De eurocrisis in niet-eurolanden

Wachten tot de rommel is opgeruimd

Willen de Polen en Bulgaren nog wel toetreden tot de euro? De onvrede in de niet-eurolanden neemt toe.

‘NO WAY dat de sterling wordt ingeruild voor de euro’, zegt Richard Jackman, econoom aan de London School of Economics. Ondanks Tony Blairs liefde voor Europa bleef Groot-Brittannië buiten de Economische en Monetaire Unie. 'Gordon Brown wilde als minister van Financiën zelf aan de knoppen van de wisselkoers en de rente blijven zitten. De eurocrisis heeft dat gevoel alleen maar versterkt’, zegt Jackman. De Liberaal-Democraten, nu regeringspartij, waren lang voorstander van de euro, maar ook hun enthousiasme is sinds de crisis weggeslagen. De huidige coalitie heeft aangegeven geen stappen richting de euro te zetten. Jackman: 'Niet de euro zelf, maar de schuld in landen als Griekenland wordt hier verantwoordelijk gehouden voor de crisis. Sinds de Griekse crisis is er geen discussie meer: de euro komt er niet.’
Geldt dat voor andere landen ook? Hoe kijken landen die de euro bewust níet hebben ingevoerd (Groot-Brittannië en Denemarken) naar de huidige crisis? Lachen ze in hun vuistje, blij met de beslissing niet toe te treden? En hoe staat het met de landen die nu weliswaar nog niet in de euro zitten, maar in de toekomst wel moeten toetreden, zoals Polen, Bulgarije en andere Oost-Europese landen? Ze kunnen de beker nu even aan zich voorbij laten gaan. Maar daalt het euro-enthousiasme zo sterk dat ze misschien wel buiten de Europese munt willen blijven, om zo hun eigen monetaire beleid te kunnen voeren? En, tot slot, hoe staat het met de landen die in de afgelopen periode net toegetreden zijn, zoals Estland en Slowakije? Voelen zij zich dubbel zuur: eerst hard bezuinigen, om nu de dupe te zijn van anderen en mee te moeten betalen? Hadden zij achteraf gezien maar liever hun oude vertrouwde munt gehouden?
Om de euro te redden moet flink in de buidel worden getast. Eind 2010 werd de European Financial Stability Facility (EFSF) opgericht, een stabiliteitsfonds om financiële steun te kunnen geven aan eurolanden die in de problemen verkeren. Daartoe lenen eurolanden met gezonde economieën tegen relatief lage rente geld op de kapitaalmarkt, om het door te lenen aan de strubbelende eurobroeders. Het fonds is goed voor 440 miljard euro.
Nog vóór de oprichting van de EFSF werd Griekenland geholpen met een lening van 110 miljard euro, waarvan tachtig miljard door de eurolanden en dertig miljard door het IMF. Kort na de oprichting leende Ierland vijf miljard uit het EFSF als onderdeel van een EU/IMF-hulppakket. Maandag werd bekend dat Portugal wordt geholpen met 78 miljard euro, waarvan 26 miljard via de EFSF. En de Grieken vragen al om extra leningen en een 'herschikking’, een eufemisme voor het deels kwijtschelden van de enorme schuld. Minister De Jager (Financiën) mag de afgelopen maanden nog zo stoer hebben geroepen dat Nederland 'geen cent’ aan Griekenland zal betalen en dat landen met een hoge schuld zelf hard zullen moeten bezuinigen, inmiddels wordt steeds duidelijker dat dat voor de bühne was. Afgelopen week werd al serieus gesproken over een herschikking, simpelweg omdat anders Europese banken de dupe zijn. De solidariteit binnen de eurolanden wordt hard op de proef gesteld, met het dreigende risico van een complete crisis als aanjager.
Denemarken heeft, net als Groot-Brittannië, een opt-out weten te bedwingen: wel EU, geen euro. Tot nu toe heeft bij referenda telkens een nipte meerderheid tegen de euro gestemd, vertelt Jesper Rangvid, hoogleraar financiën aan de Copenhagen Business School. Volgens Rangvid zijn tegenstanders vooral bang dat hun kleine land door het grote Europa wordt opgeslokt. In het Deense parlement zijn echter alleen de uiterst rechtse en linkse partijen tegen de euro - de volksvertegenwoordiging is daarmee geen afspiegeling van de stemming onder de bevolking. De meeste politieke partijen zijn voor. 'Zij weten dat het economisch logisch is ook monetair te integreren. Maar dat wordt tot nu toe tegengehouden door de referendumuitslagen. Onze economie is compleet afhankelijk van het buitenland, dus die monetaire onafhankelijkheid is puur symbolisch. Die duurt precies twee uur en een kwartier: tussen de persconferentie van de Europese Centrale Bank om kwart voor twee en de persconferentie van de Deense Centrale Bank om vier uur.’
Toch laait ook in Denemarken de discussie geregeld op. De huidige crisis wordt door tegenstanders gebruikt om de onbetrouwbaarheid van de euro aan te tonen en de koestering van de kroon te rechtvaardigen. Rangvid: 'Natuurlijk wil niemand op dit moment de kroon inwisselen voor de euro.’

