Godslastering in Nederland

Wachten op Hirsch Ballin

Tegen Hirsi Ali is gedreigd met gerechtelijke stappen. Maar sinds de befaamde aanklacht tegen Gerard Reve is er in Nederland geen rechter meer geweest die serieus werk wilde maken van godslastering.

Al zei ze niets anders dan wat in Haci Karacaers eigen Heilige Schrift valt te lezen, toch was de leider van de Turkse moslimorganisatie Milli Görüs zo kwaad over de uitspraken van VVD-politica Ayaan Hirsi Ali dat hij dreigde met gerechtelijke stappen. De vraag is: voor welk vergrijp? Blasfemie wellicht. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht is dat geregeld onder artikel 137, godslastering. Toch is er sinds de befaamde aanklacht tegen Gerard Reve geen rechter meer geweest die er serieus werk van wilde maken. Al is daar nog weleens op gehoopt, zoals in 1984, toen de Bond tegen het Vloeken probeerde het OM te dwingen vervolging in te stellen tegen Van Kooten en De Bie. Die zouden in het lied Het wijnjaar nul op schunnige wijze de spot hebben gedreven met Jezus Christus en het Heilig Avondmaal. Daarnaast verzochten Nederlandse moslimorganisatie het OM De duivelsverzen van Salman Rushdie te verbieden. Maar keer op keer bevestigde de rechter dat hij artikel 137 niet meer wenste in te zetten. Toen een jaar later Den Uyl, net als Hirsi Ali destijds kamerlid, het christendom als volstrekt abject van de hand wees («Auschwitz laat een geloof in God natuurlijk niet toe voor weldenkende mensen») keek niemand meer naar de rechter voor «bescherming».

Opvallend genoeg lijkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zwaarder te tillen aan godslastering. Tot twee keer toe heeft het Hof de afgelopen tien jaar het verbod gesanctioneerd op de vertoning van een film die godslasterlijk werd geacht.

In het eerste geval ging het om de achttien minuten durende videofilm Visions of Ecstacy. De film is volgens de schrijver, de in Londen wonende Nigel Wingrove, afgeleid van het heiligenleven en de geschriften van de middeleeuwse, Spaanse mystica Teresa van Ávila. In de film zonder gesproken tekst heeft de heilige het duidelijk te kwaad met haar extatische en erotisch gekleurde visioenen van Christus. Ze smeert onder meer, kronkelend van opwinding, bloed over haar blote borsten. Ook likt ze communiewijn van de vloer en zoent ze de stigmata van Jezus. Die ligt op een kruis op de grond. Bij al deze handelingen maakt Teresa bewegingen die, zo zeggen de rechtsstukken, «getuigen van haar hevige erotische opwinding».

Het ging de Britse keuringsdienst van films niet om de seks: «Als de mannelijke figuur niet Jezus moest voorstellen, was er nooit een probleem ontstaan.» De maker stapte naar het Europese Hof. Dat leek aanvankelijk grote gevolgen te hebben voor de Britse wetgeving, omdat het Europese Hof mogelijk gehakt zou maken van de uit 1189 stammende blasfemiewet op basis waarvan het verbod tot stand kwam. Maar niks daarvan. Het Hof steunde het verspreidingsverbod.

Bij de tweede zaak ging het om de film Das Liebeskonzil. De bisschoppelijke autoriteiten hadden aanstoot genomen aan de aankondiging ervan. De film werd in beslag genomen nog voordat die kon worden vertoond in een Tiroler arthouse. (Ook die bestaan.) Het iebeskonzil is gebaseerd op een satirisch toneelstuk en de poging tot een opvoering daarvan in het Teatro Belli in Rome in 1895. Dat leidde destijds al tot een godslasteringsproces tegen de schrijver van het toneelstuk, Oskar Panizza. De met seks doorspekte vertelling speelt zich af — hoe blasfemisch — aan het Hof van de Borgia-paus Alexander IV. Behalve verwijzingen naar het proces tegen Panizza neemt de film de godslasterlijke vertelling over. De uitspraak: «Preventief verbod op openbaring en verspreiding van een godslasterlijke videofilm levert niet per se schending van art. 10 EVRM op.» De negen rechters van het Hof wezen daarbij op het gegeven dat 87ýprocent van de Tiroler bevolking katholiek is. Met andere woorden: Karacaer moet veel meer geloofsgenoten in Nederland verwerven of verzamelen alvorens hij een kans wil maken in een strijd tegen in zijn ogen godslasterlijke uitspraken, kunstuitingen of andere taferelen.

Maar het is ingewikkelder. Uit de toelichtingen op beide zaken blijkt dat het Hof de politieke uitingsvrijheid van groter belang acht dan artistieke uitingsvrijheid. Waar het Europees recht betreft, mag Hirsi Ali zich dus zekerder van haar zaak achten dan Nigel Wingrove, Gerard Reve, Van Kooten en De Bie, of mogelijk Theo van Gogh in de toekomst. Om het nog ingewikkelder te maken: uit de stukken blijkt ook, zo legt de rechtsgeleerde Theo Rosier enigszins verontwaardigd uit in een voortreffelijk artikel in het juridische blad Themis, dat het Hof veel strenger is waar het religie betreft dan waar het om seculiere moraal handelt. Bovendien hebben de nationale overheden een «grotere beoordelingsvrijheid waar het om belediging gaat in relatie tot religie». Als de Nederlandse overheid zicÚ dus net zo had gestoord aan de woorden van Hirsi Ali als de Amsterdamse moslimleider Karacaer, dan had het Hof mogelijk geen vinger uitgestoken bij een verbod op de uitgave van het bewuste zaterdagnummer van dagblad Trouw. Dit is vergezocht, maar theoretisch niet onmogelijk, zeker niet als we ons de reactie van toenmalig minister Hirsch Ballin op de twee verbodsbekrachtigingen van het Hof herinneren. Hij zag in het Tiroler filmhuis-arrest een «herwaardering en herinterpretatie van een religieus en ethisch pluriforme samenleving». Verbieden was kennelijk goed voor de «ethische pluriformiteit» van de samenleving. Dat geeft te denken. Zeker als gelovigen als Hirsch Ballin en Karacaer samen met het Hof het recht kunnen claimen op bescherming tegen kwetsing van hun religieuze gevoeligheden.