Wachten op het offer

Als ik voor de radio een Rusland-deskundige interview, vraag ik altijd of je Poetin met Hitler kunt vergelijken.

Het is – tot nu toe – een antwoord dat altijd tot enig nadenken stemt.

Ja… nee… Al snel spreekt men over de politiek van de revanche, maar ook zegt men dat Poetin waarschijnlijk geen antisemiet is.

En natuurlijk zijn vergelijkingen met Hitler uit den boze, want je slaat er ieder gesprek mee dood. Maar mij gaat het meer om de vraag: moet ik me zorgen maken?

Zijn we, hier in Nederland, een paar stappen verwijderd van oorlog?

Dat gelooft niemand – ik eigenlijk ook niet – maar ik moet altijd denken aan mijn ouders die zeiden dat zij, studenten in de jaren dertig, wel over Duitsland en Hitler spraken en het nazisme, maar een oorlog niet serieus overwogen.

Hadden we destijds feller tegen Hitler moeten optreden? Ja, zeker in het begin.

Moeten we ons dan nu niet, als Poetin ook maar enigszins op Hitler lijkt, harder tegen Poetin opstellen?

Weer die twijfel.

Morele vragen en eigenbelang zijn hier met elkaar in strijd. Dat heeft, volgens mij, te maken met het onderschatte begrip ‘offer’.

Sancties, harde maatregelen, vergen uiteindelijk een offer. Je voelt je gedwongen iets weg te geven in de wetenschap dat je er mogelijk niets voor terugkrijgt. Het grootste offer is natuurlijk het mensenoffer. Het leger wordt ingezet, of wij steunen een leger zodat een ander leger sterker wordt.

Moeten er straks miljarden naar Oekraïne, om de ­Russische hond van een ­lekker kluifje af te houden?

Wanneer doe je dat?

Een offer breng je – je schenkt het nooit. In het taalgebruik ligt enige tegenzin besloten. Een offer moet je namelijk kunnen rechtvaardigen. Dat maakt een offer vaak dubieus. Wanneer is dat offer rechtvaardig? Wie gaat daarover? Wie neemt de uiteindelijke beslissing? Welke criteria leg je aan?

Op het ogenblik moeten er grote internationale beslissingen worden genomen: over Rusland, over de EU. Tegelijkertijd voelen we dat ons democratisch stelsel ouderwets aandoet. Democratie begint steeds meer op een vastlopende machine te lijken en we kunnen steeds slechter de juiste oliespuitjes, tangetje, sleutels en moertjes vinden om het allemaal soepel te laten ronken. Daardoor worden de morele fundamenten waarop onze rechtvaardigheid rust dunner en brozer. Moeten er straks miljarden (onze miljarden moet je dan zeggen) naar Oekraïne, om de likkebaardende Russische hond van een lekker kluifje af te houden? We sturen al (onze) miljarden naar Griekenland, wat we al ervaren als ‘crime does pay’.

We weten niet hoe we over de zaken precies moeten denken, en de denkers die dat wel weten, zijn onderling verdeeld.

De politiek van het handelen naar bevind van zaken uit onzekerheid.

Het wachten is op welk offer ons wordt opgelegd – want zo zal het aanvoelen.

Ik merk in mijn eigen kleine leventje hoe wispelturig ik over offers denk.

Waar offers voor mij persoonlijk belangrijk zijn (mijn gezondheid bijvoorbeeld) laat ik het vaak na, maar als ik er een publiek doel mee zou kunnen dienen, offer ik makkelijker. De pijn van het minder eten, treft me meer dan de pijn in mijn portemonnee. Goed beschouwd zit daar logica in. De primatoloog en etholoog Frans de Waal mag vaak op een filmpje wijzen waaruit blijkt dat apen zich onrechtvaardig behandeld kunnen voelen. De ene aap krijgt zomaar een stukje komkommer, de andere aap zomaar een druif. Die aap die slechts een komkommer krijgt, pikt dat uiteindelijk niet. Ook bij het spelen van de Ultimatum Game – de ene speler moet de andere een voorstel doen over de verdeling van een beloning – blijken apen gevoel voor rechtvaardigheid te bezitten. Ze brengen offers.

Wij mensen zullen zo’n gevoel voor rechtvaardigheid ook hebben, neemt men aan.

Maar hoe hoger een beschaving is, hoe meer we onze rechtvaardige motieven naar onze hand kunnen zetten. ‘We willen uiteindelijk een betere wereld.’ Dat rechtvaardigt alles – maar is levensgevaarlijk.