Bill Viola en de realismecrisis

Wachten op het wonder

Alles aan Bill Viola’s werken is origineel, maar het oorspronkelijkst en gewaagdst is zijn vertrouwen op het verlangen naar mystiek van de toeschouwer. Die wil geduldig zijn. Want de tijd verstrijkt niet vergeefs. Er gaat iets gebeuren.

IN DE KATHEDRAAL van Turijn ligt, naar verluidt, in een vitrine een lap linnen tentoongesteld, die de Lijkwade van Christus wordt genoemd. Deze lap wordt door pelgrims uit alle landen bezocht omdat het lichaam en het gelaat van de Messias erin afgedrukt zijn.
Ik zeg niet ‘afgedrukt zouden zijn’, want twijfel uitspreken aan de authenticiteit van deze afdruk is voor een pelgrim even zinloos als tijdens het voorlezen zeggen dat de wolf nooit een levende grootmoeder in zijn buik kan hebben zitten.
Wat je er verder van denkt – dat mensen in de lap geloven is een even groot wonder als dat de doek werkelijk de afdruk van het Gelaat bevat.
Sinds het opduiken van de doek, ik meen in de veertiende eeuw, zijn er mensen die willen bewijzen dat hij nimmer de afdruk van Jezus kan bevatten. Ze hebben ijzersterkte argumenten stoelend op bikkelharde metingen. Maar wie wil er nu een denkbeeld zo poëtisch en vooral: zo roerend en betekenisvol als dat van deze afdruk, om zeep helpen?
Ook zijn er mensen die het omgekeerde willen: wetenschappelijk bewijzen dat de lap authentiek is. Dit lijkt mij uiterst riskant. Stel je voor dat wordt bewezen dat de lap echt is!
Dan moeten we geloven.
Dat is even absurd als niet mogen geloven.
Het is duidelijk: de lijkwade brengt een crisis aan het licht. Niet alleen een geloofscrisis maar ook een realismecrisis, een die door Dostojevski als volgt is verwoord: ‘Een realist komt niet tot het geloof door een wonder, maar hij komt tot het wonder door het geloof.’

IK MOEST HIERAAN denken tijdens een bezoek aan de tentoonstelling van ‘Intieme Werken’ van de New Yorkse videokunstenaar Bill Viola. Er is bij mijn weten geen hedendaagse en ‘echt moderne’ kunstenaar die zozeer op het verlangen naar wonderen vertrouwt als hij. Tegelijkertijd is alle obscurantisme hem vreemd. Viola’s kunst is in de eerste plaats helder en uiterst toegankelijk, geheimzinnigdoenerij is er nimmer bij.
Je kijkt, bijvoorbeeld, naar een staand plasmascherm, als naar een renaissancistisch schilderij, en je ziet twee vrouwen in klassieke gewaden zitten aan weerszijden van een Romeinse of classicistische graftombe. De vrouwen blijken te bewegen, in slowmotion, hun gebaren zijn goed herkenbaar en traditioneel: ze rouwen en klagen om een gestorvene.
De linkervrouw is de oudste, ze zou de moeder van de expressievere rechtervrouw kunnen zijn, je zegt al snel tegen jezelf: links is Maria, rechts Maria Magdalena, ze beklagen Jezus, die kennelijk sinds kort in de tombe ligt.
Het duurt en duurt, en toch blijf je kijken. Veel langer dan wanneer het een schilderij zou zijn geweest, zelfs al had er de handtekening van Leonardo onder gestaan. Waarom? Omdat je wacht.
Althans – je ziet twee vrouwen vertraagd waken, en op een of andere manier wordt hun wake jouw afwachting, er moet iets gaan gebeuren, dat kan niet anders, niemand vraagt je toch om te kijken als er niets ophanden is? Deze denk- of peinsbeweging is de crux van het Bill Viola-kunstwerk. Zelfs al zeg je tegen jezelf: als over enige tijd, wanneer de tijd die dit kunstwerk duurt voorbij is, als er dan nog steeds niets anders te zien is geweest dan deze reeks klagende gebaren, dan nóg heb ik ‘het’ gezien, dan is dat kennelijk waar ik nu op wacht… Vreemde gedachtebeweging is dit, die beslist ook uit een onmiskenbare verveling ontstaat, je blijft kijken omdat je al zo lang aan het kijken was… en terwijl er ‘niets gebeurt’ (en de tijd wél verstrijkt) vouw je om zo te zeggen naar binnen (of je loopt geïrriteerd weg, zoals soms iemand naast je).
Dit naar binnen vouwen – ik weet even geen beter woord – is onontbeerlijk, je verveling lost als het ware op in een lucide doezel, je merkt eigenlijk niet meer dát de tijd verstrijkt – en precies op dat moment, het ‘ontledigingspunt’ (zo zal in de toekomst de Viola-kunde het gaan noemen) – gebeurt er iets uitzinnigs. Er begint water over de rand van de tombe te stromen, en uit dat water rijst een hoofd op, lijkbleek met gesloten ogen, van een jonge man, en die komt overeind en staat op en blijkt naakt en overduidelijk uiterst dood, en hij wankelt de overstromende tombe uit en valt – nog altijd in dezelfde slowmotion – in de armen en op de schoot van de vrouw links. Die nu inderdaad overduidelijk de Moeder is, en om de jongen heen een Pietà wordt, terwijl de Maria Magdalena met een overbodig en toch troostrijk gebaar een witte lap pakt en die over zijn naakte schoot vlijt.
Dat is alles, het duurt bijna twaalf minuten.
Ik heb het twee keer gezien (een Bill Viola blijft tot in de eeuwigheid onafgebroken zichzelf herhalen) en gek genoeg ben ik totaal vergeten hoe de Pietà wordt ‘afgerond’, hoe het mogelijk is dat het allemaal weer kan beginnen met alleen twee vrouwen naast de nog droge tombe.
Dit kunstwerk heet Study for Emergence. Het is klein, nog geen veertig centimeter hoog. Het schijnt een voorstudie te zijn voor een ding dat Emergence heet. Er komt een dag waarop ik ook dat te zien krijg.

