prachtwijken, wachtwijken 

Wachtwijken

Het lot van de bewoners van de ergste achterstandswijken moet worden verbeterd. In haar Actieplan Krachtwijken waarschuwde minister Vogelaar voor een tombola – en die heeft ze gekregen. De plannen van de gemeentes zijn ‘een grabbelton van opzetjes en vage plannen’.

Bij een tussentijdse toetsing van gemeentelijke plannen voor de veertig Krachtwijken van minister Ella Vogelaar kwam Leeuwarden als beste uit de bus. Onderzoeker Koos van Dijken van het grootstedelijk kenniscentrum Nicis wil er geen eed op doen dat het Friese plan gaat slagen; dat moet de praktijk uitwijzen. Maar de gemeente heeft tenminste degelijk werk geleverd, in tegenstelling tot veel andere.

Koos van Dijken: ‘Leeuwarden heeft zowel de problemen als de eigen beleidsvoornemens met betrekking tot de achterstandswijk Heechterp-Schieringen goed op een rijtje gezet en gecoördineerd met alle betrokkenen. Die samenhang en helderheid missen we in de meeste andere plannen. Dat heeft niet alleen met de probleemomvang of locatie van de stad te maken, want een stad als Amsterdam bezet de vierde plaats. Leeuwarden heeft echter de les geleerd dat je voor goed beleid eerst de verkokering van de betrokken instellingen moet doorbreken. Veel andere wijkactieplannen lijken op de gevreesde “tombola” waartegen de minister in haar eigen Actieplan Krachtwijken waarschuwde. Ze zijn een grabbelton van opzetjes en vage plannen van alle mogelijke instellingen en bewonersgroepen die vooral geïnteresseerd zijn in de vraag hoeveel geld ze kunnen lospeuteren.’

Dat laatste is het echte nieuws, en het stemt bepaald niet vrolijk omtrent de sociale staat van Nederland. Bij het verschijnen van de laatste miljoenennota plaatste De Groene Amsterdammer al grote vraagtekens bij het sociale ‘Deltaplan’ dat dit kabinet voor ogen staat. Het kabinet wil maar liefst het ‘maatschappelijk vertrouwen’ terugbrengen op de probleemgebieden onderwijs, veiligheid en grootstedelijke verloedering. De twijfel gold niet zozeer de ambitie of de geplande financiering, als wel de mogelijkheid om de Haagse voornemens om te zetten in beleid dat handen en voeten heeft en blijvende verbeteringen tot stand brengt.

De grote-stedenproblematiek moet worden aangepakt met behulp van voorbeeldwerking, namelijk door de levens van enige tienduizenden bewoners van de ergste achterstandswijken een beslissende wending te geven, zoals minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie in haar Actieplan schreef. Maar wie gaat dat doen, en hoe? Beschikt de overheid over de middelen en mensen voor zo’n plan of is dat institutionele kader compleet uitgehold na vijfentwintig jaar van bezuinigingen op sociale-zekerheidsarrangementen, outsourcing van overheidstaken of overheveling daarvan naar de gemeenten? Zijn er (nog) voldoende beleidsinstrumenten en gemotiveerd personeel voorhanden om sociale problemen daadwerkelijk aan te pakken? Let wel, het gaat hier niet om beleid op nationaal of stedelijk niveau, maar om concrete plannen voor veertig achterstandswijken met welomschreven problemen, verspreid over achttien merendeels grote steden.

Helaas, de aanpak van de veertig wijken loopt nu reeds ernstige vertraging op. En de voornaamste reden voor die vertraging lijkt te zijn dat precies dat institutionele kader ontbreekt, te beginnen met een goede financieringsbasis. De geraamde tienjarenbegroting van tweeënhalf miljard euro, op te brengen door de woningcorporaties, was volgens de minister in september vorig jaar rond. De corporaties zouden jaarlijks een tiende van dit bedrag storten in een privaat investeringsfonds. Weliswaar bestond de garantie slechts uit een toezegging van Aedes, de koepel van woningcorporaties, en weliswaar moesten de wethouders van de betrokken gemeenten de genoemde bedragen eerst nog met hun corporaties uitonderhandelen, maar op papier klopte haar verhaal.

Inmiddels zijn veel van die onderhandelingen uitgelopen op een mislukking. Corporaties voelen zich niet langer (mede)verantwoordelijk voor het sociale beleid van gemeenten. Dat hoeven ze ook niet. Sinds hun privatisering zijn ze zich onvermijdelijk ook gaan gedragen als particuliere bedrijven. De invloed van de bewoners werd verder teruggedrongen en de besturen begonnen huurhuizen op goede locaties te verkopen en de opbrengst te besteden aan andersoortige investeringsprojecten dan wel aan vorstelijke salarissen voor zichzelf. In november vorig jaar bleek uit een door RTL Nieuws opgevraagde salarislijst dat een vijfde van de directeuren van de 450 Nederlandse woningcorporaties beduidend meer verdient dan premier Jan Peter Balkenende. Daar komt bij dat de corporaties met ingang van 2008 van minister van Financiën Wouter Bos vennootschapsbelasting moeten gaan betalen, wat hen nog minder offerbereid maakt. In Rotterdam hebben gemeente en corporaties in arren moede besloten om te putten uit de één miljard euro die al in 2006 was geoormerkt voor het Pact op Zuid, een ondernemersplan bedoeld om Rotterdam-Zuid een sociaal en cultureel opkontje te geven.

