Illegaliteit: De Vluchtkerk als intermezzo

Wachten op het ongewisse

Voor de 120 uitgeprocedeerde asielzoekers in de St. Josephkerk in Amsterdam bestaan de dagen vooral uit wachten. Het net rond illegalen wordt steeds strakker aangehaald, en illegaliteit wordt straks strafbaar. Wat weten we over deze mensen? Hoe ziet hun leven eruit? Op de volgende pagina’s belichten we de donkere wereld van de illegalen en de afmattende strijd die ze vaak voeren.

Medium joseph2013feb00123

Rond een uur of tien valt er nog weinig daglicht door de hoge ramen naar binnen. Onder de betonnen gewelven van de St. Josephkerk in Amsterdam-West is het donker en koud. ’s Ochtends is het er bijna uitgestorven. De 120 bewoners van de Vluchtkerk, zoals het gebouw nu wordt genoemd, blijven liever wat langer in bed liggen, anders duurt de dag zo lang. Het geluid dat de aanwezige vrijwilligers maken waaiert uit en lost op in de hoge ruimte.

Achter het altaar, in de geïmproviseerde keuken, staat de Somalische Fatima in een pan dampende soep te roeren. Mama Fatima wordt ze genoemd. Ze kookt vaak voor de rest, houdt de groep bij elkaar en sust de boel als er ruzie is. ‘Hey Mama’, knikken de eerste bewoners die de keuken in komen op zoek naar koffie. Fatima keert een pot witte bonen om boven de pan, kijkt om zich heen en zucht. Een van de hoeken van de keuken staat onder water, maar er is nog niemand om daar iets aan te doen. Ze schudt haar hoofd, gebaart naar de dichte deuren van de slaapkamers en zegt: ‘Mensen moeten iets gaan doen. Slapen is geen therapie.’

De bewoners van de Vluchtkerk proberen de kou te verjagen met extra kachels. Daardoor ontstaat er vaak kortsluiting of raakt het systeem overbelast en valt de stroom uit. Ook vandaag blijft het licht uit en de verwarming koud. Mensen die al wakker zijn sjokken voorbij, dik ingepakt in een paar lagen kleding. Ali uit Noord-Soedan heeft een zorgelijke blik in zijn ogen. Met een knijpkat in zijn hand gaat hij door een zijdeur de trap af naar de kelderruimtes. Hij schijnt met het kleine lampje in een van de kamers, waar een laag bruin water staat. ‘Problem’, mompelt hij nerveus. ‘Dangerous.’ Door de stroomstoring werkt ook de waterpomp in de afvoer van de keuken niet. De gootsteen is overstroomd, de keukenvloer staat onder water en er is lekkage ontstaan in de kelders onder het altaar. Ali richt het lichtpunt van de knijpkat op de elektriciteitssnoeren die over de muren lopen, en dan weer op het water. ‘No good’, zegt hij. ‘Dit is gevaarlijk, vertel dat maar aan de wereld. Mensen slapen in dit gebouw. Dit is geen plek om te wonen.’

Medium josephkerk042013jan13342

Inderdaad, de Vluchtkerk is geen plek om te wonen. Het is een noodoplossing, een intermezzo, of zoals een vrijwilliger zegt: een houtje-touwtje-oplossing. Veel vrijwilligers hebben de afgelopen maanden hun best gedaan om de kerk om te bouwen tot een zo aangenaam mogelijke leefruimte. Er zijn slaapkamers gebouwd tussen de betonnen pilaren, er is verwarming aangelegd en er zijn nu ook heaters neergezet om de haperende verwarming te ondersteunen. Er is een keuken en er zijn sanitaire basisvoorzieningen. Buurtbewoners brachten stoelen en banken waarvan zithoeken zijn gevormd, de muren zijn behangen met posters, tekeningen en spandoeken, er zijn sjoelbakken en pingpongtafels en er is een tafelvoetbalspel. Maar huiselijk wordt de enorme, betonnen jaren-vijftigkerk niet. Het is er vochtig en kil, al verwarmt de nieuw aangelegde terrasverwarming op z’n minst een paar hoeken van de ruimte. Mensen leven dicht op elkaar en slapen soms met veertien man in één kleine slaapkamer. ‘We zijn net familie’, zegt Oumar uit Guinee die nu een bed deelt met iemand die hij hiervoor niet kende. De Somaliër Ahmed vertelt dat vrijwel iedereen ziek is. Hij haalt zijn schouders op als antwoord op de vraag wat de mensen mankeert. ‘Griep en verdriet.’

