Essay: Is Nederland veranderd?

Wachten op een ethisch reveil

De gebeurtenissen in 2002 hebben de indruk doen ontstaan dat er in Nederland iets ingrijpend is veranderd. Is die conclusie wel juist? Vindt ze voldoende steun in de feiten? Is de politieke kaart nu werkelijk zo heel anders dan bijvoorbeeld dertig jaar geleden? Een terugblik en een voorzichtig kijkje in de — politieke en sociale — toekomst van Nederland.

In de Nederlandse werkelijkheid vertoont het jaar 2002 een dermate vreemde politieke constellatie dat wij ons met zorg afvragen waartoe die kan worden herleid. Wat het eerst opvalt, zijn duidelijke tekenen van onbehagen en onvrede. Laten we eens de mentale en politieke posities nagaan van de voornaamste bevolkingsgroepen in het land zoals zij die in het begin van dat jaar innamen.

Ten eerste is er de grote categorie van katholieke en protestantse huize. Voor velen die daartoe behoren, is de betekenis van die achtergrond nogal vervaagd. De waarheden van de Kerk worden in toenemende mate betwijfeld en daardoor zijn hun vele van de vroegere zekerheden ontvallen. De kerk bezoeken ze nog maar zelden. Een deel van deze groep stemt echter gewoontegetrouw CDA. Een ander deel heeft een niet altijd bevredigend tehuis elders gevonden: ter linker- of ter rechterzijde. Sommigen van hen stemmen slechts bij uitzondering of helemaal niet; ze zijn politiek moe en zien geen partij waarbij zij zich met overtuiging kunnen aansluiten. De mallemolen draait ook wel als zij niet naar de stembus gaan, menen zij, en draait hij niet, dan kunnen zij die met hun ene stem toch niet in beweging brengen.

Vervolgens is er een eveneens grote groepering die stamt uit wat men vroeger de «proletarische klasse» noemde. Eens ontleende deze sociale categorie een zekere status aan dat predikaat. Ontberingen ten spijt was het volgens de marxistische doctrine immers de klasse die de toekomst zou beërven en een eind zou maken aan de menselijke «voorgeschiedenis van onvrijheid en onderdrukking». De vaders hebben er krom voor gelegen om de kinderen een betere opleiding te geven dan zij zelf hadden genoten, en met succes. Onder hun nakomelingen zijn nu velen ambtenaar, manager, leraar of zelfs hoogleraar. De begrippen proletariaat en klasse zijn echter in onbruik geraakt. Niet omdat die maatschappelijke groepen nu de wereld uit zijn, maar omdat de belangrijkste partij die hen eens representeerde, in haar drang naar «het midden» en naar regeringsmacht, voor een versluierend taalgebruik heeft gekozen. Er werd veelal beweerd dat zulke termen niet meer van deze tijd zijn en wie modern wilde zijn, gehoorzaamde de trend en ging dus anders praten. Dat geeft wel een verlies aan nestwarmte, maar een nieuw begrip «individualiteit», zo eenzaam als het de mensen positioneert, schenkt een plaatsvervangende status.

Voor velen van hen is de gang naar de stembus minder eenvoudig geworden. De stijging op de sociale ladder heeft sommigen ertoe gebracht «rationeel» en «pragmatisch» te stemmen, dus D66. Een grote meerderheid is inmiddels in verwarring geraakt, maar stemt nog steeds Partij van de Arbeid — meestal uit gewoonte en soms uit eerbetoon aan het verleden. Een idealistische bovenlaag, die zich in deze duffe, kille omgeving erg onbehaaglijk voelde, heeft zijn toevlucht gezocht bij GroenLinks. En wie — ook al is het alleen maar uit protest tegen de kapitalistische suprematie — aan socialistische ideeën wil vasthouden en de oude, niet geheel overwonnen toestanden bij hun oude namen wil noemen, stemt SP.

Dan is er een derde, zeer versplinterde groep, die binnen de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie verwantschappen tracht te vinden. De volgelingen doen het voorkomen alsof het het beginsel van vrijheid is dat hun keuze bepaalt, maar een belangrijker element dat hen bindt, lijkt toch wel materiële baat te zijn.

De ideologische schakeringen in de VVD beslaan een scala tussen ongebreideld libertinisme en rigide conservatisme. Een exploitant van een bordeel hoort er evengoed in thuis als een weduwe met een aandelenportefeuille, een bonafide kunsthandelaar, een frauduleuze bouwondernemer en een beslist integere directeur van een multinational.