Ten tweede houdt het moderne welzijns- en opbouwwerk zich steeds minder bezig met zijn eigenlijke taak en des te meer met protocollen, outputmetingen, subsidieprofielen en ambtelijke nota’s. Onder leiding van de uitdijende kaste van managers wordt steeds minder praktisch werk verricht. Zelfs de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning dreigt stuk te lopen op een typische klip van deze tijd, namelijk aanbestedingsproblemen, in dit geval vooral voor de thuiszorg. De wmo is bedoeld als een participatiewet die het oude onderscheid tussen (gemeentelijk gefinancierd) welzijn en (door de awbz gefinancierde) zorg opheft en de burgers via hun eigen gemeente meer invloed op het beleid geeft. In de praktijk wordt veel welzijnswerk echter overgenomen door woonconsulenten van de corporaties, die om wille van het gewin hun eigen wijken leefbaar willen houden. Nog even en er ontstaat in Nederland een volledig particuliere welzijnssector waarin ook de thuiszorg en wijkgezondheidszorg zijn ondergebracht. Dan bereikt Den Haag eindelijk de graad van bewonersparticipatie waarnaar het al jaren streeft, maar dan wel in een commerciële vorm die geen boodschap meer heeft aan Rijk of gemeente.

Ten derde zijn de zin en haalbaarheid van veel gemeentelijke actieplannen twijfelachtig. Het algemene beeld is ‘somber als het gaat om de verwachte doelmatigheid en effectiviteit’, schrijft het Nicis in zijn beoordeling: ‘Het meest bezwaarlijk is dat in veel plannen de samenhang tussen belangrijke thema’s als wonen, werken, leren en opgroeien, veiligheid en integratie niet goed uit de verf komt in de tekst. Ook het thema verkokering speelt in diverse plannen een marginale rol. Volgens de analisten ademen veel plannen de sfeer van “we proberen alles, dan lukt er vast wel iets”.’ Het Nicis zegt het niet met zoveel woorden, maar voor veel wijken is het vooralsnog wachten op serieuze plannen. Hebben we in Nederland dan niets geleerd van vijftien jaar Grote Steden Beleid, dat ook al grotendeels bestond uit het rondpompen en evalueren van papieren voornemens, denkbeeldige successen en – helaas – maar al te reële subsidiestromen? Daar lijkt het wel op, meent Van Dijken.

Koos van Dijken: ‘De lessen die je kunt trekken uit dat beleid en zijn mislukkingen zijn lang niet overal ter harte genomen. Leeuwarden heeft tenminste les één begrepen: formuleer duidelijk de problemen, de doelstellingen en de instrumenten in hun onderlinge samenhang. Een tweede les luidt: doorbreek de verkokering tussen de betrokken instellingen. De derde les moet zijn dat je de beste mensen op de grootste problemen zet, niet jonge medewerkers, niet de mensen van de tweede garnituur of lieden die carrière willen maken achter een bureau met een telefoon zonder ooit met de praktijk te worden geconfronteerd. Je moet voorrang geven aan de beste, meest gemotiveerde mensen over wie je beschikt. En die mensen zijn er. Er is in dit land een groot potentieel op dit gebied, maar het moet door goede beleidsmakers, duidelijke besluitvorming en een fatsoenlijke financiële beloning worden gemobiliseerd.’

Zelfs dan blijft het de vraag of de gangbare analyses van oorzaak en gevolg wel kloppen. Het uitgangspunt dat bewoners van achterstandswijken door te werken meer inkomen, zelfrespect en regelmaat in hun leven krijgen, is bijvoorbeeld lang niet zo eenduidig als het kabinet aanneemt. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau wijst uit dat honderdduizenden ‘sociaal zwakke’ Nederlanders ondanks een gevulde werkweek nauwelijks de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Gezien hun opleiding en thuissituatie moeten ze het doen met wegwerpbanen, flexcontracten voor thuiswerk en andere deeltijdverdiensten, waardoor ze rond de armoedegrens van zevenhonderd euro bruto per persoon per maand uitkomen.

Voor bewoners van een wijk als het Leeuwardense Heechterp-Schieringen, waar één op de vijf volwassenen chronisch werkloos is en meer dan de helft niet hoger geschoold dan vmbo-niveau, is zo’n ‘geregeld leven’ geen wenkend vooruitzicht. Maar ook het veelgeprezen wijkactieplan van hun eigen gemeente heeft zijn schaduwzijden. Een van de speerpunten is ‘armoedebestrijding door energiebesparing’. Gemeentelijke ‘frontlijnteams’ zullen huis aan huis de spaarlamp in de strijd werpen tegen taal-, opleidings- en inkomensachterstanden. De doelstelling is concreet en het resultaat zal meetbaar zijn, dat wel.