Nu is de Vluchtkerk ook niet alleen bedoeld om asielzoekers in nood onderdak te verschaffen. Dit is geen opvang, maar een uitvalsbasis van waaruit zij hun eigen protest kunnen voeren, gefaciliteerd door vrijwilligers van de steungroep achter de Vluchtkerk. Want het verhaal van de groep die zich Wij Zijn Hier noemt, begon als een protest. Hun gedeelde problemen met het Nederlandse asielbeleid waren aanleiding om zich te verenigen. Hun belangrijkste doel is om te laten zien dat ook zij hier zijn. Daarom konden ze niet ingaan op de handreiking van burgemeester Eberhard van der Laan, die de groep voor een maand kon onderbrengen in opvangcentra verspreid over het land. Als individu zijn deze illegalen onzichtbaar, als groep vallen ze op. Hun protest is ook een strijd tegen de anonimiteit.

‘Tussen de wal en het schip’ is de frase die steeds terugkeert als het over Wij Zijn Hier gaat. Veel – al is onduidelijk hoeveel – bewoners van de Vluchtkerk zijn ‘niet-uitzetbare vreemdelingen’: uitgeprocedeerde asielzoekers die terug moeten naar hun vaderland maar dat om uiteenlopende redenen niet kunnen. Omdat ze geen papieren hebben en de ambassade niet wil meewerken aan hun terugkeer, bijvoorbeeld. Anderen kunnen of willen niet terug omdat ze bang zijn gedood te worden of gedwongen te worden om te doden. In Nederland mogen ze niet zijn, maar ze kunnen ook niet weg. Na een tijd zwerven komen velen van hen in detentiecentra terecht. Als ze onuitzetbaar blijken, worden ze daar ‘geklinkerd’: letterlijk aan de straatstenen toevertrouwd. Want niemand kan iets met deze groep beginnen. Het protest moet laten zien dat dat probleem niet bij de illegalen zelf ligt, maar dat het een politiek probleem is.

‘Als mensen ondanks het asielbeleid op straat belanden, dan klopt er iets niet aan dat beleid’, zegt Joost Pothast van Stichting Vluchtelingenvandestraat. ‘Dat werd ook weer duidelijk toen het tentenkamp aan de Notweg ontruimd werd. Iedereen werd opgepakt, en de meesten werden na een halve dag al weer op straat gezet terwijl ze nergens heen konden. Dat betekent dat overheid, ind en politie geen uitzetmogelijkheden zien en zich geen raad weten met deze mensen. Er ontbreekt iets in de asielprocedure dat voorkomt dat zoiets kan gebeuren.’

Vluchtelingenvandestraat zet zich in voor de asielzoekers die op deze manier klem zitten in het systeem. De pas opgerichte stichting zoekt nu onderdak voor de groep voor na 31 maart, maar wil zich vooral ook inzetten voor ‘een menswaardige invulling van hun bestaan’. Voorzitter Arie van Driel: ‘We gaan onderhandelen, lobbyen, gesprekken voeren en procederen om een veilige woon- en leefplek op de wereld te realiseren voor deze groep. Mensen die niet terug kunnen, moeten op z’n minst een tijdelijke verblijfsstatus krijgen. In de tussentijd willen we ervoor zorgen dat de mensen kunnen werken of zich kunnen ontwikkelen. Het belangrijkste is dat ze deel gaan uitmaken van de samenleving en een keer niet in de slachtofferrol terechtkomen. Dat is ook wat ze zelf het liefste willen.’

Younis uit Soedan beaamt dat. Van de elf jaar die hij in Nederland is, bracht hij er vier door in detentie. ‘Terwijl ik nooit iets misdaan heb.’ Hij zit op zijn vaste plek in de kerk, op de zwarte bank voor de slaapkamer van de Soedanezen. Hij laat zijn blik over de centrale ruimte dwalen, langs de zithoeken, langs de groepjes mannen die hun dagen vullen met weinig anders dan rondhangen. ‘Ik wil mijn verhaal vertellen, omdat veel te weinig mensen weten wat er in Nederland met illegalen gebeurt’, zegt hij. ‘Als je uitgeprocedeerd bent, heb je een heel zwaar leven. Je mag niks, je kunt niks en je hebt helemaal geen toekomst. Ik ben hier niet omdat ik zo graag jarenlang in Nederland op straat wil leven, zonder eigen plek en zonder familie. Niemand gaat zomaar weg uit zijn eigen land. In de afgelopen elf jaar heb ik mensen gek zien worden van de spanning, ik heb mensen dood zien gaan. Ik probeer anderen te laten denken dat ik sterk ben, maar na elf jaar gespannen wachten ben ik van binnen kapot. Wij zijn allemaal gewone mensen, maar niemand luistert naar ons. Ik ben blij dat we nu bij elkaar zijn en kunnen laten zien wat we eigenlijk willen: een normaal leven, zoals alle andere mensen.’