DE NIEUWERE EU-lidstaten Polen en Bulgarije hebben geen opt-out. Polen schermt nog wel met een referendum over de invoering, maar in principe geldt dat EU-lidmaatschap ook euro-lidmaatschap inhoudt. Zodra ze voldoen aan de criteria - staatsschuld niet hoger dan zestig procent, tekort op de overheidsbegroting niet hoger dan drie procent - moeten ze de euro invoeren. Polen zou dat stadium in 2015 kunnen bereiken, en misschien zelfs pas in 2020. De Polen zijn niet rouwig om het uitstel en maken maximaal gebruik van de devaluatiemogelijkheden. Warschau heeft de zloty ten opzichte van de euro in 2009 zo'n achttien procent laten dalen, waardoor de Poolse economie concurrerend bleef. Als enige in Europa, naast Cyprus, groeide de Poolse economie in het crisisjaar 2009.
Officiële EU-cijfers geven aan dat de publieke opinie in Polen zich langzaam tegen de euro keert: van 46 procent in 2009 naar 53 procent in 2010. Maar volgens dr. Adam Balcerzak, voorzitter van het Poolse Economische Genootschap, is de werkelijke houding negatiever: 'Ik denk dat nu nog maar zo'n dertig tot veertig procent van de bevolking de invoering van de euro steunt. Het is in het parlement even niet politiek correct om euro-enthousiast te zijn. Maar geen enkele serieuze politicus is op termijn tegen de euro, hoe de stemming in het land nu ook is. De vraag is niet of we de euro gaan invoeren, maar wanneer.’
Bulgarije, meestal gezien als het achterlijkste jongetje van de Europese klas, heeft de overheidsfinanciën prima op orde. De staatsschuld is na die van Estland het kleinst van Europa, twintig procent. Ook het begrotingstekort, 2,5 procent, ligt ruim onder de Europese norm. Van Bulgarije wordt verwacht dat het in 2013 al zou kunnen toetreden, maar de regering maakt geen haast met de invoering van de euro.
De koers van de nationale munt, de lev, is al jaren gekoppeld aan de euro. 'Daar ondervinden we op het moment alle negatieve gevolgen van’, zegt Ivan Krastev, voorzitter van het Centre for Liberal Strategies in Sofia. 'Een groot deel van de Bulgaren is geschrokken door de crisis.’ Als Bulgarije in 2013 zou toetreden tot de Europese monetaire unie zou dat bovendien een forse investering in het noodfonds betekenen.
Toch is de euro op zich geen issue, zegt George Angelov, senior-econoom van het Open Society Institute in Sofia: 'Op termijn komt hij er. Maar op het moment mogen we gelukkig zijn dat we geen euro hebben. We blijven ook nog wel even uit de euro als we alleen mee mogen doen om rijke landen te redden. Het is toch raar dat een arm land de rommel van de rijke landen moet opruimen? Ik denk dat we eerst maar eens even afwachten tot de rommel is opgeruimd.’