Wat haar politieke achtergronden betreft sluit de partij aan bij de klassieke denkbeelden van Adam Smith. Deze grondlegger van het economisch liberalisme geloofde in de zegeningen van het individuele initiatief en van de vrije markt; die zouden tot een samenleving van welvaart en tolerantie leiden. Hij nam daarbij aan dat de «natuurlijke sympathie» van de mens voor de medemens voor de nodige zelfbeheersing zou zorgen, en het eigenbelang niet de grenzen van het algemeen belang te buiten zou gaan. Sinds zijn optreden is er een en ander aan de dag getreden dat zijn optimistische verwachtingen logenstraft. De moraliteit waarop hij meende te kunnen bouwen, bleek niet opgewassen te zijn tegen diepgeworteld egoïsme, irrationaliteit en agressie. Rijk en arm kwamen tegenover elkaar te staan en onder deze omstandigheden ontwikkelde de liberale beweging zich tot een instituut dat voornamelijk hen die rijk waren of die er doelgericht naar streefden, bescherming bood. Zo werd het liberalisme niet alleen de kerk van het plutocratisch evangelie, maar ook een macht die vooral economische priesters een dominante rol probeerde te verlenen bij het bepalen van het maatschappelijk beleid. Uit die hoek vernemen wij dat het leven in de huidige wereld voornamelijk om innovatie en «groei» draait. Dynamiek is de kreet en de vraag of die het geluksgevoel van de mensheid bevordert, doet daarbij kennelijk niet ter zake.

Aan die boodschap gaat een groot deel van het publiek met desinteresse voorbij. Velen hebben een vaag gevoel dat het menselijk welbevinden nog wel andere bronnen heeft. Het nooit eindigende gekrakeel van politici over economische kwesties vatten zij op als een testimonium paupertatis. Vooraanstaande geleerden die de laatste tijd betogen dat de overtuigingskracht van economische theorieën in belangrijke mate op retoriek berust en dat het voorspellende vermogen van de economische wetenschap niet veel groter is dan dat van astrologie, verhogen niet het vertrouwen in bestuurders-economen.

Al die verschijnselen krijgen bij de VVD slechts geringe aandacht; de partij wordt gebiologeerd door de groei van het sociale midden en ziet daarin een belofte de grootste partij in Nederland te zullen worden.

Er is nog een andere zeer verscheiden groep, die in de caleidoscoop van de Nederlandse werkelijkheid krachtige reflecties uitzendt: de allochtonen. Of we er nu gelukkig of ongelukkig mee zijn, Nederland is na de Tweede Wereldoorlog een immigratieland geworden en telt nu ongeveer drie miljoen inwoners die tot uiteenlopende minderheden behoren. Deze allochtonen laten zich niet meer uit het beeld van de Nederlandse samenleving wegdenken. Er zijn getto’s en «zwarte scholen» ontstaan, er zijn moskeeën en tempels verrezen; een proces van ontworteling heeft helaas tot de vorming van een zelfkant geleid waarin vele jonge criminelen opereren. Autochtonen en allochtonen houden elkaar in een krachtige houdgreep gevangen. De onlosmakelijke omarming gaat voor alle be trokkenen gepaard met onbehagen en onvrede. Onvrede die soms in woede en haat omslaat. Onbehagen dat in de wijken van sociaal zwakken als pijn wordt ervaren. Omstandigheden waaruit zowel bij autochtonen als allochtonen onderlinge afkeer voortkomt. Het zou anders moeten, maar het is niet anders. Uit hulpeloosheid groeit opstandigheid.

We hebben de verschillende groeperingen in ogenschouw genomen, ongeacht de leeftijdscategorieën die erin vertegenwoordigd zijn. Betrekken we de generaties in onze bestands analyse, dan treden we een andere dimensie binnen. Opvallend zijn hun snelle opvolging en hun sterk afwijkende karakteristieken: sociaal betrokken, gepassioneerd, dan weer carrière gericht, narcistisch, of ongeduldig, opstandig, ruw. Ze begrijpen elkaar steeds minder, verstaan elkaar steeds slechter.