Bij de partijen die de asielzoekers ondersteunen leeft de overtuiging dat aandacht voor het probleem het begin van een oplossing is. Daarom treedt de groep zo veel mogelijk naar buiten. Er wordt media-aandacht gezocht, als iemand uit de groep voorkomt bij de rechter wordt er gedemonstreerd, en alle geïnteresseerden worden uitgenodigd om in de kerk te komen kijken. De bewoners hebben zelfs een band geformeerd, die al optrad in Paradiso en in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Pothast: ‘We moeten de maatschappelijke discussie aanzwengelen. Pas als die discussie gevoerd wordt, zal de politiek bereid zijn het probleem aan te pakken.’

Medium kerk2012dec11778

Maar na een paar maanden afzien zijn de bewoners moe van het protest en de aandacht. In de kerk hangt de afgelopen tijd niet zozeer een sfeer van begeestering, maar eerder van apathie. Het eerste enthousiasme over een voorlopige uitvalsbasis is verdwenen nu het einde van de periode in de kerk al weer in zicht komt. De golf van aandacht en liefdadigheid rond de kerstdagen is langzaam weggeëbd, net zoals het vuur van de vrijwilligers niet eeuwig blijft branden. Bij de eerste oproep om een was te draaien voor de bewoners werd er massaal gereageerd, maar weinig buren blijven dat vier maanden lang doen. Ook donaties van voedsel en geld lopen terug en de inzameling daarvan heeft steeds nieuwe impulsen nodig. Zo verdwijnt heel langzaam de fut uit het protest. ‘Ik sta al zo vaak op de foto’, klagen de bewoners. ‘Het helpt toch niks.’

De gelatenheid is voelbaar in de kerk. Op de vraag ‘wat ga je vandaag doen?’ antwoordt vrijwel iedereen met een schamper lachje. ‘Wat?’ De mannen in de zithoek van de Franstaligen kijken voor zich uit, schenken nog eens een kop koffie in. ‘Gewoon. Zitten, een beetje eten, praten.’ De dagen bestaan verder voor het grootste deel uit wachten. Maar het is een gespannen wachten op het onbekende. Als er voor 31 maart geen nieuwe noodoplossing komt, staan de asielzoekers op 1 april allemaal weer op straat.

‘Ik heb eigenlijk geen hoop meer’, mompelt Fertuna, een jonge vrouw uit Eritrea die zegt dat ze haar bed in het vrouwenvertrek alleen uit komt om te eten. ‘Ik heb niemand meer, ik ben al twee jaar alleen. Ik heb geen eigen plek, ik heb last van stress en heb geen zin om met mensen te praten. Ik kan niet terug naar Eritrea en ik kan verder ook nergens naartoe.’ Ze schudt mismoedig haar hoofd en laat het terugzakken op het hoofdkussen. ‘Ik heb geen hoop meer’, zegt ze nog een keer.

‘Je moet je voorstellen dat de mensen hier nooit een moment voor zichzelf hebben’, zegt vrijwilliger Anne. ‘De meesten kunnen hier nooit even weg. Ze zijn alle controle over hun leven kwijt. Ze hebben geen geld, kunnen niet kiezen wat ze eten en dragen de kleren van andere mensen. Alles in hun leven wordt door anderen bepaald en geregeld, en dat werkt heel verlammend.’

Daar komt nog eens bij dat de groep heel divers is en eigenlijk alleen verbonden door ieders situatie. ‘Het enige wat deze mensen delen is een probleem’, zegt vrijwilliger Inger. ‘Ze komen uit verschillende landen en hebben verschillende culturen en religies. Sommige van die landen zijn ook nog eens met elkaar in conflict. Deze mensen leven hier onder zware omstandigheden dicht op elkaar en hebben nauwelijks privacy. Er ontstaan wel eens irritaties, want iedereen is depressief, gestrest, moe, ziek of getraumatiseerd.’

