Ger Groot

Wachten op ironie

«Kunnen wij menselijk en menswaardig leven buiten de grote verhalen om? Dat lijkt onwaarschijnlijk», schrijft de Leuvense linguïst Flip Droste in zijn opstellenbundel Een wereld van woorden (Uitg. Klement). Menig filosoof zou de wenkbrauwen fronsen. Alomvattende wereldsystemen zijn niet erg populair meer, maar Droste deert dat niet. Onbekommerd wandelt hij door de linguïs tiek en taalfilosofie van de twintigste eeuw om te laten zien dat het menselijk bestaan een taal-bestaan is en we steeds beter doorhebben hoe dat werkt. Het grote verhaal, een soort wetenschappelijk humanisme, is voor hem nog lang niet uit.

Hij heeft waarschijnlijk gelijk, op zijn onbekommerdheid na. De millenniumwisseling is zonder problemen verlopen, maar wat ooit de angsten van een eindtijd waren, is nu de apocalyptische onzekerheid over zo ongeveer alles — de wetenschap niet uitgezonderd. Wachtend op de barbaren heeft de Vlaamse essayist Luc Devoldere zijn onlangs verschenen bundel genoemd (Lannoo). Die wachtenden zijn wij en het motto komt van de Griekse dichter Kavafis.

Er steekt wel een adder onder het cultuurpessimistische gras. «Enkele lieden, net binnen uit de grensstreek,/ zeiden dat er geen barbaren meer zijn.// Wat moet er nu van ons worden, zonder barbaren./ Die mensen waren tenminste een oplossing», dicht Kava fis. «Nergens op wachten. Geen barbaren en geen oplossingen», zo besluit Devoldere zijn weemoedige bundel. Zelfs de mythe van de ondergang is ons ontzegd.

Tenslotte was ook dat een Groot Verhaal. Doen we het nu werkelijk zonder? Devoldere eindigt met een citaat: «Tout le reste est littérature.» En literatuur, weten we, zijn alleen maar kleine verhalen. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty zag er zelfs het substituut in voor de failliete filosofie. Romans en verhalen leren ons wat menselijk is; grote theorieën hebben we daarvoor niet nodig. Lees fictie en doe wat goed is.

Of dat werkt, is de vraag. Literatuur moest van oudsher het goede voorbeeld geven en booswichten dienden met poëtische gerechtigheid te worden gestraft, maar sinds de Romantiek en het modernisme houden we niet meer van zo’n moreel dictaat. Word je van Huysmans’ A rebours of Joyce’s Ulysses een beter mens? Meer geëmancipeerd en meer bereid de rechten van andere mensen (en zelfs dieren) te erkennen, zoals Rorty wil?

Met literatuur kun je alle kanten op. Ook Rorty kan het niet stellen zonder de mythe van de emancipatie en dus een geloof in de geschiedenis. Want niemand garandeert dat de erkenning van joden, arbeiders of vrouwen een blijvende verworvenheid is, in plaats van de tijdelijke bevlieging van een wispelturige historie.

Heeft Droste dus gelijk en keren de grote verhalen altijd weer terug? Rorty heeft het half erkend en tegelijk de grote principes op afstand willen houden. Ironie was nodig om de kloof te erkennen tussen de leer en het leven. Die woordkeus was even succesvol als ongelukkig. Want ironie, schrijft Devoldere, kan het niet stellen zonder de ernst waartegen ze zich aftekent. Op zichzelf is ze niets, behalve een halfslachtig excuus voor wie iets doms schrijft en dat achteraf als «ironie» verloochent, zoals Rudy Kousbroek na een anti-Amerikaanse stuiptrekking met pro-Iraanse bijverschijnselen.

Erger is dat ironie de indruk wekt dat het met de principes niet zo nauw genomen wordt, want dat — schrijft Manu Claeys in zijn politieke schotschrift Het Vlaams Blok in elk van ons (Van Halewyck) — maakt gemakkelijk ressentimenten los. Zwalkende beginselloosheid en gebroken woorden lagen aan de basis van de wanhoopsprotesten waaraan Claeys Nederland (anders dan Vlaanderen) nog ziet ontsnappen. Zijn boek dateert van 2001 en hij werd prompt door de LPF gelogenstraft. Van de ironie die in Nederland tot voor kort als «gedoogbeleid» werd beoefend, is inmiddels ook weinig meer over.

Hoe geloven in principes, zonder uit beginselvastheid onmenselijk te worden en door soepelheid ongeloofwaardig? Wat de politiek beklemt, is ook op zijn manier het probleem van de schrijver. De kleine verhalen van de literatuur corrigeren de grote van de filosofie — en omgekeerd. Het is nooit alléén maar la littérature qui reste; zonder de ander is de één gevoelloos, de ander blind. Albert Camus, herontdekte lievelingsschrijver voor postideologische tijden, noteerde: «Een roman is altijd een filosofie gevat in beelden.»