Na de Tweede Wereldoorlog nam de moralistische controle van de zuilen snel af; tegelijkertijd kregen de op lustbeleven gerichte boodschappen van commercie, reclame en hedonistisch gerichte media steeds meer vat op jongeren. In het mentale mengsel dat zich uit dat geheel heeft gevormd, overheersen de elementen van individualisme boven die van gemeenschapszin, van maatschappelijke onverschilligheid boven die van engagement, van geestelijke inertie boven die van waarheidsvinding, van een egoïstisch verlangen voor zichzelf de krenten uit het gemeenschapsbrood te pikken boven de bereidheid eerlijk met anderen te delen.

Dat waren enkele aspecten van de Nederlandse werkelijkheid in het begin van het jaar 2002. Onderhuids verborg zich veel ontevredenheid die geen adequate vormen vond om zich naar buiten toe te manifesteren.

Fantasieloze, zelfingenomen, autoritaire machthebbers, die in de waan verkeerden dat zij op onnavolgbare wijze het algemeen belang dienden, sloegen weinig acht op de wrok en wrevel die bij velen in ons polderland gingen opspelen. Eén man wist het onbehagen met een ratjetoe van woorden te vertolken. Steunend op zijn kwaliteiten van populist kreeg hij binnen de kortste keren een aanhang van hoogst ongelijksoortige bewonderaars achter zich. De onzekere regenten joeg hij de stuipen op het lijf. Ze schoten in een reflex en probeerden hem door een tweeslachtige rangschikking onder fascisten onschadelijk te maken. Een werkelijke gelijkenis met die historische gesels der mensheid vertoonde hij echter niet. Misschien had hij de autoriteit verworven om iets in dit stilgevallen land te bewegen; of misschien was hij toch niet meer dan een schaap in gesoigneerde schaapskleren en had hij zich in de politieke praktijk van alledag, met haar vele chaotische tendenties, even weinig raad geweten als zo vele anderen die hoog vallen. We zullen het niet weten. Toen een vijandige megalomaan hem van het leven had beroofd, werden bij een aanzienlijk deel van de Nederlandse natie merkwaardige sentimenten van identificatie opgeroepen en meenden meer dan anderhalf miljoen kiezers voor zijn «gedachtegoed» te moeten stemmen. Onder hen bevonden zich alle categorieën en kwamen alle psychische constellaties voor waarvan hierboven sprake is geweest. Een zeldzame vereniging van zwevende kiezers gehoorzaamde de aantrekkingskracht van een magneet, die snel afzwakte toen de man in het centrum zijn greep had verloren.

Er kwamen verkiezingen met bijna schokkende uitslagen, waarop zonderlinge figuren in de Tweede Kamer verschenen en zo mogelijk nog zonderlinger in het kabinet. Het kreupele fantoom hield zich nog geen half jaar staande.

De gebeurtenissen in het jaar 2002 hebben de indruk doen ontstaan dat er in Nederland iets ingrijpend is veranderd. Zoals dat wel vaker gebeurt, ziet men dan een aanleiding te roepen dat de wereld nooit meer zo zal zijn als ze geweest is — dat beperkt zich dan soms alleen tot het bescheiden Nederlandse wereldje.

Is die conclusie wel juist? Vindt ze voldoende steun in de feiten? Is de politieke kaart van Nederland nu werkelijk zo heel anders dan bijvoorbeeld dertig jaar geleden? Een blik in het verleden geeft ons de gelegenheid de verkiezingsuitslagen van 2002 globaal te vergelijken met die van 1972. Vervolgens kunnen we een blik in de toekomst werpen aan de hand van de resultaten van opiniepeilingen voor de verkiezingen van 2003. Het gaat om het spectrum extreem links tot neoliberaal — christelijk — rechts-liberaal tot conservatief. De cijfers daaronder vermelden de gemiddelden van de peilingen (zie tabel).

Mocht de prognose voor 2003 bewaarheid worden, dan zijn de krachtsverhoudingen tussen de drie kampen weinig veranderd en was 2002 slechts een incident. Wel hebben er verschuivingen binnen de kampen plaatsgehad. De linkervleugel van links en de rechtervleugel van rechts hebben allebei aan kracht gewonnen, terwijl de sociale en de behoudende vleugels van de christelijken wat verder uit elkaar zijn geraakt dan in 1972. In dat geval zou er wel sprake zijn van enige polarisatie.

