer dan symbolisch voor de economische positie van Portugal was het drama dat zich afgelopen weken afspeelde bij Benfica, de legendarische voetbalclub van Lissabon. Benfica-president Vale e Azevedo kwam met de onheilstijding dat hij de poorten van het stadion Da Luz moest sluiten. De club zou de aan de staat verschuldigde sociale premies niet tijdig kunnen ophoesten. Dit vanwege een miljoenenschuld aan buitenlandse investeerders, waaronder de Nederlandse Investeringsbank. Er moest een nationale bedelactie van het commerciële tv-station SIC aan te pas komen om de nationale ramp af te wenden. De drie sportkranten die in deze voetbalgekke natie dagelijks verschijnen staan er nog bol van. Benfica is niet zomaar een club, het is een religie. De bijna-ondergang van dat instituut bracht een gevoelige knauw toe aan de trotse Portugese ziel.
DAARNAAST KAMPT Portugal nog altijd met het deprimerende verleden. Op 3 augustus was het precies dertig jaar geleden dat António de Oliveira Salazar ten val kwam op de granieten vloer van het Forte de Santo António in Estoril. De oude dictator kwam de klap nooit te boven en legde op 27 juli 1970 definitief het hoofd neer. De econoom uit Coimbra, gevormd op een jezuïtisch seminarie, trad in de jaren twintig aan als minister van Financiën en wist in 1933 een fascistisch regime te vestigen, met hemzelf als absoluut leider.
Voordat Salazar naar de macht greep was Portugal in de jaren twintig een waar politiek laboratorium. De monarchie werd in 1910 per kogel afgeschaft en werd opgevolgd door maar liefst zeven republieken, alwaar 'vrije liefde’ en de 'socialisering van de vrouw’ bij wetsartikel werden doorgevoerd. In de laatste, zevende republiek, was er sprake van een officiële dictatuur van het proletariaat.
Salazars Estado Novo (Nieuwe Staat) maakte een eind aan deze experimenteerlust. Zijn ideologisch fundament was een hybride cocktail van Mussolini en Maurras, wat neerkwam op een reactionaire, totalitaire variant op het rk-geloof. Salazar - geheelonthouder, nooit getrouwd, levend als een kluizenaar - hield niet van de moderne tijd. Vooruitgang was hem een gruwel. Hij geloofde heilig in het behoud van de feodale verhoudingen uit de Middeleeuwen. Analfabetisme was in zijn ogen een zegen voor het volk. Anders zou het toch alleen maar ongelukkig worden. Zijn grootste tegenstander, generaal Humberto Delgado, beschreef hem als een uiterst ijzig persoon, 'biologisch misogeen, filosofisch misantroop en politiek torquemadista’ (Torquemada was de grootinquisiteur van de katholieke koningen van Spanje). Maar hoezeer hij ook bij oude waarden zwoer, op het gebied van de marteltechniek ter bestendiging van de status quo bediende de dictator zich van de allermodernste snufjes in de kelders van de Policía Internacional e de Defensa de Estado (Pide), de gevreesde geheime dienst die tot 1974 - het jaar dat militairen een einde maakten aan het bewind van zijn opvolger Marcello Caetano - dood en verderf heeft kunnen zaaien.
DE PIDE - ZEG MAAR de Portugese evenknie van de Gestapo - slaagde er met zijn uitgebreide verklikkersnetwerk in een gevoel van permanente paranoia te creëren, dat nog altijd doorwerkt in het land. Portugal is in zekere zin nog altijd in de ban van de angst. Onder de Pide was wantrouwen een manier van leven. De dienst kwam onlangs weer volop in het nieuws toen ex-officier António Rosa Casaco in de Spaanse pers een boekje opendeed over de moord op generaal Humberto Delgado in 1965. Delgado, bijgenaamd 'o general sem medo’ (de generaal zonder angst), nam in 1958 deel aan de presidentsverkiezingen, als belangrijkste tegenkandidaat voor een marionet van Salazar. Delgado won, maar zag zijn evidente victorie in rook opgaan toen overal in het land de stembussen achterover werden gedrukt.
Vanuit het buitenland streed Delgado verder. Met name in Brazilië, Engeland en Algerije mocht de beminnelijke en erudiete militair rekenen op steun. Elders gold hij vooral als staatsgevaarlijk, want wie tegen Salazar was moest wel een communist zijn. Tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1959 werd Delgado op last van minister Luns min of meer als staatsgevaarlijk in de gaten gehouden door de BVD. Samen met de Algerijnse president Ahmed Ben Bella droomde de generaal van een reconquista door middel van een invasie vanuit Noord-Afrika, om niet alleen Salazar maar ook zijn Spaanse collega-fascist Franco van het Iberisch schiereiland te verjagen.
In 1961 baarde de generaal-zonder-angst nog groot opzien in zijn land door plotseling op te duiken in de straten van Porto. Dat maakte zijn tegenstanders nerveus. Vier jaar later, op 24 april 1965, werd zijn onherkenbaar verminkte lijk samen met dat van zijn Braziliaanse secretaresse gevonden in Villanueva del Fresno, in het Spaanse Andalusië, dicht bij de Portugese grens. De omstandigheden van de aanslag werden nooit opgehelderd. Ook niet na de Anjerrevolutie. Duidelijk was wel dat er een gezamenlijke actie van de Spaanse en Portugese en wie weet ook Franse en Amerikaanse geheime diensten aan ten grondslag lag, maar hoe en wat bleef onduidelijk.
