Engeland: In de straten van Londen

Wachten op de sloopkogel

In Londen gaan de kinderen van rijken en armen naar verschillende scholen, maar op straat of op het sportveld komen ze elkaar nog wel tegen. Voor hoe lang nog?

Medium schooluniform

Ons zoontje keek ernaar uit. Zijn vriendjes Alex en Leonardo, een tweeling van zes, zouden enkele maanden bij ons komen logeren. Hun moeder, een alleenstaande en werkloze vrouw van in de veertig, had een brief van de huiseigenaar gekregen waarin stond dat hij weer de beschikking wilde hebben over zijn verhuurde woning. Nieuw onderdak vinden was een probleem. Een sociale huurwoning kan de gemeente vooralsnog niet aanbieden en zonder een baan is het onmogelijk iets particuliers te vinden. Familie hebben ze niet en de vader des huizes is jaren geleden met de noorderzon vertrokken. De deur van onze logeerkamer stond open, maar uiteindelijk koos de moeder ervoor een uitzetting uit te lokken. Dat is de enige manier om tegenwoordig hulp te krijgen in wat er rest van de Britse verzorgingsstaat.

We kennen het bijna dakloze gezin via de lagere school, hier in Zuidoost-Londen. Het is een staatsschool die traditioneel in de middenmoot van de ranglijsten bungelt. De overwegend blanke ouders behoren tot de arbeidersklasse, de lagere middenklasse en de gewone middenklasse, van buschauffeur en verpleegster tot data-analist. Scholieren dragen blauwe truitjes en zwarte broeken, een tikkie slonzig soms. Het is een contrast met de privé-school vierhonderd meter verderop, waar de groen-paarse uniformen, met stropdas, onberispelijk dienen te worden gedragen. De meisjes zijn getooid met rieten hoedjes en de jongens met Sherlock Holmes-achtige petjes. Het is ook een buurtschool, maar dan voor ouders die vijftienduizend euro per jaar kunnen missen. Dit zijn de kinderen van advocaten, bankiers en diplomaten.

Het levenstraject van de kinderen is eigenlijk al uitgestippeld en ze zullen goeddeels in de voetsporen van hun ouders treden. De bloeiperiode van de meritocratie, van 1960 tot 1990, in Engeland is voorbij. Of het gaat om theater, politiek of zakenleven: in vrijwel alle sectoren overheersen mensen die particulier onderwijs hebben genoten. Het ‘we are all in this together’ van premier Cameron klinkt steeds holler. Dat de nieuwe minister van Sociale Zaken van een staatsschool kwam, was dan ook voorpaginanieuws.

Ook zonder ze te kennen kun je precies horen welke kinderen naar particuliere scholen gaan

Op onderwijsgebied is de door Robert Putnam in Our Kids gesignaleerde ongelijkheid hier dus zeker aanwezig. Het niveauverschil tussen de staats- en particuliere scholen is evident. Maar de leefwerelden zijn niet totaal gescheiden. Nog niet, althans. Dat is te merken op het rugbyveld van Blackheath, hier om de hoek. Wekelijks vind ik mezelf terug tussen andere rugbyouders, van elektromonteurs tot vermogensbeheerders. Hetzelfde geldt voor het appartementencomplex waar we wonen, waar de kleine even makkelijk speelt met zijn schoolvriendjes als met de kinderen die naar de privé-scholen gaan. Voetbal, tikkertje en Star Wars zijn klassenbestendig. Voor de ouders kan zo’n mix juist confronterend zijn, jaloersmakend zelfs.

Je begint te begrijpen waarom Pygmalion nog altijd zo’n succes is, het stuk van George Bernard Shaw waar professor Higgins en kolonel Pickering het bloemenmeisje Eliza het Queen’s English leren spreken. Ook zonder ze te kennen kun je precies horen welke kinderen naar particuliere scholen gaan. Ze beginnen zinnen met woorden als ‘basically’ en ze vergeten de medeklinkers niet die aan het einde van de zinnen staan. Kortom, mijn zoontje kan als het zo doorgaat een rol in Eastenders tegemoet zien. Al spelend neemt hij evenwel het ‘nette’ taalgebruik van zijn rijkere vriendjes over. Op straat en het sportveld vindt plaats wat op school zou moeten gebeuren.

Anders dan in Parijs, waar er een groot verschil bestaat tussen mensen die binnen en buiten de Boulevard Périphérique resideren, zijn er in de Britse metropool veel straten waar aan de ene kant Victoriaanse villa’s staan en aan de andere kant goedkope naoorlogse flats. Die laatste vormen zogeheten ‘council estates’, letterlijk: ‘gemeentelijke landgoederen’. Ze zien er vaak aftands uit, maar zijn in de beste tradities van volkshuisvesting gebouwd, iets waarvan namen als Magnolia House en Salisbury House getuigen. Oudere bewoners noemen zich soms trots ‘council house people’. Huren was geen schande.

Van die solidariteit is steeds minder over. In de jaren tachtig werd begonnen met de massale verkoop van deze gemeentewoningen. Aan het begrip ‘council house’ ging een stigma kleven. Het werd iets waar je op heroïsche wijze uit moest ontsnappen, een soort open gevangenis. De beter gelegen gemeentewoningen veranderden, na een likje verf, in dure koopwoningen of pensioenpotten voor huisjesmelkers. Er zouden amper nieuwe meer bij komen, simpelweg omdat het bouwen ervan niet lucratief is. Er bestaan nog ‘council estates’. Die worden ‘sink estates’ genoemd, verwaarloosde plekken die wachten op de sloopkogel van een projectontwikkelaar. Dezelfde ontwikkeling gaat komende jaren plaatsvinden bij woningcorporaties, die hun bezit op de vrije markt moeten gooien.

Daar komt bij dat de halve binnenstad inmiddels is opgekocht door buitenlandse investeerders en de regering steeds verder bezuinigt op de bijstand. Het voorspelbare gevolg is dat Londen onbetaalbaar aan het worden is voor de minder gesitueerden. Burgemeester Boris Johnson sprak zelfs over sociale zuivering, zonder daar overigens veel tegen te ondernemen. Mensen die het zich niet kunnen veroorloven om in de stad te blijven wonen trekken naar de oostelijke rafelranden of naar steden als Brighton, Bristol of Birmingham. Hierdoor zal de stad het bijzondere, gemengde karakter verliezen. Wanneer de moeder van Alex en Leonardo ondanks honderden sollicitaties geen emplooi weet te vinden en de uitzetting doorgaat, zal de gemeente gedwongen zijn een huurwoning te zoeken. De kans is uiterst gering dat deze in Londen staat.