Wat de cijfers niet weergeven, maar de barometer van de politieke atmosfeer wél laat zien, is dat de relatie van de diverse bevolkingsgroepen tot de partijen en de relatie van de partijen tot de bevolkingsgroepen anders is dan dertig jaar geleden. In de jaren zeventig was het verlangen bij de partijen om hun «ideologische veren af te schudden» nog nauwelijks aanwezig. Wel was de oprichting van D66 een voorbode van die ontwikkeling. Nu, in 2002, is de ontideologisering van de grootste drie partijen zo ver gevorderd dat het studie vergt te ontdekken waar ze eigenlijk voor staan. De Partij van de Arbeid is voornamelijk een bestuurderspartij geworden met vage reminiscenties aan vroegere socialistische idealen. Er is geen geïntegreerde, toegankelijke maatschappijbeschouwing meer die voor iedereen een leidraad vormt en het hangt vaak van de toevallige vooringenomenheden van die bestuurders af welke inhouden door de partij worden benadrukt.

Het CDA verkondigt nog wel dat het christendom zijn inspiratiebron is, maar het heeft in de politieke praktijk zijn ideologie zozeer versmald dat weinig nog aan de Bergrede van Jezus en aan Corinthiërs 13 van de brief van Paulus herinnert. Misschien is de VVD nog het meest zichzelf gebleven. In de late jaren veertig rekruteerde ze haar aanhangers uit gelederen die de koloniën niet wilden prijsgeven en die onmiskenbaar de geest van «halen, hebben, houden» representeerden. Tot op de dag van vandaag draagt zij die geest uit en daarom voelen ondernemers zich er zo goed in thuis. Aangezien de sociale werkelijkheid ook wel eens tot de VVD doordringt, hield de partij een aantal jaren geleden een conferentie over communitaristische ideeën die uit de Verenigde Staten waren overgewaaid. Deze behelsden dat de materialistische moderniteit behoort te worden afgezworen. Na lang praten vatte de dagsluiter de discussie samen met de constatering dat het communitarisme als academische theorie wel interessant is, maar dat het voor de praktische politiek slechts geringe betekenis heeft. «De vage ongerustheid over maatschappelijke ontwikkelingen waaraan politiek-actieve communitaristen uiting geven, kan moeilijk de basis vormen voor een politieke beweging», sprak hij. «In Europa, en zeker in Nederland denkt men al traditioneel communitaristisch, zodat voor een door de gemeenschapsdenkers wenselijk geacht ethisch reveil minder reden bestaat dan in de Verenigde Staten.» Deze uitkomst betekende groen licht voor het opportunistisch zwalken van de VVD, gericht op stemmenwinst en gespeend van enige visie op de toekomst.

Decennia geleden vroeg onze toenmalige premier Dries van Agt om een ethisch reveil. Nederland voelde zich toen ethisch genoeg om zijn oproep in de wind te slaan. Het jaar 2002 is echter het jaar geworden waarin «normen en waarden» plotseling een grote actualiteit kregen. Wat men er ook van mag denken, in de politiek begint het pragmatisme zonder ethische grondslag zijn aantrekkelijkheid en overtuigingskracht te verliezen. Het lijkt waarschijnlijk dat de «verweesde» en verdwaalde kiezers steeds nadrukkelijker naar een ethische benadering zullen verlangen, dat wil zeggen naar politieke grondslagen die antwoord geven op levensbeschouwelijke vragen met betrekking tot de samenleving. Er is vaak gezegd dat het electoraat naar rechts opschuift. Of dat werkelijk zo is, wordt in hetzelfde jaar 2002 waarin de rechtse LPF als een komeet omhoogschoot en weer neerviel, alweer twijfelachtig.

Mensen laten zelden andere ideeën door hun hoofd gaan dan de ideeën die hun worden aangeboden. Zou het niemand zijn opgevallen dat de bazuinen van de media al een reeks van jaren stellingen verkondigden van rechtse signatuur? Hier volgen er enkele:

– het socialisme is mislukt; het heeft tot vrijheidsbeperking, bureaucratie, armoede en bijgevolg tot geestelijke en materiële crises geleid;

– de mens is geen wezen dat zich wel voelt in een collectivis tisch georiënteerde samenleving;

– een gericht streven naar wereldverbetering is zinloos gebleken; het heeft bijgevolg zijn bekoring voor de ontideologiseerde moderne mens verloren;