IN BOVENSTAANDE beschrijving is van belang, merk ik, dat het moment waarop de doodsbleke jongen verrijst samen blijkt te vallen met het ontledigingspunt. Deze timing luistert volgens mij nauw, en definieert grotendeels Viola’s kunstenaarschap. Net als een componist weet hij op de seconde nauwkeurig hoe lang een door hem opgewekte zielstoestand kan duren. Dit is om zo te zeggen zijn expertise (die hij ook deelt met sommige speelfilmmakers), maar het is ook de vrucht van een onwaarschijnlijk vertrouwen.
Viola weet dat er zoiets bestaat als zijn goede verstaander – en dat die eenzelfde verlangen kent als hij, namelijk dat er ‘iets zal gebeuren’. Dat de tijd nooit vergeefs verstrijkt voor iemand die al kijkend in een toestand van afwachting en ontlediging komt te verkeren.
Nogmaals: dat we tijdens een Viola gaan wachten op iets wat inderdaad het best een wonder genoemd kan worden, is het eigenlijke wonder, veel méér dan dat het wonder van de waterige verrijzenis daadwerkelijk plaatsgrijpt.
Als er dan ook één ding opwindend was, naast de ervaring van het bijwonen, die heugelijke zondagmiddag in museum De Pont, dan was het de menigte mensen die alle dertien kunstwerken stuk voor stuk integraal en vaak zuchtend van een zeldzame ontroering verduurde. Dat is niet helemaal het woord, maar wat mij trof was het algemene verlangen (ook van mezelf) om ons ondergeschikt te maken aan Viola’s duur. We wilden geduldig zijn.
Rare gewaarwording, ik ken deze voegzaamheid van het bijwonen van de mis, of van waken in een kamer met een dode, of heel lang staren naar een pasgeborene. En als ik het goed begrijp, dan is het een geduld dat in het teken van de afwachting bestaat, op een of andere manier weet je dat er een wonder op til is. Je gaat geloven dat het zal gebeuren, of laat ik zeggen: je weet dat er iets op til is wat je niet zult begrijpen, en waar je nauwelijks op kunt hopen, en toch gebeurt het voor je ogen. Iets wat buiten bereik van je interpretatieve kunnen zal vallen: want wat betekent het dat de jongen verrijst als hij overduidelijk, ondanks de beweging die hij maakt, morsdood is?
Alles aan Bill Viola’s werken is origineel – ook zijn subtiele aanknopen aan de (veelal renaissancistische) beeldtraditie en de christelijke (barok)iconografie) – maar het oorspronkelijkst en gewaagdst is zijn vertrouwen op het verlangen naar mystiek van zijn toeschouwers. Want een kunst als deze is zeldzaam afhankelijk van de creativiteit van de toeschouwer – die ‘schept’ met zijn aandacht, zijn geduld, het kunstwerk. Ik vond dat daar in Tilburg, waar het in de nauwe ‘wolhokken’ van het museum (een voormalige textielfabriek) soms heel vol was, zeer indrukwekkend.
Mijn favoriet was die zondagmiddag overigens Old Oak, die maar liefst een half uur duurt. Wat je ziet is, op een liggend plasmascherm, niets anders dan de zon die opgaat achter een brede, wijde eik. Je hebt het gevoel dat je het in ‘real time’ ziet gebeuren (een illusie, volgens mij gaat het in werkelijkheid juist sneller), en het duurt net zo lang tot de zon zo hoog staat, en zo sterk schijnt, dat het licht de eik volledig opslokt en uitwist – het eindigt met alleen maar verblindend licht. Dan wordt het beeld zwart. Daarna duurt de duisternis exact zo lang als nodig om je te verlossen van de nabeeldwerking van het licht en te ‘wennen aan de duisternis’. Weer is de timing tadellos: op het moment dat je dit duistere ontledigingspunt hebt bereikt beginnen de vogels te zingen en gloort het allereerste licht op het scherm.
Aan Old Oak is strikt genomen niets wonderlijks, er gebeurt niets onwaarschijnlijks, zoals in Emergence, waar toch gespeeld wordt dat er aan een natuurwet wordt voorbijgegaan.
De crisis die Old Oak veroorzaakt is er voor de realist niet minder om. Hoe komt het dat hij ging denken dat er ‘iets ophanden was’? Dat hij ging wachten? Dat hij bleef kijken tot alles licht was? En zelfs daarna nog?
Het wordt nog een hele klus – om te bewijzen dat hij niet eigenlijk geloofde dat er een wonder ophanden was.

Bill Viola, Intimate Work. Museum voor hedendaagse kunst De Pont, Tilburg, t/m 10 januari 2010