TOTDAT ROSA CASACO onlangs in de Spaanse pers verscheen met een bekentenis, zonder overigens al te veel last te hebben van schuldgevoel, want de ex-Pide-officier verklaarde dat, zou hij opnieuw mogen beginnen, hij het 'allemaal weer precies hetzelfde zou doen’. De gewezen privé-fotograaf van Salazar (tevens diens verbindingsofficier met collega Franco in Madrid) vertelde uitgebreid over het Pide-plan dat ten grondslag lag aan de dood van generaal Delgado. Hij had er zelf ook een rol in gespeeld, zij het naar eigen zeggen niet als degene die de trekker had overgehaald.
Een dag voor de befaamde Anjerrevolutie - 25 april 1974 - nam Rosa Casaco de wijk naar Madrid, waar zijn Spaanse vrienden hem een riant onderkomen en een andere identiteit bezorgden. Na zijn verrassende confessie werd Rosa Casaco op verzoek van de nabestaanden van Delgado aangehouden door de Spaanse justitie. Maar de Spaanse rechter besliste inmiddels dat Rosa Casaco niet aan Portugal zal worden uitgeleverd. De moord op Delgado zou volgens het Spaanse strafrecht inmiddels zijn verjaard.
Vanuit Lissabon werd verontwaardigd gereageerd op de Spaanse weigering, maar het is zeer de vraag of de regering van de socialistische premier Antonio Guterres er wel echt zo rouwig om is. Een proces tegen Rosa Casaco in Portugal zou de nauwelijks geheelde wonden van het verleden kunnen openrijten. De Anjerrevolutie heeft nooit geleid tot een 'zuivering’ van het Portugese machtsapparaat. Dat is waarschijnlijk ook nooit de bedoeling geweest van de generaals die de vreedzame omwenteling regisseerden. De praatgrage Rosa Casaco zou tijdens een proces met zijn verdere bekentenissen wel eens heel veel gevestigde belangen kunnen schaden.
Daar heeft de behoedzaam opererende Guterres weinig behoefte aan. Zijn regering heeft het al moeilijk genoeg. Portugal likt nog de wonden van een heftige strijd tijdens een referendum over een meer liberale wetgeving inzake abortus. Een voorstel van de regering-Guterres om voortaan niet meer over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van vrouwen die abortus hebben gepleegd (en dan nog aleen maar tot aan de tiende week van de zwangerschap) maakte het ergste los bij de clerus. Toen ook de premier zelf liet weten dat hij op grond van persoonlijke religieuze overwegingen tegen het wetsvoorstel van zijn eigen regering zou stemmen, werd al snel duidelijk dat het voorstel het niet zou halen. Uiteindelijk kwamen er te weinig mensen opdagen om het referendum geldig te maken. Bisschoppen en paters prediken nu dat de recente reeks catastrofen in de Portugese natie (zware aardbevingen in de eilandengroep van de Azoren, de ene na de andere grote bosbrand op het continent) moet worden opgevat als een straf van de Heer, vertoornd als deze zou zijn over de dreigende zondeval van het Portugese volk.
Inmiddels dient zich alweer een ander explosief schisma aan. Binnenkort moeten de Portugezen naar de stembus om per referendum aan te geven of zij voor of tegen de socialistische plannen zijn om het landsbestuur te regionaliseren. Een en ander ter beteugeling van de macht van administratief centrum Lissabon, een wens die vooral wordt gedragen in het vanouds linkse Porto, de tweede stad van het land.
De tegenstellingen tussen Lissabon en Porto zijn te vergelijken met de animositeit tussen Amsterdam en Rotterdam, maar dan verhonderdvoudigd. De vete heeft zijn wortels in de bittere jaren van de Estado Novo, toen de havenstad in het noorden zwaar zuchtte onder de oppermacht van het regeringscentrum aan de Taag. 'Quando Porto trabalha Lisboa canta’ (Lissabon zingt terwijl Porto werkt), is een gevleugelde uitdrukking uit die tijd. Salazar duldde niet dat Porto op enigerlei wijze zou tornen aan de macht van Lissabon. Daar ging hij heel ver in. Toen voetbalclub Porto in 1940 het zwaar door de regering gesteunde Benfica dreigde te overvleugelen, sloeg de Pide toe door twee Hongaarse stervoetballers van 'os dragoŸes’ (de draken) uit Porto als spionnen in de ketenen te slaan en het land uit te wijzen, zo berichtte recent de krant Jornal de Noticias. Een der spelers bleek later gefusilleerd.
Voor deze en andere praktijken zoekt Porto nog altijd wraak, en niet alleen op het voetbalveld. Toen Lissabon de Expo '98 kreeg toegewezen, was het protest in de stad in het noorden dan ook niet van de lucht. Ook in het relatief kleine Portugal dreigt een noord-zuidconflict. Het oprakelen van oude wandaden als de moord op generaal Delgado zou olie op het vuur zijn. De regering Guterres, die een 'revolutie met kalmte’ belooft, kijkt liever vooruit, In de virtual reality van de Expo aan de Taag.