– de mensen zijn mondig geworden; zij weten wat goed voor hen is en hebben geen behoefte aan een boven hen gestelde autoriteit die hun voorschrijft wat te mogen en te moeten willen;

– de resultaten van individueel egoïsme dragen bij tot verrijking van de gemeenschap;

– de staat moet de voorwaarden scheppen voor een vrije markt en ongelimiteerde concurrentie opdat economische groei, innovatie en toenemende welvaart worden gewaarborgd;

– het particuliere initiatief is superieur aan ambtelijke leiding en dient die daarom optimaal te vervangen;

– denivellering van inkomens bevordert het initiatief, komt de ondernemingslust ten goede en leidt tot verruiming van de werkgelegenheid;

Men had mogen verwachten dat sociaal-democraten die stellingen hevig zouden bestrijden, maar dat deden ze uitermate defensief en wankelmoedig. Men behoeft geen socialist te zijn om de meeste stellingen nogal aanvechtbaar te vinden. Het socialisme is alleen beproefd in onderontwikkelde landen met een autoritaire tot despotische structuur en nooit in een westers industrieland met een democratische traditie. Niettemin heeft men van de mislukte experimenten kunnen leren dat de grootste bedreiging voor een democratische samenleving — socialistisch of niet — de bureaucratie is.

Dat de mensen geen behoefte meer zouden hebben aan ideologie is een kreet die langzaam weer wegsterft. In Azië is er eerder sprake van een teveel aan ideologie, en in het Westen leven de mensen bewust of onbewust in afwachting van een nieuwe zingeving die hen zou kunnen verwarmen en het gemeenschapsgevoel herstellen.

Sinds enkele decennia horen wij dat de mensen mondig zijn geworden en dat zij weten wat goed voor hen is. Uit de afkeer van politiek die velen demonstreren, de onverschilligheid tegenover de verwoesting van de natuur, de onwil tot enige versobering is dat niet op te maken.

Wat het positieve van grote inkomensverschillen betreft: het liberale laissez-faire heeft ertoe geleid dat topmanagers van de grote bedrijven soms honderd keer zo veel verdienen als arbeiders. Komt dat de welvaart ten goede? Volgens de Amerikaanse econoom Galbraith heeft die theorie geen redelijke, maar een religieuze grondslag «omdat de visie dat als je alles maar op zijn beloop laat de dingen vanzelf goed komen, niet op empirisch onderzoek berust, niet op een flard van bewijs, en zelfs niet op aanwijzingen, maar alleen op een soort theologie».

De zelfgenoegzame, welgedane middenklasse die niet meer gelooft in de verzorgingsstaat en de rechts-liberalen die haar belangen verdedigen, zijn vandaag de dag de meest te duchten doodgravers van de democratische samenleving. Wie de vrijheid wil redden, zal nieuwe impulsen aan de ontwikkeling van sociale gerechtigheid moeten geven.

Een systeem waarin de mensen er zijn voor de economie en niet de economie voor de mensen zal vrijwel zeker aan zijn eigen onmenselijkheid te gronde gaan. Overgeleverd aan zijn intrinsieke dynamiek zal het echter een soortgelijk maatschappelijk maanlandschap achterlaten als het communisme in de voormalige Sovjet-Unie.

Er is een revolutionaire heroriëntering nodig om de vrijheid in stand te houden. Bijdragen daartoe kunnen alleen verwacht worden van wijze denkers-politici, figuren met geest, autoriteit en charisma die op dit ogenblik in geen velden of wegen te bekennen zijn. Het waren in de twintigste eeuw steeds «grote mannen» die de sociale ontbinding van het Westen hebben voorkomen. De meesten die geschiedenis hebben gemaakt, waren niet van linkse huize. De onderscheiding van revolutionair siert een Roosevelt, een Churchill, een de Gaulle en zelfs een Adenauer. Het zullen ook in deze tijd niet noodzakelijkerwijs socialisten behoeven te zijn die een geestelijke omwenteling initiëren. Maar het is ook niet onmogelijk dat zij juist uit linkse hoek zullen komen. De laatste decennia zijn er weinig politici van dat illustere, inspirerende formaat aan het maatschappelijk firmament verschenen. Onverwacht echter kan er weer een selectie begaafde, spirituele figuren uit de hemel vallen die als zodanig herkend en erkend worden.