Ook dat laatste speelt een rol in de kwestie van aandacht. Sommige Vluchtkerk-bewoners willen uit angst voor herkenning niet te veel op de voorgrond treden. Anderen zijn voortdurend bang om weer te moeten vluchten. Zo is er een man die altijd met een tas vol spullen rondloopt, alsof hij op ieder moment zou kunnen vertrekken. En op de dag van de lekkage komt een van de bewoners ’s middags vragen: ‘Zijn er foto’s gemaakt van de overstroming in de kelder? We willen namelijk liever niet dat die gepubliceerd worden.’ Want ook daar zit angst: wat komt er nog na de Vluchtkerk? Als de groep door brandweer, ggd of politie uit het gebouw gezet zou worden, is er in principe geen volgende optie. Het leven in de kerk valt niet mee, maar een dak boven je hoofd is nog altijd beter dan vogelvrij buiten te leven.

Terwijl er verder gezocht wordt naar onderdak voor de asielzoekers en naar mogelijkheden om hun protest te blijven faciliteren, kunnen de bewoners weinig meer doen dan wachten. Voor sommigen is het na zoveel maanden ontberingen mooi geweest. De veerkracht is eruit. Bij de balie naast de deur staat Ahmed, gekleed in een dun bloesje. Toen de verwarming uitviel had hij zijn warme kleren net meegegeven aan een buurtbewoner die de was voor hem wilde doen. Hij heeft twee nachten niet geslapen van de kou, heeft pijn in zijn rug, en heeft een lege blik in zijn ogen. ‘Ik ga mijn advocaat bellen’, zegt hij. ‘Het schijnt dat ik misschien naar een azc mag, en ik heb gehoord dat het daar fijn is.’


Wij Zijn Hier

Wij Zijn Hier begon in september 2012, toen een Amsterdamse arts drie verregende asielzoekers een schuilplaats bood onder een tentzeil in de tuin van de protestantse diaconie. Voor sommige Vluchtkerk-bewoners begon de actie eigenlijk nog eerder: in het tentenkamp in Ter Apel. Toen de groep groeide, werd er een tentenkamp opgericht aan de Notweg in Amsterdam-Osdorp, dat als demonstratie twee maanden lang door de gemeente werd gedoogd. Op 30 november werd het kamp ontruimd. De meeste asielzoekers werden die dag opgepakt en nog dezelfde avond door de politie weer op straat gezet. Nadat de groep enkele nachten onderdak had gevonden op verschillende plekken in Amsterdam kraakte het Studenten Kraak Spreekuur de leegstaande St. Josephkerk. Met de eigenaar kwamen ze overeen dat de asielzoekers er de winter door mogen brengen, en na 31 maart weer verdwenen moeten zijn.

‘Voor het verblijf in de St. Josephkerk hebben de gebruikers een overeenkomst gesloten met de eigenaar van de kerk’, laat een woordvoerder van de gemeente Amsterdam weten. ‘Daarmee is dit een particulier initiatief voor maatschappelijke opvang geworden. Zolang de kerk aan de basale regels rond brandveiligheid en volksgezondheid voldoet, ligt de verantwoordelijkheid nu dus bij de eigenaar van het pand en bij de gebruikers. Als gemeente zijn wij niet direct betrokken bij die overeenkomst. We hebben dan ook geen beeld of voorspelling van wat er na 31 maart gebeurt. Als de gebruiksovereenkomst eindigt, zou dat kunnen inhouden dat de groep dan weer op straat staat of ergens anders onderdak vindt.’


Wie zijn de illegalen?

De illegale migranten vormen een diverse groep. Ze zijn op verschillende manieren in Nederland gekomen: asielzoekers, arbeidsmigranten die zelfstandig de grens overstaken, ‘volgmigranten’ die met hulp van reeds hier aanwezige contacten de oversteek maakten, en personen die met hulp van een mensensmokkelaar of als slachtoffer van mensenhandel in Nederland aankwamen.

De verblijfsrechtelijke achtergrond van de illegalen is zeer verschillend. Sommigen – de ‘kale illegalen’ – hebben zich nooit voor enige procedure bij de autoriteiten gemeld en zijn dus ook niet bekend bij de overheid. Samen met de groep die binnenkwam op een toeristenvisum en na afloop van de termijn in Nederland bleef vormen zij volgens onderzoek van de Dienst Justitiële Inrichtingen meer dan de helft van de vreemdelingen in Nederland. Ongeveer veertig procent van de vreemdelingen doorliep – zonder succes – een asielprocedure. Een klein deel, acht procent, heeft een ‘reguliere’ achtergrond, en was dus ooit legaal in Nederland, bijvoorbeeld als student met een tijdelijke verblijfsvergunning.

Het toekomstbeeld van de illegalen kan ook verschillend zijn: een deel wil blijven, anderen willen doormigreren naar een ander land en een deel wil uiteindelijk terugkeren naar het land van herkomst.