'GEFELICITEERD, Estland, je hebt zojuist het laatste ticket voor de Titanic bemachtigd.’ Dat was de slogan van een kleine groep sceptici in Tallinn na de toetreding van Estland tot de eurozone op 1 januari jongstleden. Maar hoe creatief ook hun leuze, de sceptici hadden en hebben weinig aanhang. Niet één politieke partij draagt hun standpunt uit. Dat komt doordat de euro voor Estland meer is dan alleen een economisch verhaal, legt Andres Kasekamp, directeur van het Estse Foreign Policy Institute uit: 'Het draait bij ons grotendeels om identiteit. Met de invoering van de euro zijn we geen tweedeklas Europeanen meer.’ Een nog belangrijker reden om blij te zijn met de euro is volgens Kasekamp de behoefte aan veiligheid. In West-Europa mag het nauwelijks voorstelbaar zijn, in Estland wordt de Russische dreiging als zeer reëel ervaren: 'Het gevoel hier is dat het veiliger wordt naarmate we beter geïntegreerd zijn in de structuren van de Europese Unie.’ Maar volgens Kasekamp staat de traditioneel sterke pro-Europa-houding onder druk: 'Ook hier vinden steeds meer mensen het onterecht dat de noorderlingen moeten betalen voor de onverantwoorde economische politiek van de zuiderlingen.’
Estland trad weliswaar toe toen de eurocrisis al in volle gang was, het hoefde niet mede garant te staan voor de lening aan Griekenland, want die was al in kannen en kruiken. Die mazzel had Slowakije niet. Het land trad op 1 januari 2009 toe tot de euro, deelde volwaardig mee in de rampspoed van de eurocrisis die een jaar later uitbrak en moest óók nog eens meebetalen om Griekenland te redden. De Slowaakse premier Radicova deed iets opmerkelijks: ze weigerde de Grieken te steunen omdat ze jaren hun begroting vervalsten en onverantwoord opereerden. Daarmee doorbrak ze de Europese solidariteit. Brussel reageerde woedend, maar Radicova hield haar poot stijf: geen hulp voor Athene.
Inmiddels is ze weer terug in haar hok, constateert Vladimir Benc, senior onderzoeker van de SFPA, de Slowaakse Associatie voor Buitenlandse Politiek: 'Slowakije wil de miljarden behouden die het uit de structuurfondsen van de EU krijgt. Dat vergt een constructievere opstelling binnen de Unie.’ Het gaat om 13,3 miljard euro. Ter vergelijking: Nederland ontvangt uit diezelfde fondsen maar 1,7 miljard en het veel grotere Polen tien miljard. De Slowaken dragen wel bij aan de EFSF. Ze staan garant voor 4,37 miljard, nog geen derde van de subsidies uit Brussel. Volgens de Slowaakse media is flinke druk op Radicova uitgeoefend, met de structuurgelden als inzet, om te voorkomen dat het land opnieuw gaat dwarsliggen.
Dat soort obstructie kan de euro de komende tijd in grote problemen brengen. Want de tijdelijke EFSF wordt in 2013 omgevormd tot het permanente European Stability Mechanism (ESM), dat niet alleen werkt met garantstellingen maar ook met baar geld. Tegelijkertijd worden de bijdragen van de lidstaten aan de kas van de Europese Centrale Bank (ECB) flink verhoogd, zodat de bank staatsobligaties van de zwakke eurobroeders kan opkopen. Landen als Slowakije en Estland die hard hebben moeten saneren om aan de euro-eisen te voldoen, moeten dus dubbel betalen voor de landen die er jarenlang een rotzooi van maakten.
Nu al woedt er een discussie in de Bulgaarse pers over de hoogte van het ESM-bedrag. Hoe gaan de regeringen dat aan hun sceptische bevolking uitleggen? Zonder steun van die bevolking geen ESM.
Van buitenaf mag de eurosolidariteit voorbeeldig lijken, maar intussen smeult de onvrede. Net als de Esten en de Polen voelen de Slowaken zich uitgebuit. 'Zowel binnen als buiten het parlement vinden Slowaken het absurd dat een land waar het gemiddelde salaris achthonderd euro per maand is geld moet lenen aan een land waar zelfs een klein pensioen nog vijftienhonderd euro bedraagt’, zegt Vladimir Benc.